Daniël Billiet: het gerucht

Het gerucht

ik weet niet hoe of dit komt / maar overal hoor ik het sterven

ik hoor hoe het behang vergeelt / hoe rimpels groeien op moeders gezicht

en hoe de warmte steeds langer en / droever gaat slapen in jouw blik

nog leg ik mijn oren te luisteren / en hoor het bos sterven in de bomen

op elk blad staat geschreven hoe / het groen sterft in het bruin

steeds verder spits ik de oren / maar van geboorte hoor ik slechts het sterven

ik weet niet hoe of dit alles komt / maar dit bekomt me niet zo best

want als elk geluid uitsterft / hoor ik het sterven van eigen oren

daniel billiet, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Daniël Billiet (1950, Vlaams-Belgisch)

Uit: Het is hopeloos, maar voor de rest gaat alles goed, Orion-Colibrant Brugge, 1978

Eriek Verpale: elfde en laatste co-gedicht

Elde en laatste co-gedicht

Eéns ’s zondags ingeslapen op de sofa / droomde ik dat je bij me was: / twee paar voeten, vechtend om een plaats; / twee dunne armen om mijn mager lichaam geslagen.

‘Geef me je haar’ zei ik, en ik koesterde / het donker geluk dat ik aarzelend betastte; / ‘Geef me je stem’ smeekte ik, en ik sprak / zoals ik nooit tevoren gesproken had: / warme woorden ontruimden mijn mond.

Ook jouw gehoor kon ik krijgen, / de doorzichtige huid aan de blauwe slapen – / álles, kortom.

Zo lagen wij lang tesamen, en, / niet wetend wie wié was / stelde ik mij voor: zo was het leven:

ik wou je wel ruiken / maar rook toch uitsluitend mezelf; / je kon me wel strelen / maar streelde, ondoordacht, / toch steeds een ander.

eriek verpale, theatermagazien.bebron foto: theatermaggezien.net

Eriek Verpale (1952 – 2015, Belgisch)

Uit: Nieuw Vlaams Tijdschrift, jaargang 35, nummer 3; Antwerpen, 1982

Luuk Gruwez: samenhorig

Samenhorig

er moet een wereld van verloren dingen zijn / waarin een handschoen, inderhaast vergeten, / het aanlegt met een oude krant, / een sjaal, een zakdoek of een kam.

de handschoen mist de hand niet meer, / de zakdoek hoeft geen jammernis, / en zelfs de sjaal taalt niet meer naar warmte / van kindermeiden en van moeders.

– al wat verloren is, is samenhorig. / maar tederheid die overbodig werd, / het kippenvel dat blijven wou, / de eerste natte droom, het domste lief,

het speelgoed van een kind dat stierf. / en doen alsof men alles kan vergeten, / ofschoon men, plompverloren als een mens, / alleen in het heelal moet zijn.

Uit: Dikke mensen. Gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

OLYMPUS DIGITAL CAMERAfoto: Wouter van Heiningen; bron foto: robscholtemuseum.nl

Luuk Gruwez (1953, Vlaams-Belgisch)

Jotie T’Hooft: chanson

Chanson

Gerafelde popdeun, stukgezongen blues / & versteende jazz of geroeste rock / en mijn eeuwenoude lied:

nooit iemand te hebben ontzien, / nooit troost te hebben geboden / dan om eigen bestwil, nooit of / nooit een gemeend gebed of offer.

Als een ziekte, onverhoeds en onnaspeurbaar. / Als hitte die in alle hoeken woedde / en waarvoor geen schuilplaats bestaat / was mijn leven dat ik zag opbranden,

een toeschouwer, niet bij machte / de verschrikkelijke zaal te verlaten.

t hooft jotie bron- bruzz.bebron foto: bruzz.be

Jotie T’Hooft (1956 – 1977, Belgisch-Vlaams)

Uit: Verzamelde gedichten, Elsevier Manteau Antwerpen, 1981

Johan Joos: opinie

Opinie

alles kunnen ze staven / maar ik rijd op een vleeshaak / kauw klaver en mompel / ‘Bewonder de lucide boreling / die zich met diatonische zang / ijlings aan de navelstreng verhangt’

vergeef mij, Spinoza en Heidegger / maar ik hoor liever proza / van een wauwelende kasseilegger

johanjoos, geertvandamme.blogspot.combron foto: geertvandamme.blogspot.com

Johan Joos (1957)

Uit: Stil de graine jaune, Bert Bakker Amsterdam, 1989

Dirk van Bastelaere: mijn andere tijger

Mijn andere tijger

Bij tijden raakt men in die mate verondersteld / dat vlam vat / wie zich in het echt begeeft.

Sommigen halen even diep adem. / Velouria gaat vast liggen / en zweet. / Op het linoleum / gaat de jongen die ons in zich aankijkt / tekeer als een leguanenstaart.

Vroeger dronk men maanzaadstroop / bij het ingaan / van een lastige nacht. Aan een tijger verhangen / reist nu Velouria naar haar andere tijger.

Al stond vooraf / haar bedenkelijk nylonbeen / tegen mij aan te wrijven / als tegen haar vlam.

Van-Bastelaerefoto: Wouter Van Vooren; bron foto: schrijversgewijs.be

Dirk van Bastelare (1960, Belgisch-Vlaams)

Uit: Dietsche Warande & Belfort, jaargang nr. 3 Leuven, 1992

Middellandse Zee: Kazantzakis graf

DCIM100GOPROG0013928.

bron foto: cretanbeaches.com

Kazantzakis graf

In de geur van de bergen / in de geur van de schaduw / waait de wind over het gras, / de rode rozen, de witte hibiscus.

En laurier voor de overlevenden / en myrte voor de mooie kleine meisjes.

Hier zwijgt de stem van Griekenland niet: / Ik hoop niets / ik vrees niets, ik ben vrij.

Dirk Christiaens (1942, Belgisch-Vlaams)

Uit: 3-Handig, H Antwerpen, 1986

Hugo Claus dicht zijn broer’s dood

Broer

‘Het is hard,’ zei hij, ‘godverdomme hard. / En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.’

Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder, / het woord valt, einder, eindig. / Dan geen woord meer van hem.

In zijn slokdarm de plastic slang. / Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.

Nog beweging in de rechterhand / die de linker draagt als een vette lelie. / De hand steekt zijn duim omhoog. / Hij blijft seinen tot in zijn laatste verval.

Hij heeft wit kindervel gekregen. / Hij knijpt in mijn angstige hand.

Ik zoek naar een gelijkenis, de onze, / de onrust van haar, / het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd), / beider wantrouwen en goedgelovigheid / en ik beland in ons eerste verleden, / dat van een wereld als een weide met kikkers, / als een sloot met paling / en later weddenschappen, tafeltennis, / huishoudelijke wetten, de 52 kaarten, / de drie dobbelstenen / en aldoor de tomeloze honger. / (Ik word oud in plaats van jou. / Ik eet fazant en ruik het bos) / Nu is zijn behuizing afgemeten. / De machine ademt voor hem. / Slijm wordt weggezogen. / Een ratel uit zijn middenrif, / en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.

Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden. / Het lijf nog onverminderend / en dan plots in zijn gezicht dat dood was / een frons en een kramp / en dan een gesperde, woeste blik, / ondraaglijk helder, de woede en schrik / van een tiran. Wat ziet hij? Mij, een man / die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen? / Dan is het morgen en maakt men de riemen los. / En hij dan voorgoed

hugo claus, youtube

bron foto: youtube; Still uit Hugo Claus leest Jan de Lichte

Hugo Claus (1929 – 2008, Belgisch)

Uit: Gedichten 1948 – 1993, Bezige Bij Amsterdam, 1994

Middellandse Zee: Venetië 6

venetie_vakantieveilingen

bron foto: vakantieveilingen.nl

Venetië 6

Je ogen doven de zee. / Je ogen zijn dover dan de lagune. / Je kan niet verbleken, je bent al zo bleek / alsof je je niet enig gevoel herinneren kon.

Ik hield al van je toen we niet bestonden, / toen de republiek Venetië geld maar geen verleden / had. Ik hou van je / nu de stad verleden is / en wij alleen maar heden.

Freddy de Vree (1939 – 2004, Belgisch)

Uit: Steden en sentimenten, Bezige Bij Amsterdam, 1976

Bernlef herinnert zich (L.P.) Boon(tje)

‘Jazz, ziel van onzen kapotten tijd, van onze vertwijfeling en woede en wanhoop en misplaatste liefde voor allen die wij veel beter zouden kraken; van onzen tijd waarin wij, ieder voor zichzelf, ons niet thuis voelen, maar waarin  het geen ander geslacht dan het onze misschien zou kunnen uithouden, o armstrong met uw trompet.’

Aan het woord is Louis Paul Boon, vlaams schrijver. Deze woorden maakten diepe indruk op de jonge Bernlef, schrijver uit Nederland en fervent jazz-liefhebber.

Jazz, ziel van onzen kapotten tijd’. Dat was balsem op de ziel van de puber en de jazz-liefhebber. Wij vervingen Armstrong door Charley Parker. Maar ook wij voelden ons niet thuis. Thuis niet en op school niet.

We hokten bij elkaar in een keldertje in Amsterdam West waar je na een paar uur geen lucifer meer aan het branden kreeg. Ach, het is allemaal al eerder vertoond. En het gaat steeds maar door; met nieuwe muziek, met andere boeken. F. die een fles jenever uit zijn poten laat vallen. Br. die met zijn onnavolgbare matte tenor de gedenkwaardige woorden tot zijn moeder spreekt: “ik heb schijt aan de buren ma” en het volume van de versterker nog wat verder opendraait. En Boon.

Eindelijk een schrijver die net zo wild en bandeloos schreef als de muziek waar wij van hielden.

De Kapellekensbaan. Jezus Christus, wat een boek. Ik heb het net weer eens herlezen en het heeft niets van zijn aroma verloren, zoals zoveel andere boeken uit die tijd. Het was een boek dat je overal met je mee sleepte. Alle verloren gaatjes en hoekjes van je schoolbestaan kon je ermee opvullen.

(..)

Dat je zo een boek kon schrijven, gewoon maar opschrijven wat er in je kop opkwam. Het gevoel van bevrijding dat dat boek mij gaf. Dat je kon doen wat je wou. Dat literatuur heel iets anders was dan al die in elkaar geknutselde psychologisch verantwoorde romans die je tot dan had gelezen.

1955: Wat een weelde! Menuet. Wapenbroeders en Boontjes Reservaat 2 en 3, allemaal in hetzelfde jaar. Ik stelde me Boon voor als een volkomen losgebroken penner, dag en nacht schrijvend. Jaren later hoorde ik hoe de vork in de steel zat; dat het allemaal al geschreven klaar lag bij Boon thuis, wachtend op een uitgever.

In Reservaat 3 stond een stuk dat mij antwoord gaf op iets wat ik mijzelf wel eens had afgevraagd: waar haalt hij dat allemaal vandaan. Is er maar één man die zo schrijft, of zijn er nog anderen net als hij. Dat stukje heette ‘Over Moderne Romankunst’. Het ging over Joyce, over Miller, over Genet. Geen boekbesprekingen, maar gloedvolle betogen: dit moet je lezen en dat. Gooi alles in de vuilnisbak. Leg het boek weg waar je aan bezig bent: lees Miller, lees Genet, lees Joyce.

1958: Zweden. Daar begon ik met mijn eerste probeersels, verhaaltjes over mensen die ik daar ontmoette en waarvan er een aantal tenslotte terechtkwam in Stenen spoelen. De vorm van het boekje had ik via-via aan Boon te danken. Door hem wist ik wie Miller was en door Miller, ik geloof in Sexus, wie Sherwood Anderson was en zijn prachtige boekje, Winesburg, Ohio; korte verhalen waarin terugkomende personages het bindend element vormen, net als in die verhaaltjes van mij.

 

J.Bernlef, rechts (1937 – 2012) en Louis Paul Boon (1912 – 1979, Vlaams-Belgisch)

Uit: Maatstaf 11, maart 1972, Bert Bakker Amsterdam