Waldo Rojas: straat

Straat

Alle wegen leiden naar deze straat die zichzelf bekijkt / door zijn vensters. / Alle stappen verwijderen zich van deze straat / en zijn eenzaamheid is het enige dat groeit / met de lichten / en het knipogen van vleermuizenvleugels. / Laten wij in deze straat eens iets anders doen dan lopen

en onze schouders wit schuren aan de kalk van de muren, / ook al is dit de Straat van de Verloren Stappen, / verloren met de snelheid waarmee ze weerklinken op het plaveisel.

Het is deze straat die wegvlucht van zijn beeld / dat aarzelt op de drempel van de herinnering: / het is deze straat waar – in ballingschap – / ‘de vreemdeling woont die ons soms tegemoet / komt in de spiegel’.

Uit: Poëzie is een gebaar, Novib Den Haag en Poetry International Rotterdam, 1995; vertaling Riekus Waskowsky

Waldo Rojas,Descontexto.blogspot.combron foto: descontexto.blogspot.com

Waldo Rojas (1944, Concepción, Chili)

Chileense indianen

Ze keren met enige regelmaat terug: de oorspronkelijke bewoners van Amerika. In foto’s, verhalen, het nieuws, archieven, geschiedenissen. Maar wat weet ik eigenlijk van ze? Na het zien van deze foto’s uit een Chileens archief besefte ik dat ik er eigenlijk heel weinig van weet. En dan bedoel ik van de verhalen en de geschiedenissen vanuit het perspectief van die oorspronkelijke bewoners.

Onze verhalen ken ik. Gekleurd door onze bril. Onze Europese bril. Onze monturen die zicht bieden op de verhalen die gaan over de verovering van Amerika verschillen erg in optiek. Een Engelsman ziet de wereld anders dan een Ollander; een Ier kijkt anders dan een Fries. En dat merk je in hun verhalen. Hoe zou dat gelden voor Indianen? Is een verhaal van een Chileense indiaan, een ander dan dat van een Cherokee? En bestaat de Chileense indiaan? Of is het een bonte verzameling verschillende volkeren? Wie gaat die antwoorden geven? De oorspronkelijke bewoners? Wanneer krijgen we zicht op hun verhalen, hun geschiedenis? Is het schrijven van die geschiedenis nog tijd gegund?

chileense indianen-1chileense indianen-2chileense indianen-3chileense indianen-4chileense indianen-5chileense indianen-6

Neruda 97: voor wie niet is

Je moet wel vliegen nu, maar waar naartoe? – Zo zonder vleugels, vliegtuig, zonder twijfel: – de passen zijn al reddeloos gezet, – verhieven niet de voeten van wie reisde.

Je moet wel vliegen, elk moment zoals – de adelaars, de vliegen of de dagen, – de ogen van Saturnus overwinnen – en daar de nieuwe klokken laten luiden.

Nu schoenen, wegen al niet meer voldoen, – nu aarde de verdwaalden niet meer baat, – nu wortels reeds de nacht hebben doorkruist,

zul jij verschijnen op een andere ster – van vastberaden tijdelijke aard – uiteindelijk veranderd in papaver.

Neruda 91: het motregent tijd

motregen

Als motregen bedekt ons onze leeftijd, – de tijd is onophoudelijk en dor, – een veer van zout beroert je aangezicht, – een vochtplek heeft mijn kleren aangevreten:

de tijd kan niet mijn handen onderscheiden – of een vlucht sinaasappels in de jouwe : – het leven steekt met sneeuw en pikhouweel: – jouw leven dat mijn eigen leven is.

Mijn leven dat ik jou gaf raakt vervuld – van jaren, als de omvang van een tros. – De druiven zullen teruggaan naar de aarde.

Zelfs daarbeneden blijft de tijd bestaan, – die wachtend, regenend over het stof, – zelfs de afwezigheid nog uit wil vagen.

Neruda 81: dromen

Je bent van mij. Rust, met jouw droom in mijn droom. – Nu moeten liefde, smart en arbeid slapen. – De nacht draait op onzichtbaar raderwerk, – naast mij ben jij zo puur als slapend amber.

Geen vrouw zal verder met mijn dromen slapen. – Jij gaat, wij gaan door wateren van tijd. – Geen vrouw zal met mij door het donker reizen, – dan jij, voor altijd bloem en zon en maan.

Jouw handen openden hun tere vuisten – en lieten koersloos zachte tekens vallen, – je ogen sloten zich als grijze vleugels,

Jij voert het water dat mij meevoert aan: – nacht, wind en wereld spinnen hun bestemming, – en ik ben zonder jou niets dan een droom.

Neruda 76: jouw haardos

Nude-with-Calla-Lilies-1944-Oil-on-hardboard

Werk van de Mexicaanse schilder Diego Riviera

Diego Riviera, als een beer geduldig, – zocht de smaragd van ’t bos in schilderkunst – of vermiljoen, de plotse bloem van bloed, – plukte in jouw portret het licht der wereld.

Hij schilderde jouw neus’ gebiedend kleed, – de vonk in je vrijmoedige pupillen, – je nagels, voer voor afgunst van de maan, – en de meloenmond in jouw zomerhuid.

Je kreeg twee hoofden, als vulkanen brandend – van vuur, van liefde, Araucaanse afkomst, – hij zette twee vergulde leemgezichten

de helm op van een ongetemde brand – en daar bleven mijn ogen stilletjes – verstrikt in heel zijn toren: in jouw haardos.

MC1R - 'Natuurlijk rood haar'

Neruda 72: Er op uit!

tocopilla, chili.jpg

Tocopilla, Chili. Geboorteplaats van voetballer Alexis Sánchez.

Mijn lief, de winter keert naar zijn kwartieren – terug, de aarde plaatst haar gele gaven, – wij strijken onze hand over ver land, – over de haardos van de aardrijkskunde.

Te gaan! Vandaag! Hup, wielen, schepen, klokken – en vliegtuigen, gestaald door eindeloos daglicht – op weg naar huwelijksgeur van archipel – langs lengteassen, oogst van balen meel!

Kom, opstaan, zet je diadeem op, ga – omhoog, omlaag, ren, fluit met lucht en mij mee, – naar treinen van Arabië en Tocopilla,

zomaar vertrekken naar het verre stuifmeel, – stekende lompen- en gardeniadorpen – bestuurd door arme vorsten zonder schoenen.

Neruda 68: Boegbeeld

mascaron__intro

Het houten meisje kwam niet aanlopen: – ze zat daar plotseling tussen de stenen, – haar hoofd met oude zeebloemen bedekt, – haar blik bezat de droefenis van wortels.

Daar bleef ze, keek naar onze open levens, – het gaan, zijn, lopen, teruggaan over aarde, – de dag verbleekte gradueel zijn bloemblad. – Het meisje waakte zonder ons te zien.

Het meisje was gekroond door oude golven, – daar keek ze met haar uitgebluste ogen: – ze wist, wij leefden in het verre netwerk –

van tijd, geluiden, water, golven, regen, – wist niet of wij bestonden, zij ons droomde. – En dit is het verhaal van ’t houten meisje.

Neruda 62: een waarschuwing!

Wee mij! Wee ons! Mijn lieveling, wij wilden – alleen maar liefde, en we hadden lief, – en tussen zo veel smarten moesten wij – als enigen de zwaargewonden zijn.

Wij wilden voor onszelf het jij en ik, – jij van de kus, ik van ’t geheime brood, – zo was het allemaal, oneindig simpel, – tot haat via het raam naar binnen kwam.

Wie niet beminden hadden onze liefde – noch enig andere liefde lief, de stakkers – als stoelen in een lang vergeten kamer,

totdat zij zich zelfs wentelden in as – en ’t dreigende gezicht dat zij verkregen – gedoofd werd in gedoofde schemering.

Neruda 57: heer van eigen duister

Grote woorden afwisselen met kleine voorvallen; begrippen, symbolen combineren zodat een nieuw beeld ontstaat: enkele van de veelbeproefde mogelijkheden van het dichten. En dan toch iets zeggen dat je raakt. Dat doen de grote meesters (m/v). Tot de groten behoort zeker Pablo Neruda. In zijn 100 Liefdessonnetten dit keer aandacht voor zijn herboren worden als heer van eigen duister. Daarin: aanvallen op de persoon, verwijten, strijd, vertrouwen en de onverzettelijkheid en onoverwinnelijkheid van de ware liefde.

neruda en matilda

Wie zei dat ik de maan verloor, die liegt, – wie mij een toekomst van het zand voorspelden, – verzekerden zoveel met koude tongen, – wilden de bloem van het heelal beletten.

‘Niet langer zal opstandig barnsteen zingen – van de sirene, hem rest slechts het volk.’ – Zij kauwen hun papieren zonder einde – om mijn gitaar vergetelheid te brengen.

‘k Wierp naar hun ogen imposante lansen – van onze liefde, dwars door onze harten, – eiste jasmijn op, in jouw spoor gestrooid, –

verdwaalde ’s nachts, geen licht was in je ogen – en toen ik door de helderheid omringd was – werd ik herboren, heer van eigen duister.