Leonard Nolens huurt een woning van de taal

Leonard Nolens (1947, Bree, België) zei: ‘De dichter is maar een huurder in de woning van de taal.’ En dichtte:

Dit is het huis waarin ik leef, / Mijn enige thuis en niet van mij. / Het wordt bewoond door onbekenden, / Steeds geruisloos in de weer / Met transparante troffels, ramen, / Waterpassen, mannenlijk plezier / In breken en bouwen (ik zit / In het hoofd dat dit alles bedacht). / Uit hun gestorven handen schiet / Het lood dat mijn diepte berekent, / Mijn snijlijnen tekent, het web / Waarin ik mij verloren spreek.

In zijn dagboek noteerde hij ooit:

‘Geld rot wanneer het opgeslagen wordt in kluizen en niet geïnvesteerd. Geld moet rollen. Hetzelfde geldt voor woorden: ze ontlenen groei aan het feit dat ze door zoveel handen (en monden) zijn gegaan; bij elk gebruik blijft zowel aan geld als aan woorden iets hangen van de intelligentie en intentie van de gebruiker en van de onnaspeurlijk subtiele beweging van de transactie.’

nolens, leoanrd, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Patricia Lasoen: mijn tante

De kleurrijke victorie

Mijn tante heeft haar voordeur / in cyclamen-roze geverfd / en de mensen in de stille straat / wijzen haar met de vinger na / o – en zij draagt een schort / met tekeningen van Chagall – / en de slager op de hoek / en de bleke kruidenier / bekijken haar verwonderd / en verven hun deuren in / licht trukoois-blauw.

Droevige poging

Mijn tante heeft haar voordeur / in cyclamen-roze geverfd / en de mensen van de stille straat / wijzen haar met de vinger na / o – en zij draagt een schort / met tekeningen van Chagall – / en de slager op de hoek / en de bleke kruidenier / bekijken haar met licht misprijzen.

Uit: Landschap met roze hoed, Elsevier/ Manteau Amsterdam, Antwerpen, 1981

lasoen, artonivobron foto: artonivo.be

Patricia Lasoen (1948, Brugge, België)

Dirk van Bastelaere: zelfportret in vallend serviesgoed

Zelfportret in vallend serviesgoed

Ze diept blank aardewerk op / Uit het teiltje. Zo is ze begaan / Met de voortgang van orde / En reikte me een schaal toe: dat liefde / Als de onze van eenvoud kon worden.

Dan in een glimp op het wentelen, / Het gezicht waaruit ik mij ontspin: / Een Romeinse neus en gifzwarte ogen. / Voorts het plafond, beneden in licht, / Waarop zich zwarte vliegen bewegen.

Wanneer ik, ten slotte, het water / Dat zingt op de rotsen gelijk, / Tegen de vloer aan diggelen val, / Mag ik wel ooit zijn voortgebracht, / De vloer vermaakt wat ze kan.

Het is ongedaan weer. Zo is het goed.

Uit: Pornschlegel en andere gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

Dirk-van-Bastelaere, helderderbron foto: helderder.be

Dirk van Bastelaere (1960, Sint Niklaas, België)

Verhalen in de poëzie zijn als definities die gaandeweg uit de hand lopen. Het verhaal is er om de werkelijkheid in te dammen in personages met een identiteit, in een ruimte waarvan men weet wat boven en onder is, in gebeurtenissen waarvan de ontwikkeling geregeerd wordt door chronologie, logica, oorzaken en bedoelingen. Het gedicht laat ons die orde zien en haalt haar tegelijk onderuit: het personage verliest zijn identiteit in de reflecties, boven wordt onder.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Humor van Anna Bijns: prins

Prins

De kuise prinses heette zuster Kalle, / Zij was geboren tussen hier en Halle, / Acht mijlen van Antwerpen of daaromtrent. / Gij durft niet peijsen, dat ik me malle*1, / Zij veest niet somtijds bij ongevalle*2, / Maar zij had haar koeien tot vijsten gewend. / Zij vervulde met stank het hele konvent; / Haar poort ging niet dan open en toe*3. / Haars gelijke is niet tussen hier en Gent. / Gij meent dat ik lieg, maar dat ik niet doe. / Zij liet laatst een scheet gelijk een koe, / Het hele huis beefde, van onder tot boven; / Het luidde zo eiselijk, ik weet niet hoe, / Dat alle zustertjes de deuren uitstoven. / Zij riepen ‘Eilaas, het huis is gekloven*4.’ / Maar Kalleke verschoot niet van zulke mare, / Maar zij dacht, al zou het haar niemand beloven*5: / ’t Is beter geveesten, dan kwalijk gevaren.’

*1 = denk maar niet dat ik u voor de gek hou

*2 = per ongeluk

*3 = haar anus deed niets dan open- en dichtgaan

*4 = in tweeën gekliefd

*5 = geloven

Uit: Nieuwe refreinen van Anna Bijns, Jonckbloet en Van Helten Groningen, 1880

bijns, literatuurmuseum.nlEen karikatuur van Anna Bijns uit een geschrift uit haar tijd (tussen Middeleeuwen en Renaissance). bron: literatuurmuseum.nl

Anna Bijns (1493-1575, Antwerpen)

Luuk Gruwez: Estetika

Estetika

het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water / waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt / en de rimpeling van vriendelijke huiver / die zij door haar stil bewegen weeft.

het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel / waar het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt / (en rimpels toont als rimpelen in water) / en hoe een hand ontastbaar haast / verschuift over je huid, / en hoe een streling dan, / als een omhelzing van zichzelf, / op jouw lichaam liggen gaat.

terwijl mijn blik die dat niet blijvend / vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd, / zoals wie ééns genodigd tot genot, / daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

gruwez, uitinvlaanderen.bebron foto: uitinvlaanderen.be

Luuk Gruwez (1953, Belgisch)

Uit: De feestelijke verliezer, Manteau Antwerpen, 1985

Herman de Coninck: je truitjes en je witte en rode…

Je truitjes

Je truitjes en je witte en rode / sjaals en je kousen en je slipjes / (met liefde gemaakt, zei de reclame) / en je brassières (er steekt poëzie in / die dingen, vooral als jij ze draagt) – / ze slingeren rond in dit gedicht / als op je kamer.

Kom er maar in lezer, maak het je / gemakkelijk, struikel niet over de / zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, / gaat u zitten.

(Intussen zoenen wij even in deze / zin tussen haakjes, zo ziet de lezer / ons niet.) Hoe vindt u het / dit is een raam om naar de werkelijkheid / te kijken, alles wat u daar ziet / bestaat. Is het niet helemaal / als in een gedicht?

Uit: Onbegonnen werk, Gedichten 1964-1982, Manteau Antwerpen, 1984

de coninck, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Herman de Coninck (1944-1997, Belgisch)

Roger M.J. de Neef: rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde. / Ook al sluiten zij de ogen, / Zij openen het land als verse lakens / En rusten nooit.

Rivieren, zij verwijderen zich van hun oorsprong, / Keren nooit terug en blijven aan zich zelve gelijk. / Meerdere malen leggen zij het oor te luisteren en / Horen hoe de vissen hun bolle buiken / Berijden en bereizen.

Rivieren vieren weleens feest of praten met de lucht. / Zij rapen de winden op en winden zich op / Zij vermenigvuldigen het voedsel / En in hun lenden landen de zo levendige steden.

Rivieren zijn minnaars, / Met hun laatste monden / Werpen zij zich in zee.

Uit: De vertelkunst van de bloemen, Manteau Antwerpen, 1985

De-Neef, schrijversgewijs.bebron foto: schrijversbewijs.be

Roger M.J. de Neef (1941, Belgisch)

Cyriel ‘Tarzan’ Delannoit nam de handschoen op voor kortstondige roem

delannoit, bruzz.be

bron foto: bruzz.be

Cyriel ‘Tarzan’ Delannoit (1926-1998) was een legendarische Belgische bokser uit het Oost-Vlaamse Geraardsbergen. Een leven vol heroïek maar eveneens vol dramatische wendingen.

Delannoit, een volksjongen uit Geraardsbergen, wordt in 1926 geboren. Op 21-jarige leeftijd behaalt hij de Belgische titel bij de middengewichten. Het begin van een grote carrière.

De ultieme triomf beleeft Delannoit op 23 mei 1948 tegen de toekomstige wereldkampioen Marcel Cerdan in een gevecht om de Europese titel in het middengewicht. Juist, Marcel Cerdan, de minnaar van Edith Piaf. Gedurende enkele maanden mag Delannoit zich Europees kampioen noemen. Tot hij op 10 juli de revanche verliest in het Sportpaleis te Brussel. In november 1948 verovert hij opnieuw de vacante titel die hij in 1949 dan definitief verliest aan de Italiaan Tiberio Mitri.

Van ’47 tot ’49 mag hij zich kampioen van België noemen. Maar hij is pas 25 jaar als het afgelopen is. Leeggebokst. Mentaal uitgeblust.

Delannoits leven is een aaneenschakeling van hoogtes en dieptes. Zo brandde in 1993 het huis af. Alle soevenirs die de man vergaarde gingen in vlammen op. Detail: Delannoit was niet verzekerd.

“Als ik mijn leven kon overdoen?”, liet hij ooit eens ontvallen. “Dan werd ik wereldkampioen.”

delannoit, radio2.be

bron foto: radio2.be

Richard Minne: verweer tegen de winter

Verweer tegen de winter

Gij land van sneeuw en snerpend ijs, / wat heb ik van u te verwachten? / Boven het bos begint de reis / der witte maan door al de nachten / en ’t is alsof de stilte kraakt. / In uwen grond, onder de zoden, / liggen huivrend mijn goede doden, / terwijl mijn zieke ziele haakt / aan iedren droom, o, Abissag! / gij die daar rust onder de tente, / in ’t roze gloren van de dag. / Waarom, gij land van snerpend ijs, / brengt gij uw zoon zo van de wijs / en zucht ik altijd naar de Lente?

Richard Minne_flandersliterature.bebron foto: flandersliterature.be

Richard Minne (1891-1965, Belgisch-Vlaams)

Uit: Wolfijzers en schietgeweren, Manteau Brussel, 1942