Vladislav Chodasevitsj: vreugde en last

Het is een vreugde en een last

Het is een vreugde en een last / Een afgetakeld lijf te dragen. / Wat vroeger wild en bloeiend was / Is nu vermoeid en aangeslagen.

Het bloed gaat in een trage stroom / De moegeworden schouders zakken. / Zo neigt een volle appelboom / Onder gewicht van eigen takken.

Gij jongelieden hebt geen weet / Van tederheid en smart die maken / Dat bomen met hun bladerkleed / Eens nog de aarde willen raken.

Uit: De meisjes van Zanzibar, Plantage Leiden, 2000

chodasevitsj-berberova, indipendezia

Chodasevitsj, links op de foto, met zijn geliefde Nina Berberova; bron foto: indipendenza.nl

Vladislav Chodasevitsj (1886-1939, Moskou, Rusland)

Komrij: de zwijgzaamheid

De zwijgzaamheid

Eer maakt men lakens wit met inkt, / Eer speelt men schaak met bezemstelen, / Eer vindt men nog een roos die stinkt, / Eer ruilt men stenen voor juwelen,

Eer breekt men ijzer met zijn handen, / Eer zal men stijgen in valleien, / Eer legt men een garnaal aan banden, / Eer leert men geiten kousen breien,

Eer plant men bomen op de weg, / Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg / En zeg wat ik thans lijden moet.

Uit: Alle gedichten tot gisteren, Singel Amsterdam, 2004

komrij-door-theo-daamen literatuurmuseum.nlKomrij geschilderd door Theo Daamen, bron illustratie: literatuurmuseum.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Het contrapunt bij L.P.Boon

Van contrapunt tot liesbreuk. Het contrapunt ken ik uit de muziek van Bach. Bach was de meester van het contrapunt in de muziek (keerpunt, omkering). Auteur Anna Enquinst schreef een roman met die titel en liet Bach’s werk daarin een rol spelen. Maar ook Louis Paul Boon heeft iets met het contrapunt, zo bleek bij lezen in de kleine omnibus. Zelf had ik twee navelbreuken en 1 liesbreuk, vandaar.

Contrapunt

En op een morgen sta ik op en heb ik een klein hobbelken in mijn rechterlies, precies een ei, en ik dacht dat het een breuk was, maar mijn vader zegt dat het een klier is… dat komt van de ondervoeding zegt hij, nu met die oorlog heeft iedereen klieren van ondervoeding. En Gaston, die in Merxplas gevangen heeft gezeten, vertelt mij dat de SS – om zich te amuseren – een grote ruige hond achter de gevangenen joegen en dat hij, Gaston, moeten lopen lopen lopen had, en gevallen was, en een hobbelken in zijn lies had, een breuk. Maar dat zal wel een klier zijn zegt mijn vader, en mijn zuster ook een, en meneer Valderman ook een. En de dokter komt en zegt dat het een breuk is, een kleine, een breuksken. Godomme, zegt mijn vader, en tegen mij heeft die zelfde dokter gezegd dat het een klier is, zou het dan bij mij ook een breuk zijn?

Uit: Louis Paul Boon Kleine omnibus, Arbeiderspers Amsterdam, 1959

nu.nl, LP boonbron foto: nu.nl

Louis Paul Boon (1912-1979, Aalst, België)

Gerbrandy: kom je

Kom je

kom je / waar kom je / van ga je zo

open? Kijk je een blauw? / Klop je een kamertje? / Loop je een soepel stel benen?

Fluister een tongende schutting van muitende / tanden je buit is een zengende bries / in de wijnstok.

(a voice comes to one in the dark)

Uit: Drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005

youtube, gerbrandybron foto: still uit een Noorderlicht YouTube-video

Piet Gerbrandy (1958, Den Haag)

E. du Perron: het kind dat wij waren

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden: / de rand van het domein van ons geheugen, / de leugen van de kindertijd, de leugen / van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden, / van moeders nachtzoen en parfums in vleugen, / zuiverste bron van weemoed en verheugen, / verwondering en teêrste vriendlijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden, / dit kind in diepe schoot of wijde handen, / met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

’t Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen, / dat wij zo fel en reedloos soms bewenen, / tussen de dode heren en mevrouwen.

Uit: Verzamelde werken, Contact Amsterdam, 1955-1959

du perron, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

E. du Perron (1899-1940, Batavia, Indonesië)

Het schilderij spreekt tot u: Specht en zoon van Willem Jan Otten

Wat het werkelijk betekent om drager te zijn besefte ik pas toen ik in de imprimatuur stond. Er verschijnt iets op je, maar je krijgt het niet te zien. Daar komt het op neer. Steeds detaillerender blikken vang je, steeds minder begrijp je van jezelf.

Natuurlijk, het is een onbeschrijfelijke ervaring om voor het eerst bestreken te worden, aanvankelijk door de brede, platte kwast waarmee de imprimatuur wordt aangebracht, in dit speciale geval: rauwe omber; en daarna, enkele droogdagen later, door het spitse, vliegensvlugge penseeltje dat de omtrek van de voorstelling op je aanbrengt, met schetsende, zichzelf corrigerende bewegingen; en dan, vele weken lang, door de talloze, steeds in dikte en scherpte variërende penselen die langzaam maar zeker dat aan het gezicht onttrekken wat je tot die tijd bent geweest: het doek – maar hoe olieachtig, prikkelend de scheppingsperiode ook is, het doet je allemaal ook steeds schrijnender weten dat je van je eigen bestaan de grote onbekende zult worden.

Nu ik er echt over nadenk, vond ik het boven alles een hersenloze periode, hoe zinnelijk en zinderend het soms ook kon zijn om de verf te voelen opdrogen op mijn huid. Schepper deed niet anders dan neuriën, mompelen, koffiedrinken, een paar stappen achteruit zetten, op zijn lippen bijten, tussen zijn tanden sissen, zijn rechterpink in zijn neus steken, kijken wat hij te voorschijn had gepeuterd, weer naar mij kijken, een tube opduwen, naar het raam lopen, naar de tafel slenteren, de polaroid bekijken, weer op mij afbenen, zijn ogen samenknijpen, een veegje zetten… Hij was, vond ik, op zijn onappetijtelijkst, ik kreeg sterk de indruk dat hij zich om zo te zeggen volkomen onbespied waande, hij was een en al gekijk geworden, niet alleen naar wat hij aan het maken was, maar vooral naar niks, een beter woord heb ik er niet voor, ik vond dat hij heel vaak naar niks staarde, met een lege, om niet te zeggen dode blik, naar de tuin, waar het was gaan dooien, naar de nagelriemen van zijn duim, naar een detail op mij dat hij kennelijk afhad.

(..)

Eigenlijk alleen toen schepper op een plek in het midden, ongeveer een centimeter of twintig links van mijn midden, uitkwam, las ik iets van een schepperspanning van hem af, ik bedoel: leek hij op de schepper zoals ik mij die had voorgesteld en zag ik dat het werkelijk moeilijk en spannend was om te schilderen. Hij schilderde een kwartier lang met de schele aandacht van iemand die een bom demonteert. Welbeschouwd was dit het enige ogenblik waarop ik dacht: ik word iets bijzonders.

Uit: Specht en zoon, Muntinga Amsterdam, 2007

otten, mark krohn, groene.nlfoto: Mark Kohn; bron foto: groene.nl

Willem Jan Otten (1951, Amsterdam)

Komrij: hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt goddank twee goede longen, want als je / Rookt, dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart / Daarbij, want dans je voor je bed een walsje / Dan voel je je, dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zeer fijne neus voor vuile / Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla. / Om het zemelloze kadetje kan je huilen, / En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd, / Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde, / En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp / Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

Uit: Je kon je redden langs een trap van vuur (Ragnarok! Ragnarok!5)

komrij, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Jan Greshoff over verontwaardiging

Uit: Jeugd

Een ZKV (zeer kort verhaal) van A.L. Snijders is de aanleiding. Over het jeudig elan van een jonge vrouw tegenover het oudemannen-cynisme. Over oordelen en vanaf de zijlijn toekijken en ‘het mijne ervan denken’. Over verontwaardiging. Waarop Snijders antwoordde: ‘Alleen als de verontwaardiging in een goede vorm steekt, zei ik, en las haar een verontwaardigd gedicht van Jan Greshoff voor.

Ze hebben alles tot op ’t merg verpest: / God met de clerus en met encyclieken, / de liefde met het gore huwelijksnest / en de natuur met al hun stinkfabrieken.

Wie in ’t geluk hartstochtelijk heeft geloofd / voelt zich teneergeslagen en een ezel, / hij rilt en schaamt zich de ogen uit zijn hoofd / en haat zichzelf tot in zijn diepste vezel.

(..)

Het was decadent om de vorm boven de inhoud te stellen. Ik besloot mijn mond te houden, maar ik had haar willen zeggen dat de vorm de inhoud meesleept, en niet omgekeerd.

A.L. Snijders

Greshoff, Roland Holst, EybersVan links naar rechts: Jan Greshoff, Adriaan Roland Holst en Elisabeth Eybers. bron foto: hetgeheugenvannederland.nl

Jan Greshoff (1888-1971)

Marsman: phoenix

Phoenix

Vlam in mij, laai weer op ; / hart in mij, heb geduld, / verdubbel het vertrouwen – / vogel in mij, laat zich opnieuwen ontvouwen / de vleugelen, de nu nog moede en grauwe; / o, wiek nu op uit de verbrande takken / en laat den moed en uwe vaart niet zakken; / het nest is goed, maar het heelal is ruimer.

marsman, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

H. Marsman (1899 – 1940)

Uit: Verzameld werk, poëzie, Querido Amsterdam, 1938-1947

Ezra Pound: verbond

Verbond

Ik sluit een verbond met je, Walt Whitman – / Ik heb je nu lang genoeg verfoeid. / Ik kom tot je als een volwassen kind / Dat een eigenzinnige vader heeft gehad; / Ik ben nu oud genoeg om vriendschap met je te sluiten. / Jij hebt het nieuwe hout gekapt, / Het is nu tijd om te kerven. / Wij zijn één van wortel en sap – / Laten we ons met elkaar verstaan.

ezra-pound, poetry foundationbron foto: poetryfoundation.org

Ezra Pound (1885 – 1972, USA)

Uit: Selected poems 1908 – 1959, Faber and Faber Londen, 1968; vertaling Ko Kooman