Van hee: december

van hee, stadgent

bron foto: stad.gent

December

waarom liegt ze tegen mij / zei je aan de telefoon / ze heeft zo’n ziekte nooit / gehad, ze valt gewoon / van de trap, van haar fiets, / ze valt als je haar aanraakt

je haakte in en lachte / omdat ik alles had gehoord

ik zal er een gedicht / van maken, zei ik, nam mijn dochter / bij de hand en wachtte / op de bus naar huis

het was al tegen kerstmis / ik herinner mij gedwarrel / in het licht van auto’s / komend uit de bocht / de winkels gingen dicht / we wisselden gedachten: / wat we morgen zouden kopen / hoestsiroop, gehakt, ze vroeg / waarom ik lachte en ik loog: / omdat het sneeuwde / ik had er zo lang op gewacht

Uit: Winterhard, Bezige Bij Amsterdam, 1988

Miriam Van hee (1952, Gent, België)

Poëzie im Frage: het gedicht als stem, brief

Manifest

Nee, spreek me niet van deze diamant, de ronde kei / Die elk gedicht zou moeten zijn. / Ik wil je stem horen. Je stem

(..)

Ik wil je stem horen. Je stem. Ik wil je stem / Van tollende steden vol zinloze binnenplaatsen, / Je stem die mij kan kleden en mijn ouwe dorst kan lessen / En je stem die alle lauwte uit mij weggestenigd heeft, / Je stem die mij de mens als brood heeft voorgesneden / En je stem die straks mijn keel zal zouten,

(..)

Ja je stem die heftig licht heeft opgehoopt / In de nog niet gelaagde mens, je stem die zingt / Of snikt, je stem die jent / Of mint, maar toch je stem, je stem, tenminste / Een stem.

Uit: Alle tijd van de wereld, Leonard Nolens, Manteau Antwerpen, 1979

Veel duidelijker kan het niet, een stem die in alle toonaarden zingt, snikt, jent, mint. Niet zomaar een anonieme stem, maar – gezegd tegen een dichter – ‘je stem’, waarin die dichter als persoon met zijn hele hebben en houden aanwezig is. Een stem die ook de toehoorder, de lezer, mij, ik, in al zijn vezels raakt, die hem verrukt, houvast geeft, pijn doet en troost, voedt en laaft, die hem doet leven. Inderdaad allerminst een diamant of een ronde kei, geen visselip die lispelt, geen ding. Zozeer als Kouwenaar zich als persoon uit zijn gedichten terugtrekt tot er alleen nog maar het timbre van zijn stem overblijft, zozeer dringt Nolens zich met zijn volle lichaamsgewicht het vers binnen, dat zijn stem nog bijna louter klinkt als de manifestatie van die aanwezigheid. Zijn gedichten zijn als brieven, ze spreken de lezer direct aan met ‘je’, of ze dragen titels als: Tien gedichten voor een vrouw; Tien gedichten voor een vriend; Brief, toevallig in versvorm geschreven; Exit, brief aan een dode, of gewoonweg Brief.

Uit: Over poëzie, Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

nolens, leonard, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Leonard Nolens (1947, Bree, België)

Verpale: Jaklien

Jaklien

In het huis alwaar ik woonde toen / hield ik de ramen goed gesloten / Geld had ik niet, en aldus van / het plezier verstoken / droomde ik ervan dat je bij me was.

Oud zonlicht viel door de ruiten / en wat op tafel stond / bleef onaangeroerd. / Alzo, dacht ik, wordt het verleden:

zonder veel omhaal / en met altijd warme kleren.

Uit: Polder en andere gedichten, Ertvelde, 1975

Eriek Verpale, Vlaams schrijver (1995)

bron foto: wikipedia.org

Eriek Verpale (1952-2015, Zelzate, België)

Gruwez: de geliefden

De geliefden

De geliefden houden dus hun kleren aan? / De geliefden houden hun kleren aan. / Omdat zij niet willen dat de wind? / Om te vermijden dat de wind, vooral

nu hun bedden hoger dan de wolken staan. / Zij wachten, handen in de nek, sigaret tussen / de lippen, lipstick misschien, op een liefde die van ver / moet komen – zo’n air van Shit, verloren geboren.

De bedden van de wereld in het dal stan allemaal / in lichterlaaie al. Laken smeult, plastic smelt, / rookpluim wenkt. Het is de lente, vriend, / het is de lente, de tijd van het verflensen.

Uit: De Nederlandse poëzie van de 20-ste en de 21-ste eeuw in 1000 en enige gedichten – Ilja leonard Pfeijffer, Prometheus Amsterdam, 2016

Luke_Gruwez, wikipedia.org

bron foto: wikipedia.org

Luuk Gruwez ( 1953, Kortrijk, België)

Gust Gils: de waarheid over het paard

Paard_van_Troye, wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

De waarheid over het paard

(vrij naar Homerus)

het befaamde paard van troje / was oorspronkelijk als koe bedoeld / tot die uier buiten verwachting moeilijk / in hout te realizeren bleek.

dus werd dat detail maar weggelaten / en het ding maar paard genoemd / omdat het daar eerlijk gesproken / in elk geval nog het meest op leek.

vandaar dus het paard van troje, alsook / de uitdrukking: een waarheid als een paard.

Gust Gils (1924-2002, Antwerpen, België)

Uit: Uniek onkruid, Manteau Antwerpen, 1982

Gruwez: estetika

estetika

het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water / waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt / en de rimpeling van vriendelijke huiver / die zij door haar stil bewegen weeft.

het sierlijkst is niet je lichaam, maar de spiegel / waar het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt / (en de rimpels toont als rimpelen in water) / en hoe een hand ontastbaar haast / verschuift over je huid, / en hoe een streling dan, / als een omhelding van zichzelf, / op jouw lichaam liggen gaat.

terwijl mijn blik die dat niet blijvend / vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd, / zoals wie ééns genodigd tot genot, / daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

Uit: de feestelijke verliezer, Manteau Antwerpen, 1985

wikipedia.org, gruwezbron foto: wikipedia.org

Luuk Gruwez (1953, Kortrijk, België)

Leonard Nolens huurt een woning van de taal

Leonard Nolens (1947, Bree, België) zei: ‘De dichter is maar een huurder in de woning van de taal.’ En dichtte:

Dit is het huis waarin ik leef, / Mijn enige thuis en niet van mij. / Het wordt bewoond door onbekenden, / Steeds geruisloos in de weer / Met transparante troffels, ramen, / Waterpassen, mannenlijk plezier / In breken en bouwen (ik zit / In het hoofd dat dit alles bedacht). / Uit hun gestorven handen schiet / Het lood dat mijn diepte berekent, / Mijn snijlijnen tekent, het web / Waarin ik mij verloren spreek.

In zijn dagboek noteerde hij ooit:

‘Geld rot wanneer het opgeslagen wordt in kluizen en niet geïnvesteerd. Geld moet rollen. Hetzelfde geldt voor woorden: ze ontlenen groei aan het feit dat ze door zoveel handen (en monden) zijn gegaan; bij elk gebruik blijft zowel aan geld als aan woorden iets hangen van de intelligentie en intentie van de gebruiker en van de onnaspeurlijk subtiele beweging van de transactie.’

nolens, leoanrd, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Patricia Lasoen: mijn tante

De kleurrijke victorie

Mijn tante heeft haar voordeur / in cyclamen-roze geverfd / en de mensen in de stille straat / wijzen haar met de vinger na / o – en zij draagt een schort / met tekeningen van Chagall – / en de slager op de hoek / en de bleke kruidenier / bekijken haar verwonderd / en verven hun deuren in / licht trukoois-blauw.

Droevige poging

Mijn tante heeft haar voordeur / in cyclamen-roze geverfd / en de mensen van de stille straat / wijzen haar met de vinger na / o – en zij draagt een schort / met tekeningen van Chagall – / en de slager op de hoek / en de bleke kruidenier / bekijken haar met licht misprijzen.

Uit: Landschap met roze hoed, Elsevier/ Manteau Amsterdam, Antwerpen, 1981

lasoen, artonivobron foto: artonivo.be

Patricia Lasoen (1948, Brugge, België)

Dirk van Bastelaere: zelfportret in vallend serviesgoed

Zelfportret in vallend serviesgoed

Ze diept blank aardewerk op / Uit het teiltje. Zo is ze begaan / Met de voortgang van orde / En reikte me een schaal toe: dat liefde / Als de onze van eenvoud kon worden.

Dan in een glimp op het wentelen, / Het gezicht waaruit ik mij ontspin: / Een Romeinse neus en gifzwarte ogen. / Voorts het plafond, beneden in licht, / Waarop zich zwarte vliegen bewegen.

Wanneer ik, ten slotte, het water / Dat zingt op de rotsen gelijk, / Tegen de vloer aan diggelen val, / Mag ik wel ooit zijn voortgebracht, / De vloer vermaakt wat ze kan.

Het is ongedaan weer. Zo is het goed.

Uit: Pornschlegel en andere gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

Dirk-van-Bastelaere, helderderbron foto: helderder.be

Dirk van Bastelaere (1960, Sint Niklaas, België)

Verhalen in de poëzie zijn als definities die gaandeweg uit de hand lopen. Het verhaal is er om de werkelijkheid in te dammen in personages met een identiteit, in een ruimte waarvan men weet wat boven en onder is, in gebeurtenissen waarvan de ontwikkeling geregeerd wordt door chronologie, logica, oorzaken en bedoelingen. Het gedicht laat ons die orde zien en haalt haar tegelijk onderuit: het personage verliest zijn identiteit in de reflecties, boven wordt onder.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Humor van Anna Bijns: prins

Prins

De kuise prinses heette zuster Kalle, / Zij was geboren tussen hier en Halle, / Acht mijlen van Antwerpen of daaromtrent. / Gij durft niet peijsen, dat ik me malle*1, / Zij veest niet somtijds bij ongevalle*2, / Maar zij had haar koeien tot vijsten gewend. / Zij vervulde met stank het hele konvent; / Haar poort ging niet dan open en toe*3. / Haars gelijke is niet tussen hier en Gent. / Gij meent dat ik lieg, maar dat ik niet doe. / Zij liet laatst een scheet gelijk een koe, / Het hele huis beefde, van onder tot boven; / Het luidde zo eiselijk, ik weet niet hoe, / Dat alle zustertjes de deuren uitstoven. / Zij riepen ‘Eilaas, het huis is gekloven*4.’ / Maar Kalleke verschoot niet van zulke mare, / Maar zij dacht, al zou het haar niemand beloven*5: / ’t Is beter geveesten, dan kwalijk gevaren.’

*1 = denk maar niet dat ik u voor de gek hou

*2 = per ongeluk

*3 = haar anus deed niets dan open- en dichtgaan

*4 = in tweeën gekliefd

*5 = geloven

Uit: Nieuwe refreinen van Anna Bijns, Jonckbloet en Van Helten Groningen, 1880

bijns, literatuurmuseum.nlEen karikatuur van Anna Bijns uit een geschrift uit haar tijd (tussen Middeleeuwen en Renaissance). bron: literatuurmuseum.nl

Anna Bijns (1493-1575, Antwerpen)