De verbeeldingskracht van Tim Walker

tim_walker_wonderful_thingstim_walker_wonderful_things2tim_walker_wonderful_things3tim_walker_wonderful_things4tim_walker_wonderful_things5tim_walker_wonderful_things6tim_walker_wonderful_things7tim_walker_wonderful_things8Tim Walker (1970, UK) is fotograaf die beroemd werd met zijn uitzonderlijke en eigenzinnige modefotografie. Kleur en compositie spelen daarin een hoofdrol. Walker maakt ook vrij werk naast de vele opdrachten die hij krijgt uit de modewereld. Dat vrije werk kenmerkt zich door fantasie, betovering en verbeeldingskracht. De Britse fotograaf houdt ervan zijn foto’s te ensceneren. Onlangs mocht hij zich laten inspireren door de collectie die te vinden is in het Londense Victoria and Albert Museum. Resultaten daarvan verzamelde hij in de series Wonderful Things. Daarvan hierbij een aantal voorbeelden en een korte video.

Veranderde het Britse strandleven in 60 jaar tijd?

Zestig jaar Brits strandleven is niet alleen van zwart-wit naar kleur gaan. Britten gaan naar het strand en laten dat niet afhangen van het weer. Het is de plek waar alle sociale klassen elk hun eigen gebied opeisen. En hoe iedere klasse dat op haar eigen manier doet. Het is de plek waar je je op de hoogte kunt stellen van hoe het er economisch en sociaal voor staat. Het is de plek waar je alle leeftijden tegenkomt, ieder doende met zijn eigen plezier. En het is de plek waar je ontwikkelingen kunt waarnemen. Hoe Britten hun vrije tijd op het strand doorbrachten 60 jaar geleden en hoe ze dat tegenwoordig doen.

Fotografen David Hurn, Tony Ray Jones, Simon Roberts en Martin Parr werden geraakt door het onderwerp dat van alle tijden is. Zij tonen ieder op zich, wat daarbij opviel en hoe ze dat in momenten vastlegden.

bron: museumcrush.org

HUD2004027W005219-17HUD1963010W00088-14

foto’s David Hurn

brits strand; Tony-Ray-Jonesbrits strand; Tony-Ray-Jones2

foto’s Tony Ray Jones

PierdomPierdom

foto’s Simon Roberts

PAM2005037Z00009-06APAM1985002Z00040-06

foto’s Martin Parr

Bijna iedere dag muziek: Led Zeppelin

https://youtu.be/e5O4073zCKA

De laatste jaren heb ik ontdekt dat mijn muzikale dieet wat arm was aan koolhydraten, en dat de rockriff qua voedingswaarde onontbeerlijk is – vooral in de auto of als ik op reis ben om een boek te promoten, wanneer je iets makkelijks en goedkoops nodig hebt om je een lange dag door te helpen.

Van Nirvana, The Bends en The Chemical Brothers kreeg ik weer trek, maar alleen Led Zeppelin kon mijn honger stillen; als ik ooit een blues-metalriff moest neuriën voor een verbijsterd buitenaards wezen, zou ik zelfs Zeppelins Heartbreaker kiezen, van Led Zeppelin II. Ik weet niet goed of het erg verhelderend voor hem zou zijn als ik: DANG DANG DANG DANG DA DA DANG, DA DA DA DA DA DANG DANG DA DA DANG zou zingen, maar ik zou het gevoel hebben dat ik me naar beste kunnen van mijn taak zou hebben gekweten. Zelfs als je het zo op papier ziet (zij het met behulp van hoofdletters), vind ik dat het fantastische, waanzinnig keiharde volume van het nummer effectief en eenduidig wordt overgebracht. Lees het nog maar eens. Zie je wel? Het rockt.

Wat ik het leukste vind aan mijn herontdekking van Led Zeppelin – en het luisteren naar The Chemical Brothers en The Bends – is dat ik ze niet zo gemakkelijk meer kan inpassen in mijn leven. Zoveel van wat je consumeert als je ouder wordt heeft te maken met inpassen: ik heb kinderen en buren, en een partner die het helemaal niet erg zou vinden om haar leven lang nooit meer een blues-metalriif of block rockinbeat te horen. Ik heb minder tijd, sta minder tolerant tegenover flauwekul, heb meer belangstelling voor goede smaak en meer vertrouwen in mijn eigen oordeel. De cultuur waarmee ik me omring is een reflectie van mijn persoonlijkheid en mijn levensomstandigheden, wat gedeeltelijk is zoals het hoort te zijn. Terwijl je dat leert, gaan er echter ook dingen verloren, en een van die dingen die verloren zijn gegaan – samen met een voorliefde voor, ik noem maar wat, ziekenhuisseries met zieke kinderen en experimentele films – is Jimmy Page. Het kabaal dat hij maakt past niet meer bij wie ik ben, maar het is nog steeds kabaal dat het beluisteren waard is; het herinnert me er ook aan dat er een prijskaartje hangt aan mijn streven om intelligent volwassen te worden.

uit: 31 songs Nick Hornby, Atlas Amsterdam, 2003; vertaling Anneke Goddijn

Bijna iedere dag muziek: Nelly Furtado

Een catchy melodie; een liedje dat zich in je oren wurmt en er niet meer uit lijkt te kunnen. Het overkomt ons telkens weer, ook al zijn we afgehaakt want pop is waardeloos, fantasieloos, slecht geschreven, puur commercieel geproduceerd, inhoudsloos, puberaal en herhaalt zichzelf. En dan plots hoor je iets op de radio (of via Spotify) dat je liefst vaker wilt horen. Dat overkwam de Britse schrijver Nick Hornby met Nelly Furtado’s I’m like a bird.

https://youtu.be/roPQ_M3yJTA

Het liedje waar ik onlangs op een prettige manier helemaal gestoord van werd is I’m like a bird van Nelly Furtado. Alleen de geschiedenis kan uitwijzen of mevrouw Furtado een beetje fatsoenlijke artiest is. Ik zal haar er altijd dankbaar voor zijn dat ze de verslavende behoefte in me wakker riep om haar liedje telkens weer te willen horen. Het is immers een onschuldige behoefte, gemakkelijk te bevredigen, en daarvan zijn er veel te weinig in de wereld. Ik wil niet eens een pleidooi voor dit liedje houden, in tegenstelling tot elk ander nummer – hoewel ik het een erg goede popsong vind, met een dromerig verlangen en een gekwetst optimisme waarmee het zich meteen onderscheidt van zijn bloedeloze, onvolwassen soortgenoten. Waar het om gaat is dat het liedje een paar maanden geleden niet bestond, in elk geval voor zover we weten, en nu is het er wel, en dat is op zich al een klein wonder.

Dave Eggers houdt er de theorie op na dat we liedjes telkens opnieuw draaien omdat we ze moeten ‘ontraadselen’, en het is inderdaad zo dat er vroeg in onze relatie, tijdens de eerste flirt met een nieuw liedje, een fase is die lijkt op een soort emotionele verwarring. Er is bijvoorbeeld een klein stukje in het nummer ongeveer halverwege, waar de stem bij een bepaald zinnetje wordt gedoubletracked, en het effect daarvan is welluidend, fris en verslavend – vooral voor iemand die geen musicus is, voor iemand die waardering en liefde heeft voor muziek maar door zelfs het eenvoudigste muzikale trucje uit het veld wordt geslagen en verleid.

Natuurlijk, het zal al gauw pover en afgezaagd lijken. Het zal niet lang duren voordat ik I’m like a bird zal hebben ontraadseld en dan zal ik het niet zo vaak meer willen horen – een popsong van drie minuten kan immers maar korte tijd raadselachtig blijven. Dus ja, het is een wegwerpartikel, alsof dat enig verschil maakt voor iemands opvattingen over de waarde van popmuziek. (..) Misschien is de wegwerpcultuur een teken van de volwassenheid van de popmuziek, een erkenning van zijn beperkingen, in plaats van het omgekeerde. Hoe dan ook, ik zat laatst in de wachtkamer van de huisarts, toen vier kleine Caraïbische meisjes, die geduldig de afspraak van hun moeder uitzaten, ineens losbarstten in het liedje van Nelly Furtado. Ze kenden de tekst op hun duimpje, ze hadden er wat danspasjes bij en zongen met veel overgave en plezier; ik vond het leuk dat we even iets gemeenschappelijks hadden; ik had het gevoel dat we allemaal in dezelfde wereld leefden, en dat komt niet zo vaak voor.

uit: 31 songs, Atlas Amsterdam, 2003; vertaling Anneke Godijn

https://youtu.be/_L961O3NQGM

Helen Mcdonald verrast met wat ze hoog in de lucht ziet

ny by night; greepx.comhelen mcdonald; pinterestBoven New York krioelt het ’s nachts van de dieren in soorten en maten, aldus wetenschapster en schrijfster Helen Mcdonald. bron beeld: greepx.com en pinterest.com

Wetenschapster en schrijfster Helen Mcdonald (1970) schrijft essays over de natuur. Dat doet ze met verrassende observaties. Zoals in het stuk dat gaat over wat er zich hoog in de lucht afspeelt boven New York. Staand op het dak van het Empire State Building doet ze verslag van wat je kunt zien in het avondlicht van de Big City. The city that never sleeps krijgt hierdoor een nieuwe dimensie.

Wolkenkrabbers zijn ’s nachts op hun best, complete dromen van moderniteit die de natuur uitwissen en vervangen door een nieuw, kunstmatig landschap, een landkaart van staal, glas en licht. Maar mensen wonen er om dezelfde reden in als waarom ze de wilde natuur opzoeken: om de stad te ontvluchten. De hoogste gebouwen tillen je naar een niveau boven de wanorde, de chaos van het leven op straatniveau, waardoor je zelf ook verandert. Misschien lijkt de lucht leeg, zoals we ooit dachten dat de diepzee een levenloze leegte was. Maar net als de zee is de lucht een uitgestrekte habitat vol leven: vleermuizen en vogels, vliegende insecten, spinnen, met de wind meegevoerde zaden, microben, zwevende sporen. Hoe langer ik de stad door kilometers stoffige, aangelichte lucht bekijk, hoe meer ik alle superhoge gebouwen begin te beschouwen als machines die ons als diepzee-duikboten naar ontoegankelijke oorden voeren waar we anders nooit onderzoek zouden kunnen doen. Binnen is het rustig, schoon en warm noch koud. Buiten bevindt zich een tumulteuze wereld die vergeven is van onverwachte biologische rijkdommen, en we staan er middenin.

(..) Insecten trekken in buitengewone grote aantallen over ons heen. Wetenschappelijk onderzoeker Jason Chapman gebruikt in Groot-Brittannië op de atmosfeer gerichte radarsystemen om die verplaatsingen-op-grote-hoogte te bestuderen. In één maand kunnen wel meer dan drie miljard insecten één vierkante kilometer Engels akkerland passeren, zo’n duizend kilo biomassa. Volgens Chapman is het aantal dat New York passeert misschien nog wel groter, omdat de stad een toegangspoort tot een heel continent is en geen door koude zeeën omringd eilandje. Ook zijn de zomers er doorgaans warmer. Boven de tweehonderd meter bevind je je volgens hem al in regionen waar het onderscheid tussen stad en platteland er amper of zelfs helemaal niet toe doet.

uit: schemervluchten, Bezige Bij Amsterdam, 2020; vertaling door Nico Groen en Joris Vermeulen

Helen Mcdonald (1970, Brit)

Bijna iedere dag muziek: Kate Bush

Sinds ik terug ben in het dorp om afscheid te nemen van de school zie ik overal vleermuizen. Bijvoorbeeld op de voorkant van de single Breathing van het album Never fot Ever, waar Kate Bush verkleed als vleermuis op de grond ligt. In de videoclip Violin van datzelfde album, fladdert ze – terwijl ze hoge kreten uitslaat, zoals alleen Bush dat kan – met haar zwart doorschijnende vleugels woest door het beeld. Nergens vind ik precies waarom ze er als een gladneus uitziet, alleen een zinnetje dat het kostuum voor de donkere kant in haar werk zou staan. Bij mij staan de handvleugeligen juist voor het licht.

uit: het warmtefort, Marieke Lucas Rijneveld, CPNB boekenweek 2022

De naïeve kunst van Jane Newland

newland, jane; naiefnewland, jane; naief3newland, jane; naief5newland, jane; naief7Alles in de wereld die de Britse kunstenares Jane Newland schept met haar digitale prenten, ademt rust, tevredenheid. Niets is er dreigend of brengt je in gevaar. Zelfs al fladderen er zwarte vleermuizen en lopen er zwarte katten rond. De naïeve kunst van de de in Norwich woonachtige vrouw komt dan ook vaak in kinderboeken terecht of in uitingen van bedrijven.

Haar wereld is die waarin de natuur een grote rol speelt. Ze heeft oog voor de details en haar landschappen ‘verbergen’ verrassingen. Haar werk komt voornamelijk digitaal tot stand zonder dat het digitaal oogt. Het zouden miniatuurjes kunnen zijn, geschilderd welteverstaan.

Je zou erin willen rondlopen, deze hele, met stilte en sereniteit omgeven wereld. Of ervan willen dromen.

newland, jane; naief2newland, jane; naief4newland, jane; naief6newland, jane; naief8

Bijna iedere dag muziek: The Smiths

The-Smiths-Credit-Ross-Marino-Getty-Imagesfoto: Ross Marino, Getty Images; bron beeld: guitar.com

Ik heb vaker aandacht besteed aan het repertoire van de Britse band The Smiths. Een band die invloedrijk en vernieuwend was en bepalend voor de Britse popmuziek-geschiedenis. In bijgaand artikel met voorbeelden (zie onderstaande link), gaat website guitar.com in op de bijdrage die de band leverde op het gebied van gitaarriffs. Johnny Marr is het bandlid dat voor die unieke riffs zorgde en mede bepalend was voor het unieke geluid van The Smiths.

https://is.gd/AmL4mI

Bijna alle dagen muziek: Queen en Quill

Queen (’70, ’80 en ’90) is British glamrock, hardrock en symfo-rock. Maar ook pop, opera en theater. Ik heb er een haat-liefde-verhouding mee. Als ik voor de 10-miljoenste keer Bohemian R hoor, zap ik verder. Zo uitgekauwd. Is er dan niets anders dan die hits? Ik ben anders. Ik verveel me snel bij alles wat veel en vaak te horen is en door iedereen ‘erg’ gewaardeerd wordt. Ik vlucht de kamer uit, op zoek naar iets nieuws, iets ongehoords. Maar toch, Queen is ontegenzeglijk groots, meeslepend, invloedrijk en belangrijk. Dat wil ik maar gezegd hebben.

Gene Quill (1927-1988, Atlantic City, USA), altsaxofonist, is een voetnoot in de jazz-geschiedenis. Bescheiden en meestal spelend met Phil Woods of in een big band (Claude Thornhill, Gerry Mulligan) bewoog Quill zich meer op het melodische vlak van de jazz in de jaren 50. Zijn spel was intens, enthousiast en agressief hardbop. Ging graag de sax-battle aan met andere grootheden uit zijn tijd daarbij zijn vakmanschap illustrerend. Quill speelde met muzikanten als Dexter Gordon en Quincy Jones. Toen hardbop de coole en softe kant op ging was dat voor Gene geen probleem. Ook dat deed hij met verve en plezier. In de laatste jaren kreeg de altsaxofonist te maken met gezondheidsproblemen. Hersenschade en een gedeeltelijke verlamming maakten het spelen onmogelijk. Bijzonder triest is verder dat van zijn fraaie spel niet veel opnames bestaan. Wat er is, moeten we koesteren.