Venetië en de moderne kunst: ziek van weerzin

Venetie, explorista

Drukte in Venetië. bron foto: explorista.nl

Venetië is de stad van de oude en de nieuwe kunst, zeg maar de moderne. Voor beiden bestaat veel belangstelling. De oude kunst wordt inmiddels onder de voet gelopen door miljoenen toeristen jaarlijks. Voor de moderne kunst is er elke twee jaar de Biënnale.

Schrijver Dirk van Weelden (1957) situeert zijn korte verhaal De schatbewaarder in dat Italiaanse (cultuur)toeristenparadijs. Twee vrienden van vroeger ontmoetten elkaar in deze hotspot. De vriend is succesvol in de kunsten. Reden om er eens lustig op los te filosoferen.

‘Het lot van Venetië is dat van de moderne kunst. Zo zie ik het. Venetië wordt onzichtbaar door haar bewonderaars, de stad bezwijkt onder haar eigen aantrekkelijkheid. De moderne kunst wordt ook steeds meer een toeristische attractie, en veel hedendaagse kunst speelt daarop in, en lijkt nog het meest op een tourist trap. Veel kunst heeft tegenwoordig haar eigen arrogante hoerigheid tot onderwerp en haar voornaamste werkmodel is dat van de societyroddel. Het gaat niet om het geld, begrijp me goed, het gaat erom dat de meeste kunst er niet tegen bestand is om een massamedium te zijn. En ik verzet me ertegen dat dat steeds meer een norm wordt.’

‘Maar ik begrijp niet dat je je dan zo verlustigt aan de hoerigheid, het valse, en het destructieve, of kick je alleen op je eigen weerzin ertegen!’

‘Hee, kom op, Gregg, dat begrijp je best. Waarom kwamen onze oude kameraden Shelley en Byron hier, of moet ik zeggen Julian en Maddolo? Venetië is toch van oudsher de stad van de melancholie. Melancholie is niet zomaar een zoet weemoedig sausje over je hersenpan, het is een stemming die van je ziel een filosofische machine maakt. ‘Sein eignen Kummer lieben’ heette dat vroeger, en dat is een ziekte, maar ook een wapen. Er is geen betere plek op aarde om dat wapen te slijpen en te leren beheersen dan Venetië. Er is niets waar ik zo hartstochtelijk van houd als kunst en daarom ook niets wat me zo kotsziek van weerzin kan maken.’

van weelden, bladkrant

bron foto: bladkant.nl

Dirk van Weelden (1957)

Uit: De schatbewaarder; uit: Bij-lezen, Bezige Bij Amsterdam, 1991

Paustovskij beschrijft de tweede wereld

paustovski

Konstantin Paustovskij (1892 – 1968) beschrijft in 6 boeken zijn herinneringen aan een turbulent leven in Rusland. Hij maakte de Eerste en de Tweede Wereldoorlog mee en de Russische Revolutie.

In Onrustige jeugd gaat het over de gebeurtenissen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de oorlog zelf en hoe de Russische nederlagen leidden tot de Revolutie. Zijn verhaal is autobiografisch en dus zijn het waarnemingen van een enkel persoon. Maar die persoon beschouwt zijn omgeving met haviksogen; geen detail ontsnapt aan zijn aandacht. Dat is wonderlijk, verbazingwekkend en meeslepend. Over zijn rol als waarnemer schrijft hij zelf in dit boek:

Ik schreef toen ook wat gedichten, die ik naar een bekende dichter stuurde. Ik dacht nooit dat hij mij zou antwoorden maar hij deed het toch. Ik kreeg een ansicht van hem. Daarop stond met grote letters geschreven: ‘U beleeft uw verzen als buitenstaander.’

Deze ene zin nam de hele ansicht in beslag.

Ik leefde toen een dubbel leven, een echt en een verzonnen leven. Over mijn echte leven schrijf ik dit boek. Het verzonnen leven bestond afhankelijk van het echte en voegde er alles aan toe wat er in dit werkelijke leven niet was en niet kon zijn. Alles wat mij aanlokkelijk en heerlijk toescheen.

Het verzonnen leven bestond uit zwerftochten, uit ontmoetingen met buitengewone mensen, uit verbazingwekkende gebeurtenissen. Er hing het teder waas der liefde over. In wezen was het een lange aaneengeregen droom. Natuurlijk kan men nu medelijdend glimlachen om mijn toenmalige zielstoestand. Makkelijker kan niet. Wij zijn door ervaringen rijp geworden en hebben zo te zeggen recht op zo’n glimlach. Dat  geloven tenminste nuchtere lieden die van mening zijn dat enkel zij met serieuze dingen bezig zijn.

Maar in werkelijkheid hebben zij er het recht niet toe. Zij hebben het recht niet met die jonge dromen te spotten die in de ziel van velen de eerste zaadkorreltjes der poëzie hebben doen ontspruiten. In deze verdichtsels lag zuiverheid, edelheid, en een afspiegeling van deze eigenschappen bleef over het hele leven van die mensen liggen.

Ieder die in zijn jeugd deze eigenschappen had, zal het me me eens zijn dat hij in die tijd over onuitputtelijke rijkdommen beschikte.

De wereld was van hem. Voor hem bestonden er geen grenzen, in de tijd niet en in de ruimte niet. Zo kon hij de geur van paddestoelen in de Taiga inademen en geen moment later de lucht van de Parijse boulevards met haar wazig brandende lantaarns. Hij kon een gesprek aangaan met Victor Hugo, met Lermontov, met Tsaar Peter de Grote en met Garibaldi. Hij kon een zeventienjarige gymnasiaste met een bruine schooljurk die van verlegenheid aan haar vlechten peutert, evengoed zijn liefde verklaren als Isolde. Hij kon samen met Maklaï in de tropische wouden van Nieuw-Guinea wonen of met Poesjkin naar Erzeroem galopperen. Hij kon in het klooster zitten of de eerste wegen door de bossen van Florida banen. Hij kon met de vader van de kleine Dorrit wegens schulden in de gevangenis zitten of mee terugreizen naar Engeland met de as van Lord Byron.

Grenzen waren er niet. Ik zou de scepticus wel eens willen ontmoeten, die niet toegeeft dat deze tweede wereld een mens verrijkt en invloed uitoefent op de gedachten en handelingen tijdens zijn leven.

Uit: Onrustige jeugd – Konstantin Paustovskij, Arbeiderspers Amsterdam, 1976, vertaling Wim Hartog

Zjoekovski: lied

Lied

Waarom zijt gij teruggekomen, / Betovering van vroeger tijd? / Wie heeft de lang verstilde dromen / Gewekt uit de vergetelheid? / Een fluistering van lang geleden, / Een blik die doordrong in mijn geest, / Even werd zichtbaar in het heden / Wat lang onzichtbaar was geweest.

O dierbaar Vroeger, gast verheven, / Waarom komt gij mij zo te na? / Kan ‘k zeggen tot de hoop: blijf leven? / Tot dat wat is geweest: besta? / Kan ik weer nieuwe glans verwekken / In dromen die al zijn vergaan? / Kan ik de naaktheid weer bedekken / Van het bekende aards bestaan?

Waarom toch tracht de ziel te reiken / Naar ’t land van dagen van weleer? / ’t Zal onbevolkt, verlaten blijken, / ’t Ziet wat voorbij is nimmer weer. / Eén enkeling slechts zal daar wonen, / Getuige van de oude tijd; / Hij ligt tezaam met al het schone / In ’t graf van de vergetelheid.

1818, Vasili Zjoekovski (1783 – 1852)

zhukovsky_1815

Vasili Zjoekovski was het buitenechtelijke kind van landedelman Boenin en zijn Turkse minnares. Volgde een opleiding in Moskou, trok zich terug op het landgoed van zijn vader in de buurt van Toela. Werd verliefd op de dochter van zijn halfzuster, een verboden liefde die doorklinkt in zijn werk.

Zjoekovski schreef in 1812 het vaderlandslievende gedicht De zanger in de Russische krijgsbent. Dat leverde hem een uitnodiging van het hof op. In 1826 werd hij leermeester van de latere Alexander de Tweede. Dat leverde ook een bezoek aan Nederland op.

Zjoekovski vertaalde het werk van schrijvers als: Byron, Schiller en Goethe in het Russisch. Ook leverde hij de vertaling van de Odyssee van Homerus.

Bron: Bloemlezing van de Russische poëzie, Marja Wiebes, Margriet Berg, Plantage, Leiden, 1997