Tom Lanoye: MAXIMAAL

Maximaal

Geen reden geen verhaal, waarvoor / ik naar de bron van spreken boor, / dan om in het koeweit van mijn taal, / finaal! totaal! banaal!

te delven naar de spankracht / van je lijf, zoals dat nacht na nacht / anaal! radicaal! helemaal! / verbeelding tart, en moeheid van metaal

naast zich legt in mijn persoon, / en dan daarna, gewoon! ten toon! / unknown!, de ogen sluit als armen / en besluit mij slapend te verwarmen

Geen reden geen verhaal, dan om jou / te besluipen te bezingen. Opdat je zou / blijven, en opdat je blijven zou. Doordat / er iemand van jou schrijven zou:

‘Mijn maxi-, maxi-, mijn gemaal. / Mijn mannenmaat, mijn prins der / dingen. Mijn hartslag uit die tijd

toen mensen dieren / met hun handen vingen.’

tom lanoye, twitter

bron foto: twitter-account TL

Tom Lanoye (1958, Belgisch)

Uit: Hanestaart, Prometheus Amsterdam, 1989

Herman de Coninck: verjaardagsvers

25 september 1971: Op een zaterdagavond, reden Herman De Coninck en zijn vrouw An Somers naar Mechelen (België). zoon Tomas zat op de schoot van zijn moeder. Ze zouden de baby bij hun ouders afzetten en naar een concert gaan. Het was schemerdonker. Op hun rijvak verscheen een tegenligger. De koplampen aan. De auto kwam recht op hen ingereden. Moeder en kind werden uit de auto geslingerd. Ze werden met een ziekenwagen naar het Onze-Lieve-Vrouwgasthuis in Mechelen gebracht. Herman, die slechts lichte verwondingen had, bleef ter plaatse achter. Tomas overleefde het ongeval, maar An zou later die avond overlijden. Herman was daar niet bij.

ansomers

bron foto An Somers: http://www.mechelenblogt.be

Verjaardagsvers

Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen. / Of je van mij hield. En je zoende. / Of het veilig was die eerste keer. / En je zoende weer. / En even later of ik het goed deed zo, / en je zoende, o.

Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen. / Je ogen die helemaal alleen / in je gezicht achterbleven als ik je verliet; / je ogen na geween: / je was er niet, / je keek me aan als verten / en ik moest erheen.

En als ik weer tot daar was / de ogen waarmee je het woord ‘lieveling’ zei, / keek of het niet veranderde / op weg naar mij. / En toen je naast de weg lag in de wei, / wat had je niet allemaal gebroken, / je benen, je ribben, je ogen, mij. / Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen, / zoals je daar lag, te zieltogen, / te zieltogen.

En je ogen die je zoon nu in heeft staan, waarmee hij zegt: niet weggaan – / je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.

Herman de Coninck (1944 – 1997)

Uit: De gedichten deel 1, Arbeiderspers Amsterdam, 1998 

Middellandse Zee: Port-Cros

port-cros

bron foto: mandaley.fr

Port-Cros

Als nergens bestaat, moet het hier zijn. / Zee heeft in het niets een puimsteenhoop / gevonden om in en uit te kunnen, een v, / een haventje. Scheepjes poseren bij hoog en bij laag.

Twintig huizen proberen hoe ver rondom / kan gaan. Twintig daken proberen / het woord ‘onder’. Zee ‘zonder’. / Zo onthoudt ook een prentbriefkaart ons / zonder ons: een rode oleander waarachter,

Haven. Avond. Een gitaar speelt / in het enige café een halfuur lang / drie blues-akkoorden. / Zo hangt melancholie over de wereld / omdat die eigenlijk veel te mooi is. / Zo delen telefoondraden overal / afstand uit. Zo is er altijd / veel meer ginder dan hier.

Herman de Coninck (1944 – 1997), Belgisch-Vlaams

Uit: De Gedichten 1, Arbeiderspers Amsterdam, 1998

Generaties: grootmoeder

Antwerpen

Ik was dertien / toen ik dit droomde, / in het begin van de herfst, / bij mijn grootmoeder in Aleksandrovo.

Ik bevond mij in een onbekende straat. / De huizen stonden zij aan zij, / als om zich aan elkaar te warmen. / De daken staken in de hoogte / als hoeden van middeleeuwse dames. / De mat-gekleurde vensterruiten, / gevat in loden raampjes, trilden. / In de lage grijze nevels smolt / de suikeren toren van een kathedraal. / Het gelui der klokken vulde, mèt de regen, / de smalle straten en pleintjes. / Mannen met gezichten als van Albrecht Dürer / liepen voorbij; hun baarden hielden / de druppels vast als struikgewas. / Boven bloemen en groenten en vogels / schreeuwden handelaars met rode wangen / rauwe tweeklanken en schurende g’s. / Toen kwam ik bij een kerkhof. / Tussen de stenen engelen las ik / op één van de verweerde zerken / mijn eigen naam.

Zo ver van ons huis in Aleksandrovo.

Toen was ik voor het eerst in Antwerpen.

Maja Panajotova (foto Bert Bevers)

(foto: Bert Bevers)

Maja Panajotova (1951), Bulgaars

Uit: Verzwegen alibi, 1983

Middellandse Zee: on y danse tout en rond

Village_d'Oingt

Village d’Oingt aan de Rhône in het Beaujolais-wijngebied

On y danse tout en rond

Een brug gaat over de stroom / en laat plots in het midden / wat ze beloofd had ons te geven: / oever, thuiskomst, overkant / waarin dit land, je / andere kant,

ons zou besparen voor de / toekomst van je dromen – / dat ik je niet bereiken kan, / witte toren, zwarte wijngaard, / madonna van de Rhône.

Nacht waarin dichters duikers worden, / zwemvliezen tussen vingers / die de pen ontvalt,

woorden die keren in het tij, / tegenstroom onder een gebroken brug / die me herinnert aan de welving / van je rug.

Stefan Hertmans (1951), Belgisch

Uit: Francesco’s paradox, Meulenhoff Amsterdam, 1995

Louis Paul Boon herinnert zich de oorlog als kind

Het is zondagmorgen. In de zondagmorgen is er iets dat ik niet zeggen kan: waarom is er niet mėėr zondagmorgen? Daar komt weer een lange sliert mannen met hun petten en hun knapzak. Hier en daar loopt er een soldaat naast, met een geweer tegen de schouder. Ik kijk ernaar, zoals ik naar het snuistergoed van Valentine kijk: naar iets dat in de zondagmorgen gebeurt. Ik kijk ook naar een man die plots wegloopt; hij komt naar mij toegelopen. Ik peins dat er iets is, ik begin ook te lopen. De soldaat zet zich op de knie en richt zijn geweer naar ons. De man valt naast mij neer. Is het een heel klein wolkje stof dat uit zijn rug komt? Hij ligt daar. De bijgang is seffens vol bloed. Heeft Hortence de Vijl mij in haar huis binnengetrokken? Ik sta naast Hortence de Vijl en kijk vanachter het mandje sprot naar de straat. De sprot ruikt heerlijk. Een vrouw komt met emmers water de bijgang schuren.

lp boonLouis Paul Boon (1912 – 1979), Belgisch

Uit: Memoires van een kleine jongen; uit: Reservaat – Louis Paul Boon, Arbeiderspers Amsterdam, 1954

Middellandse Zee: le mistral

wind wasgoed

(foto gevonden op startpagina)

Le mistral

welke naam de wind ook heeft / hij is mannelijk in alle talen / of liever jongensachtig / overal blaast hij jurken bol / rukt hij aan wasgoed / en slaat verwoed en wispelturig / de bladen om van boeken / en van kranten

waar het niet waait / vallen geen bladeren / en maakt niemand bewegingen / zoals jij nu met je hand / door je haar zo sierlijk / en vergeefs

Miriam van Hee (1952), Belgisch

Uit: Achter de bergen, Bezige Bij Amsterdam, 1996