Flaubert mijmert over monumenten wandelend door Saint-Malo

Frans schrijver Gustave Flaubert trekt in 1847 drie maanden langs de Loire en door Bretagne. Dat doet hij met zijn vriend Maxime du Camp. De twee wandelen en gebruiken de koets als vervoermiddel. Flaubert zet zijn indrukken op papier. Die werden gepubliceerd in 1885. In het volgende stuk mijmert Flaubert al wandelend over de wallen van Saint-Malo over de waarde van monumenten.

De tocht rond de stad over de wallen is een van de mooist denkbare. Je komt niemand tegen. Je gaat in de schietgaten van de kanonnen zitten, met je voeten boven de afgrond. Voor je zie je de monding van de Rance die als een vallei uitstroomt tussen twee groene heuvels door en voorts de kustlijn, de rotsen, de eilanden en de zee alom. Achter je ijsbeert de schildwacht die zijn regelmatige stappen op de tegels doet weerklinken.

Op een avond bleven we daar lang zitten. De nacht was zoel, een mooie zomernacht, maanloos maar flonkerend van hemelvuur en geurend naar zeewind. De stad sliep; een voor een doofden de lichten achter de ramen, de ver verwijderde vuurtorens schitterden als rode vlekken in het duister dat boven onze hoofden blauw was en op duizenden plaatsen doorboord door pinkelende en stralende sterren. Je kon de zee niet zien, je hoorde haar, je rook haar en de golven die tegen de stadswallen opzweepten bespatten ons met druppels van hun schuim door de grote gaten van de machicoulis.

Op een pleintje tussen de stadshuizen en de muur staan, in een onbegroeide gracht, rijen van stapels stenen kogels.

Van daaraf kun je op de tweede verdieping van een huis lezen: ‘Hier is Chateaubriand geboren.’

Wat verderop stuit de muur tegen de buik van een dikke toren: dat is de Grommelaarster; net als haar zuster, de Generaalse, is ze breed en hoog, buikig, indrukwekkend, in het midden opgezwollen als een hyperbool, maar nog altijd in goede staat. Waar ze nog steeds ongeschonden zijn en als nieuw, zouden ze ongetwijfeld veel meer waard zijn als ze de stenen van hun kantelen in zee strooiden en als op hun koppen het donkere gebladerte dat zich aan ruïnes zo hecht, huiverde in de wind. Immers, worden monumenten, net als mensen en hartstochten, niet groter door de herinnering? Voltooien ze zich niet pas door de dood?

uit; langs velden en oevers, een wandeling langs de Loire en door Bretagne, Veen, Utrecht, 1987; vertaling Ernst van Altena

Gustave_Flaubert; libertas.cobron beeld: libertas.co

Gustave Flaubert (1821-1880, Rouen, Fr)

Flaubert over de simpele Bretonse kerk

IMG_4365IMG_4373

De kerk is armoedig en van een weergaloze naaktheid. Geen mooie, met schelle kleuren beschilderde heiligen, geen schilderijen aan de muren en evenmin een aan de zoldering opgehangen lamp, slingerend aan zijn lange rechte koord. In een hoek van het koor brandt op de grond een pitje in een met olie gevuld glas. Ronde pilaren dragen het houten gewelf waarvan de blauwe kleur verschoten is. Door de vensters met blank glas-in-lood valt het volle daglicht van de velden, vergroend door het afhangend gebladerte dat het dak van de kerk bedekt. De deur (een houten deurtje dat met een klink gesloten wordt) stond open; een zwerm vogels was binnengevlogen, fladderend, kwetterend, tegen de wanden aan hangend; ze wentelden rond onder het gewelf, gingen spelen rond het altaar. Twee of drie wierpen zich op het wijwatervat, doopten hun snavels erin en toen waren ze opeens allemaal weer vertrokken zoals ze gekomen waren. Het is niet zeldzaam in Bretagne zo de kerken te zien; er zijn er nogal wat die er wonen en hun nest gebouwd hebben tegen de stenen van het schip; ze laten ze er met rust. Als het regent komen ze aangesneld; maar zodra de zon weer door de ramen schijnt en de dakgoten leeg druppelen, gaan ze terug naar de velden. Zoals tijdens een onweer vaak twee kwetsbare schepselen tegelijk het Godshuis binnengaan: de mens om er te bidden en er te schuilen voor zijn angsten, de vogel om er te wachten tot de regen voorbij is en om er de ontluikende veertjes van zijn verkleumde kleintjes te warmen.

Uit: Langs velden en oevers, een wandeling langs de Loire en door Bretagne, Veen uitgevers Utrecht, 1987; vertaling Ernst van Altena

Gustave Flaubert (1821-1880, Rouen, Fr)

IMG_4367IMG_4370