Maurits Mok: julinacht

mok, maurits, nl.wikipedia.orgMaurits (Mozes) Kok; bron foto: nl.wikipedia.org

Julinacht

Julinacht die in de bomen woelde. / Stoeten paarden renden door de bladeren. / Verticale kracht stond om ons heen. / Wij zeiden, het is zomer en ik wist, / dit komt niet weer, dit gaat / met ons verloren. Ook de bomen / zouden hun vergaarde eeuwen afstaan, / tot in hun wortels wankelen en terwijl / zij nog grijpgebaren in de ruimte maakten / prijsgegeven worden aan de dood.

Uit: Laat getijde, BZZTÔH Den Haag, 1985

Maurits Mok (1907-1989, Haarlem)

De Ierse kwestie, ook bij Michael O’Loughlin

OLoughlin1, michael; liwre.fibron foto: liwre.fi

Kun je maatschappelijke beroering onbesproken laten als schrijver? Dat kan, maar dat zoiets moeilijk gaat, blijkt uit het verhaal De taal der stenen van de Ierse schrijver Michael O’Loughlin. De verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster gaat vooral over de banneling, de vreemde. Iemand die besluit zijn eigen huis en haard te verlaten om zich elders te vestigen. Dat komt overeen met de eigen ervaringen van O’Loughlin. Hij verliet Ierland om zich tijdelijk te vestigen in Spanje en Nederland. Inmiddels is hij weer teruggekeerd naar Ierland.

Michael O’Loughlin laat de Ierse kwestie lang onbesproken en dan verschijnt het in De taal der stenen.

Wall was nieuwsgierig, maar was niet van plan iets te vragen. Hij wist waar Goldfarb mee bezig was en ofschoon hij het niet goedkeurde liet hij Goldfarb vaak bij hem slapen als die werd verrast door de avondklok. Hij wist dat Goldfarb soms gewapend was, en dat er problemen zouden zijn als de Engelsen hem hier te pakken kregen. Soms dook hij onverwacht op, meestal buiten zichzelf, vreemd, onherkenbaar, als een lievelingshond die je na een gevecht binnenlaat, stinkend, bloedend, hijgend. Je kijkt in zijn ogen maar hij schijnt je niet te kennen, en je kent je troetelbeest niet meer terug. Maar geleidelijk aan zou hij weer normaal worden.

Wall bracht zijn dagen door in de rokerige vergaderzalen en bestuurskamers van de Dublinse arbeidersklasse. De vakbeweging en de Ierse taal waren zijn twee grote passies. Hij was het niet eens met Collins of de rest van die bende. Organiseren en scholen, dat was de weg voorwaarts voor de arbeiders. Die ruige boeren met hun bommen en revolvers begreep hij niet. Het baarde hem zorgen te zien dat zijn jonge vriend er steeds meer bij betrokken raakte. Maar zij discussieerden er niet meer over. Goldfarb ging rechtop zitten en dronk zijn thee, hij voelde zich al wat beter.

‘Nog steeds in die ouwe boeken, zie ik.’

‘Oh ja. De zoete en koninklijke taal. Je zou het ook moeten leren, weet je.’

‘Wat is daar het belang van, we kunnen toch allemaal Engels spreken.’

‘De taal van de binnendringer. We spraken allemaal Iers tot de Saxen kwamen en we zullen dat weer doen, zo God het wil, als ze weggaan.’

Uit: de taal der stenen; uit: De weeën van de mannen van Ulster, Thoth Bussum, 1994; vertaling Wim Platvoet

Michael O’Loughlin (1958, Dublin, Ierland)

Margaret Atwood over vrouw en paddenkusser

atwood maragaret, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Met waar genoegen lees ik vrouwelijke schrijvers; om dat ze werelden en denkwijzen beschrijven die veelal iets nieuws bieden. Iets dat ik nog niet wist of me nog niet beseft had. Het vrouwelijk perspectief. Ik kom daarop bij het lezen van de korte verhalen van de Canadese Margaret Atwood. De verhalen in de bundel Wenken voor de wildernis gaan over vrouwen en hun relatie tot (meestal) andere vrouwen. Ik besefte dat vrouwelijke vriendschap andere kenmerken vertoont dan de mannelijke. Bij mannen gaat het vooral om wat ze doen en zeggen; bij vrouwen om wie ze zijn en wat ze (voor elkaar) voelen.

In het korte verhaal Gewicht gaat het bijvoorbeeld over twee vriendinnen die nogal uiteenlopende wegen bewandelen. De ene is bij voortduring bezig met loopbaan en stappen zetten op de maatschappelijke ladder; de ander verkiest een rommelig bestaan in de kantlijn. Beiden vonden elkaar in hun wederzijdse zucht naar verandering van de ongelijke wereld waarin systemen mannen bevoordelen.

Molly en ik hadden toen grootse plannen. We zouden alles veranderen. We zouden de code doorbreken, het netwerk van vriendjespolitiek omzeilen, bewijzen dat vrouwen het ook konden, wat het ook was. We zouden het opnemen tegen het systeem, zorgen voor betere echtscheidingsregelingen, strijden voor gelijke beloning. We streefden naar rechtvaardigheid en eerlijkheid. We dachten dat het recht daarvoor was.

We waren moedig maar we hadden het bij het verkeerde eind. We wisten niet dat je bij de rechters moest beginnen.

Maar Molly had geen hekel aan mannen. Bij mannen was Molly een paddenkusser. Ze dacht dat iedere pad in een prins kon worden veranderd als hij maar genoeg werd gekust, door haar. Ik was anders. Ik wist dat een pad een pad was en een pad zou blijven. Het ging erom de aardigste onder de padden te vinden en hun subtielere eigenschappen te leren waarderen. Je moest oog krijgen voor wratten.

Ik noemde dat een compromis. Molly noemde het cynisme.

Uit: Gewicht, uit: Wenken voor de wildernis, Bert Bakker Amsterdam, 1992; vertaald door Barbara de Lange

Margaret Atwood (1939, Ottawa, Canada)

Vladislav Chodasevitsj: vreugde en last

Het is een vreugde en een last

Het is een vreugde en een last / Een afgetakeld lijf te dragen. / Wat vroeger wild en bloeiend was / Is nu vermoeid en aangeslagen.

Het bloed gaat in een trage stroom / De moegeworden schouders zakken. / Zo neigt een volle appelboom / Onder gewicht van eigen takken.

Gij jongelieden hebt geen weet / Van tederheid en smart die maken / Dat bomen met hun bladerkleed / Eens nog de aarde willen raken.

Uit: De meisjes van Zanzibar, Plantage Leiden, 2000

chodasevitsj-berberova, indipendezia

Chodasevitsj, links op de foto, met zijn geliefde Nina Berberova; bron foto: indipendenza.nl

Vladislav Chodasevitsj (1886-1939, Moskou, Rusland)

Komrij: de zwijgzaamheid

De zwijgzaamheid

Eer maakt men lakens wit met inkt, / Eer speelt men schaak met bezemstelen, / Eer vindt men nog een roos die stinkt, / Eer ruilt men stenen voor juwelen,

Eer breekt men ijzer met zijn handen, / Eer zal men stijgen in valleien, / Eer legt men een garnaal aan banden, / Eer leert men geiten kousen breien,

Eer plant men bomen op de weg, / Eer zal men kakken in zijn hoed, / Dan dat ik u mijn ziel blootleg / En zeg wat ik thans lijden moet.

Uit: Alle gedichten tot gisteren, Singel Amsterdam, 2004

komrij-door-theo-daamen literatuurmuseum.nlKomrij geschilderd door Theo Daamen, bron illustratie: literatuurmuseum.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)

Het contrapunt bij L.P.Boon

Van contrapunt tot liesbreuk. Het contrapunt ken ik uit de muziek van Bach. Bach was de meester van het contrapunt in de muziek (keerpunt, omkering). Auteur Anna Enquinst schreef een roman met die titel en liet Bach’s werk daarin een rol spelen. Maar ook Louis Paul Boon heeft iets met het contrapunt, zo bleek bij lezen in de kleine omnibus. Zelf had ik twee navelbreuken en 1 liesbreuk, vandaar.

Contrapunt

En op een morgen sta ik op en heb ik een klein hobbelken in mijn rechterlies, precies een ei, en ik dacht dat het een breuk was, maar mijn vader zegt dat het een klier is… dat komt van de ondervoeding zegt hij, nu met die oorlog heeft iedereen klieren van ondervoeding. En Gaston, die in Merxplas gevangen heeft gezeten, vertelt mij dat de SS – om zich te amuseren – een grote ruige hond achter de gevangenen joegen en dat hij, Gaston, moeten lopen lopen lopen had, en gevallen was, en een hobbelken in zijn lies had, een breuk. Maar dat zal wel een klier zijn zegt mijn vader, en mijn zuster ook een, en meneer Valderman ook een. En de dokter komt en zegt dat het een breuk is, een kleine, een breuksken. Godomme, zegt mijn vader, en tegen mij heeft die zelfde dokter gezegd dat het een klier is, zou het dan bij mij ook een breuk zijn?

Uit: Louis Paul Boon Kleine omnibus, Arbeiderspers Amsterdam, 1959

nu.nl, LP boonbron foto: nu.nl

Louis Paul Boon (1912-1979, Aalst, België)

Gerbrandy: kom je

Kom je

kom je / waar kom je / van ga je zo

open? Kijk je een blauw? / Klop je een kamertje? / Loop je een soepel stel benen?

Fluister een tongende schutting van muitende / tanden je buit is een zengende bries / in de wijnstok.

(a voice comes to one in the dark)

Uit: Drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005

youtube, gerbrandybron foto: still uit een Noorderlicht YouTube-video

Piet Gerbrandy (1958, Den Haag)

E. du Perron: het kind dat wij waren

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden: / de rand van het domein van ons geheugen, / de leugen van de kindertijd, de leugen / van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden, / van moeders nachtzoen en parfums in vleugen, / zuiverste bron van weemoed en verheugen, / verwondering en teêrste vriendlijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden, / dit kind in diepe schoot of wijde handen, / met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

’t Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen, / dat wij zo fel en reedloos soms bewenen, / tussen de dode heren en mevrouwen.

Uit: Verzamelde werken, Contact Amsterdam, 1955-1959

du perron, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

E. du Perron (1899-1940, Batavia, Indonesië)

Het schilderij spreekt tot u: Specht en zoon van Willem Jan Otten

Wat het werkelijk betekent om drager te zijn besefte ik pas toen ik in de imprimatuur stond. Er verschijnt iets op je, maar je krijgt het niet te zien. Daar komt het op neer. Steeds detaillerender blikken vang je, steeds minder begrijp je van jezelf.

Natuurlijk, het is een onbeschrijfelijke ervaring om voor het eerst bestreken te worden, aanvankelijk door de brede, platte kwast waarmee de imprimatuur wordt aangebracht, in dit speciale geval: rauwe omber; en daarna, enkele droogdagen later, door het spitse, vliegensvlugge penseeltje dat de omtrek van de voorstelling op je aanbrengt, met schetsende, zichzelf corrigerende bewegingen; en dan, vele weken lang, door de talloze, steeds in dikte en scherpte variërende penselen die langzaam maar zeker dat aan het gezicht onttrekken wat je tot die tijd bent geweest: het doek – maar hoe olieachtig, prikkelend de scheppingsperiode ook is, het doet je allemaal ook steeds schrijnender weten dat je van je eigen bestaan de grote onbekende zult worden.

Nu ik er echt over nadenk, vond ik het boven alles een hersenloze periode, hoe zinnelijk en zinderend het soms ook kon zijn om de verf te voelen opdrogen op mijn huid. Schepper deed niet anders dan neuriën, mompelen, koffiedrinken, een paar stappen achteruit zetten, op zijn lippen bijten, tussen zijn tanden sissen, zijn rechterpink in zijn neus steken, kijken wat hij te voorschijn had gepeuterd, weer naar mij kijken, een tube opduwen, naar het raam lopen, naar de tafel slenteren, de polaroid bekijken, weer op mij afbenen, zijn ogen samenknijpen, een veegje zetten… Hij was, vond ik, op zijn onappetijtelijkst, ik kreeg sterk de indruk dat hij zich om zo te zeggen volkomen onbespied waande, hij was een en al gekijk geworden, niet alleen naar wat hij aan het maken was, maar vooral naar niks, een beter woord heb ik er niet voor, ik vond dat hij heel vaak naar niks staarde, met een lege, om niet te zeggen dode blik, naar de tuin, waar het was gaan dooien, naar de nagelriemen van zijn duim, naar een detail op mij dat hij kennelijk afhad.

(..)

Eigenlijk alleen toen schepper op een plek in het midden, ongeveer een centimeter of twintig links van mijn midden, uitkwam, las ik iets van een schepperspanning van hem af, ik bedoel: leek hij op de schepper zoals ik mij die had voorgesteld en zag ik dat het werkelijk moeilijk en spannend was om te schilderen. Hij schilderde een kwartier lang met de schele aandacht van iemand die een bom demonteert. Welbeschouwd was dit het enige ogenblik waarop ik dacht: ik word iets bijzonders.

Uit: Specht en zoon, Muntinga Amsterdam, 2007

otten, mark krohn, groene.nlfoto: Mark Kohn; bron foto: groene.nl

Willem Jan Otten (1951, Amsterdam)

Komrij: hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt goddank twee goede longen, want als je / Rookt, dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart / Daarbij, want dans je voor je bed een walsje / Dan voel je je, dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zeer fijne neus voor vuile / Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla. / Om het zemelloze kadetje kan je huilen, / En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta.

Doch iedere avond laat hoor je, als verlamd, / Weer die stem die je zegt dat je in alles faalde, / En: ‘Beter een half uur gelukkig in de zwaveldamp / Dan tien jaar maf tussen de dennenaalden.’

Uit: Je kon je redden langs een trap van vuur (Ragnarok! Ragnarok!5)

komrij, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Komrij (1944-2012, Winterswijk)