García Márquez keert terug naar zijn dorp en herinnert zich de anime

De anime is bij ons een soort weldoende geest die zijn beschermelingen op benarde momenten te hulp schiet; wanneer men dan ook van iemand zegt dat hij ‘animes’ heeft, bedoelt men dat hij door een of andere mysterieuze persoon of kracht wordt beschermd.

De animes van Aracataca (geboortedorp van Márquez) waren iets heel anders: minuscule wezentjes van amper een duim groot die op de bodem van waterkruiken leefden. Soms verwarde men ze met de bortselwormpjes, ook wel sarapicos genoemd, die in werkelijkheid de larven van de muskieten waren die onder in het drinkwater wriemelden. Maar de echte kenners verwarden ze niet: de animes waren in staat om uit hun natuurlijke schuilplaats te ontsnappen, zelfs als de waterkruik goed was afgesloten, en ze vermaakten zich door allerlei kattekwaad in huis uit te halen. Het waren ondeugende maar vriendelijke geesten die de melk  verzuurden, de ogen van de kinderen van kleur lieten veranderen, de sloten deden roesten of verwarde dromen opriepen. Maar bij tijden raakten ze om duistere redenen uit hun humeur en dan bekogelden ze het huis waar ze woonden met stenen. Ik leerde ze kennen in het huis van don Antonio Daconte, een Italiaanse emigrant die indrukwekkende nieuwigheden in Aracataca introduceerde: de stomme film, de biljartzaal, de verhuur van fietsen, de grammofoon en de eerste radio. Op een avond ging het gerucht in het dorp dat de animes stenen gooiden naar het huis van don Antonio Daconte, en het hele dorp liep uit. In tegenstelling tot wat je zou denken, was het geen gruwelijk schouwspel maar een uitgelaten feest, waarbij hoe dan ook geen ruit heel bleef. Je zag niet wie de stenen gooide, want ze kwamen van alle kanten aan vliegen en hadden de magische eigenschap niemand te raken, maar rechtsstreeks op hun doelwit af te gaan: dingen van glas. Lang na die fantastische avond hielden wij kinderen vast aan de gewoonte het huis van don Antonio Daconte binnen te sluipen en het deksel van de waterkruik in de eetkamer op te lichten om te kijken naar de kalme en bijna doorzichtige animes die zich onder in de kruik verveelden.

Uit: Terug naar mijn dorp; uit: De zee van mijn verloren verhalen, Meilenhoff Amsterdam, 1992; vertaling Francine Mendelaar en Wieke Westra 

garcia marquze, smithsonian magazinebron foto: smithsonianmag.com

Gabriel García Márquez (1927-2014, Colombiaans)

Gabriel García Márquez over de boekhandelaar

Een zonder meer ongunstige factor voor de leesgewoonte is dat de laatste goed geïnformeerde en goed informerende boekhandelaren al een tijdje dood zijn en dat boekwinkels steeds minder het centrum van namiddagbijeenkomsten zijn. Je had je eigen boekhandelaar zoals je je eigen huisarts en je eigen tandenborstel had. De professionele boekhandelaar was iemand die zelf in zijn zaak stond, zoals de tandarts in zijn behandelkamer, en door alleen maar de catalogus te lezen wist hij in welke boeken elk van zijn klanten geïnteresseerd was. Zelden vergiste hij zich. Je ging dus naar de bijeenkomst van zes uur en dan lag daar al een stapeltje nieuwe uitgaven klaar dat voldoende was om je een maand lang tot diep in de nacht aangenaam bezig te houden. Tegenwoordig zijn de boekwinkels grote, opzichtige fabrieken van pas verschenen boeken, die vervaardigd zijn om in één klap verkocht te worden en als tijdverdrijf te lezen om ze daarna in de prullenbak te gooien. Zelfs het herlezen van boeken is een moeizaam genot, want je gaat naar de boekwinkel om een boek aan te schaffen dat twee jaar geleden opgang maakte en niemand weet er iets over te zeggen. Als er één plaats is waar je kunt zien hoe de wereld veranderd is, dan is dat niet op een lanceerbasis voor satellieten, maar in de boekwinkel op de hoek. Als hij er nog is.

Uit: Welk boek lees je?, 1983; uit: De zee van mijn verloren verhalen, Meulenhoff Amsterdam, 1997; vertaling Francine Mendelaar en Mieke Westra

garcia marquez, culturetripbron foto: theculturetrip.com

Gabriel García Márquez (1927-2014, Colombiaans)

‘Marlon Cruz, niet naar buiten gaan!’

Kratochvil-paradijsvogels

foto: Antonin Kratochvil

Ik had wel dood kunnen gaan, die nacht dat ik de weg kwijtraakte, niet alleen omdat de dood me zelf op mijn schouder tikte, maar ook omdat ik er verschrikkelijk naar verlangde. Ik dacht nu met begrip terug aan al die keren dat Reina had gezegd: laten we er een eind aan maken, waar uiteindelijk niemand meer van opkeek omdat ze het al zo vaak had gezegd.

‘Laten we er een eind aan maken,’ zei ze woedend bij elke tegenslag.

Ik was niet alleen bang voor Reina’s leven maar voor dat van iedereen, ook voor het mijne, waar ik vreemd genoeg zuinig op was, misschien vanwege die zwartgallige liefde die ik altijd voor het leven heb gevoeld. Een liefde die duurde tot de nacht dat ik de wanhopigste mens op aarde was, toen ik voor het eerst dacht: liever dood dan levend zonder Reina. Maar juist die herinnering aan haar rare ideeën bracht me tot de conclusie dat ik best nog een paar stappen kon zetten.

Toen ik begon te rennen wist ik dat ik haar kwijtraakte, dat ik zelf in een razend tempo de weg kwijtraakte. Terwijl ik vluchtte voor de politieagenten dacht ik aan haar, aan haar woedende mond nadat ze had geschreeuwd: Marlon, niet naar buiten gaan!

Maar mijn kwaadheid telde net zo goed, en ik liep naar buiten zonder te vermoeden dat ik die nacht zou verdwalen in het grootste, ingewikkeldste labyrint op aarde, waar ik het moest doen met die laatste herinnering aan Reina’s woeste gezicht, dat naar me roept zoals mijn moeder me waarschuwde toen ik klein was: Marlon Cruz, niet naar buiten gaan!

Jorge Franco (1962, Colombiaan)

Uit: Paradijsvogels – Jorge Franco, Meulenhoff Amsterdam, 2001

Wat een indrukwekkend boek is dit! Een liefdesgeschiedenis, een road-movie (ja, want de beelden zijn cinematografisch van aard), een actueel verhaal over het lot van migranten, de beschrijving van een zoektocht naar geluk in een wereld die dat geluk niet kent of ontkent. Een verhaal over ongelijkwaardige liefde. Marlon houdt echt van Reina, terwijl je van Reina sterk de indruk overhoudt dat ze Marlon gebruikt als middel naar haar geluk. Je zou haar een golddigger kunnen noemen ware het niet dat Marlon straatarm is. Reina probeert via Marlon aan de armoede te ontkomen en New York is haar doel.

Elk moment heb je het idee dat het kwartje de goede kant op gaat vallen. De ontknoping is een verrassing. Wie voor een kwartje geboren is, zich daaraan ontworstelt, gaat teleurstellingen tegemoet. Maar die tocht naar geluk is een spannende en het verhaal daarover is overtuigend. Gaan lezen dus! (Waarom is van dit boek nog geen film; het schreeuwt om verfilming!)

Jorge Franco legt uit wat voetstappen vertellen over ons leven

Uit: Paradijsvogels

Ik sluit mijn ogen om te luisteren naar het geluid van Reina’s voetstappen, die muziek die we allemaal hebben als we lopen, die uniek en eigen is als een vingerafdruk maar veel meer zegt over ons levensverhaal dan de afdruk van een duim.  Want hij verandert met het verstrijken van het leven, met de komst van de verdoemde jaren en de problemen, het onrecht en het verdriet. Dan klinken de getemperde voetstappen van weleer als klappen tegen een oud stuk leer. Maar zelfs die slepende tred is bij iedereen verschillend, en misschien is bij Reina, net als bij mij, het ritme wel veranderd; we liepen vast niet meer zoals een jaar geleden, niet van ouderdom maar van vermoeidheid. Daarom zullen we elkaar in de ogen moeten kijken om elkaar te herkennen en er niet van uit moeten gaan dat we elkaar zullen horen aankomen. Misschien trilt mijn voet wanneer ik haar zie en moet ze in mijn hand knijpen en zeggen: hou je voet eens stil.

jorge francoJorge Franco (1964), Colombiaans

Uit: Paradijsvogels, Meulenhoff Amsterdam, 2001, vertaling Brigitte Coopmans

Oude liefde in 100 Jaar Eenzaamheid

Een veelheid aan thema’s trekt voorbij in Honderd Jaar Eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Maar altijd in de cirkel van het leven. daarover later meer. Terugkerend is liefde of het gebrek daaraan. In bijgaand geval die tussen twee personages, die elkaar weer vinden in de liefde:

Ofschoon Aureliano Segundo het nooit hardop zei, meende hij dat de fout niet gelegen was in de wereld maar in een diep verborgen hoekje van het mysterieuze hart van Petra Cotes, waar tijdens de zondvloed iets gebeurd moest zijn wat de dieren onvruchtbaar en het geld aalglad had gemaakt. Hj raakte door dit raadsel zo geboeid, dat hij diep in haar gevoelens ging rondwroeten en hoewel hij op zoek was naar gewin, vond hij tenslotte de liefde, want zijn pogingen om haar van hem te doen houden eindigden ermee, dat hij haar innig liefkreeg. Wat Petra Cotes betreft, zij begon meer van hem te houden naarmate ze zijn genegenheid voelde groeien en zo kon het gebeuren dat ze in de herfst van haar leven weer geloof hechtte aan haar jeugdige misvatting dat armoede de liefde ten goede komt. Beiden dachten aan de onbesuisde feesten, de pralerige rijkdom en de ongeremde wellust terug als aan een last die hen ontnomen was en ze betreurden het dat het zo’n groot deel van hun leven had gekost om dit paradijs van gedeelde eenzaamheid te kunnen vinden. Na al die jaren van steriele gebondenheid raakten ze pas goed verliefd op elkaar en ze genoten van het wonder dat ze elkaar aan tafel evenzeer beminden als in bed en tenslotte werden ze zo gelukkig dat ze – ook nog toen ze al een paar amechtige oudjes waren geworden – met elkaar stoeiden als konijntjes en vochten als honden en katten.

pilar ternera

Zieneres Pilar Ternera buigt zich over het lot van het dorp Macondo

Honderd Jaar Eenzaamheid is een familiekroniek maar ook het verhaal van een samenleving, een Colombiaanse of zelfs een Latijns-Amerikaanse samenleving. Het is het verhaal van de samenleving en het individu, maar ook het verhaal van geboorte, dood, jeugd, ouderdom, eenzaamheid  en liefde in de cirkel van het leven. Of:

In het hart van een Buendia kon geen enkel geheim bestaan dat voor haar niet toegankelijk was, want een eeuw van speelkaarten en ervaringen hadden haar geleerd dat de geschiedenis van de familie één reusachtig raderwerk van onontkoombare herhalingen was, een wentelend wiel dat tot in de eeuwigheid zou zijn blijven draaien als de as niet onderhevig was geweest aan een onherroepelijk voortschrijdende slijtage.

De dood in 100 Jaar Eenzaamheid

aureliano buendia

Santa Sofia de la Piedad hield op met wat ze aan het doen was in de keuken en rende naar de voordeur.

‘Het is een circus!’, riep ze.

In plaats van dat hij naar de kastanjeboom ging, liep ook kolonel Aureliano Buendia naar de voordeur en mengde zich onder de nieuwsgierigen die de optocht gadesloegen. Hij keek naar een in goud uitgedoste vrouw op de nek van een olifant. Hij keek naar een mistroostige dromedaris. Hij keek naar een als Hollands boerinnetje verklede beer die met een grote lepel en een braadpan de maat aangaf van de muziek. Hij keek naar de clowns die kopjeduikelden in de achterhoede van de optocht en tenslotte keek hij weer in het gezicht van zijn eigen ellendige eenzaamheid, toen eenmaal alles voorbijgetrokken was en er niets anders restte dan de zondoorlichte ruimte van de straat en de lucht vol vliegende mieren en een paar toeschouwers die terugschrokken voor de afgrond van hun eigen besluiteloosheid. Toen ging hij naar de kastanjeboom, denkend aan het circus, en terwijl hij urineerde probeerde hij aan het circus te blijven denken, maar hij kon de herinnering al niet meer terugvinden. Hij trok zijn hoofd tussen zijn schouders, als een haantje, en bleef roerloos staan met zijn voorhoofd tegen de stam van de kastanje. De familie bemerkte het pas de volgende dag om elf uur, toen Santa Sofia de la Piedad het huisvuil op de belt achter de patio ging gooien en het haar opviel dat de gieren naar beneden kwamen.

Uit: Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid, vertaald door C.A.G. van den Broek, Meulenhoff Amsterdam, 1972

Film in 100 jaar eenzaamheid

the-moviesZe raakten diep verontwaardigd over de bewegende beelden die Don Bruno Crespi, nu een welvarend zakenman, in het theater met de leeuwenmuil-loketjes op het doek wierp, omdat een persoon die na de ene film dood en begraven was en om wiens tegenspoed men smartelijke tranen had gestort, in de eerstvolgende film weer opdook, springlevend en wel en dan veranderd in een Arabier. Het publiek, dat twee centavo betaalde om de wederwaardigheden van de helden te mogen delen, nam deze ongehoorde zwendel niet en sloeg de zitplaatsen kort en klein. Op aandringen van Don Bruno Crespi legde de burgemeester in een openbare bekendmaking uit, dat de bioscoop slechts een zinnebeeldig toestel was dat de ongebreidelde hartstochten van het publiek niet verdiende. Na deze ontmoedigende verklaring geraakten de meeste mensen tot de overtuiging dat ze het slachtoffer waren geworden van een nieuwe, omslachtige zigeunerstreek en ze besloten niet meer naar de bioscoop te gaan, aangezien ze aan hun eigen zorgen al genoeg hadden om ook nog te gaan huilen over de verzonnen ellende van niet bestaande wezens.

Uit: Gabriel  García Márquez Honderd jaar eenzaamheid, Vertaald door C.A.G. van den Broek, Meulenhoff Amsterdam, 1988

Honderd Jaar Eenzaamheid (2)

Gabriel Garcia Marquez with Book on Head

Gabriel García Márquez is Zuid-Amerika in het algemeen en Colombia in het bijzonder. En volgens de schrijver zelf is de Zuid-Amerikaanse een andere werkelijkheid dan wij Europeanen kunnen voorstellen. Wij Europeanen noemen dat dan onhandig magisch-realisme, maar dat werd door García Márquez altijd ontkend. Laten we het houden op een werkelijkheid met mythische dimensies.

In 100 Jaar Eenzaamheid wordt ons een microkosmos voorgeschoteld met die mythische dimensies. We volgen het geslacht Buendía in het stadje Macondo, waar de doden tussen de levende mensen lopen; er mensen van 200 jaar oud wonen; vreemde verschijnselen en visioenen aan de orde van de dag zijn. En dat tegen de achtergrond van oorlog, revolutie en modernisering. Kortom, een Colombiaanse geschiedschrijving zonder weerga en een stilistisch meesterwerk. Een proeve. Hier volgt de (her)introductie van een personage en daarna een mooi voorbeeld hoe het latijns-amerikaanse machismo om de hoek komt kijken.

Een opmerkelijke man stapte binnen. Zijn vierkante schouders pasten nauwelijks door de deuren. Om zijn stierennek hing een medaille van de Maagd van Alle Middelen, zijn armen en borst waren overdekt  met geheime tatoeëringen en om zijn rechterpols droeg hij de smalle koperen armband van de niños-en-cruz. Zijn huid was getaand door het zout van weer en wind, zijn haar was kort en stug als manen van een muildier en hij had stalen kaken en een trieste blik. Hij droeg een gordel die tweemaal zo breed was als de zadelriem van een paard en laarzen met kappen en sporen en ijzerbeslagen hakken en zijn aanwezigheid bezat de overdonderende uitwerking van een seismische schok.

Al snel blijkt het om José Arcadio te gaan, die eens de wijde wereld in trok en nu terugkeert. Reden voor een feest.

Op het hoogtepunt van het feest sprong hij (José Arcadio) op de bar en toonde zijn onwaarschijnlijke mannelijkheid, die geheel getatoeëerd was met een warnet van rode en blauwe opschriften in verschillende talen. Aan de vrouwen, die hem met hun begerigheid belegerden, vroeg hij wie er het meest betaalde. De vrouw die het meeste geld bezat, bood twintig peso. Toen bood hij aan, zich onder alle vrouwen te verloten voor tien peso per lot. Het was een buitensporig hoge prijs, want de meest gevraagde vrouw verdiende acht peso per nacht, maar allen namen het aanbod aan. Ze schreven hun namen op veertien papiertjes, deden die in een hoed en elke vrouw haalde er een uit. Toen er nog maar twee papiertjes waren overgebleven, ging hij na bij wie ze behoorden.

‘Allebei nog vijf peso erbij,’ stelde José Arcadio voor. ‘Dan verdeel ik me tussen jullie tweeën.’ Hier leefde hij van.

100 Jaar Eenzaamheid

macondo2

‘De dingen leiden een eigen leven,’ verklaarde de zigeuner met een raspend stemgeluid. ‘Het komt er slechts op aan hun zielen op te wekken.’

‘Weldra zal de mens alles kunnen zien wat er gebeurt, waar ook ter wereld, zonder dat hij zijn huis hoeft te verlaten.’

‘De aarde is zo rond als een sinaasappel.’

‘In deze wereld gebeuren de ongelooflijkste dingen,’ zei hij tegen Ursula. ‘Daarginds, aan de andere kant van de rivier, bestaan allerlei magische apparaten – terwijl wij hier maar leven als ezels.’

Een week lang trokken ze als slaapwandelaars door een heelal van verdriet, bijna zonder te spreken, nauwelijks bijgelicht door het vage schijnsel van lichtgevende insecten, hun longen vervuld van een verstikkende bloedgeur.

‘Zolang je geen dode onder de aarde hebt, hoor je nergens thuis.’

Uit: Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid, vertaling: C.A.G. van den Broek, Meulenhoff Amsterdam, 1972