Poëzie im Frage: het gedicht als stem, brief

Manifest

Nee, spreek me niet van deze diamant, de ronde kei / Die elk gedicht zou moeten zijn. / Ik wil je stem horen. Je stem

(..)

Ik wil je stem horen. Je stem. Ik wil je stem / Van tollende steden vol zinloze binnenplaatsen, / Je stem die mij kan kleden en mijn ouwe dorst kan lessen / En je stem die alle lauwte uit mij weggestenigd heeft, / Je stem die mij de mens als brood heeft voorgesneden / En je stem die straks mijn keel zal zouten,

(..)

Ja je stem die heftig licht heeft opgehoopt / In de nog niet gelaagde mens, je stem die zingt / Of snikt, je stem die jent / Of mint, maar toch je stem, je stem, tenminste / Een stem.

Uit: Alle tijd van de wereld, Leonard Nolens, Manteau Antwerpen, 1979

Veel duidelijker kan het niet, een stem die in alle toonaarden zingt, snikt, jent, mint. Niet zomaar een anonieme stem, maar – gezegd tegen een dichter – ‘je stem’, waarin die dichter als persoon met zijn hele hebben en houden aanwezig is. Een stem die ook de toehoorder, de lezer, mij, ik, in al zijn vezels raakt, die hem verrukt, houvast geeft, pijn doet en troost, voedt en laaft, die hem doet leven. Inderdaad allerminst een diamant of een ronde kei, geen visselip die lispelt, geen ding. Zozeer als Kouwenaar zich als persoon uit zijn gedichten terugtrekt tot er alleen nog maar het timbre van zijn stem overblijft, zozeer dringt Nolens zich met zijn volle lichaamsgewicht het vers binnen, dat zijn stem nog bijna louter klinkt als de manifestatie van die aanwezigheid. Zijn gedichten zijn als brieven, ze spreken de lezer direct aan met ‘je’, of ze dragen titels als: Tien gedichten voor een vrouw; Tien gedichten voor een vriend; Brief, toevallig in versvorm geschreven; Exit, brief aan een dode, of gewoonweg Brief.

Uit: Over poëzie, Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

nolens, leonard, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Leonard Nolens (1947, Bree, België)

C.O. Jellema: foto negatief

Foto negatief

Met grote vingervlugheid / heb ik de tuin vol bloemen gezet, / het gras gemilimeterd en het / straatje naar de voordeur geveegd;

heb ik de wanden van de kamer aangetikt / om hun klank van kristal, en kranten / op tafel gelegd voor gezelligheid, / een boek open op zomaar een bladzij;

en toen ben ik gaan zitten op een stoel, / met gevouwen handen en volstrekt niet leunend – / zo zat mijn grootmoeder vroeger in ’t zwart, / als een kruisspin in haar web tussen de geraniums.

c_o__jellema2cvisualia.nl_bron foto: visualia.nl

C.O. Jellema (1936 – 2003)

Uit: Lees eens een gedicht – samenstelling T. van Deel, Querido Amsterdam, 1979 

Jules Renard jaagt op beelden

De beeldenjager

(citaten)

In alle vroegte springt hij uit bed, en gaat niet op pad eer zijn geest helder is, zijn hart zuiver en zijn lichaam luchtig als een zomerpak. Proviand neemt hij niet mee. Hij drinkt onderweg de frisse lucht wel en snuift de gezonde geuren wel op. Zijn geweer laat hij thuis, als hij zijn ogen maar openhoudt, is dat voldoende. Zijn ogen zijn de netten waarin de beelden vanzelf verstrikt zullen raken.

Het eerste dat hij vangt is dat van de weg die zijn botten laat zien, zijn gladde kiezelstenen en de opengebarsten aderen van zijn wagensporen, tussen twee hagen vol bramen en wilde pruimen.

Dan vangt hij het beeld van de rivier. Zij heeft blanke ellebogen en slaapt onder de streling der wilgen. Als een vis er even uit opspringt, schittert zij alsof iemand er een zilverstuk in wierp, en zodra er een fijn regentje valt, heeft de rivier kippenvel.

(..)

Daarna stapt hij het bos in. Hij wist niet dat hij zulke fijne zintuigen had. Al spoedig met geuren doordrenkt, ontgaat hem ook het zwakke geritsel niet, en om met de bomen van gedachten te kunnen wisselen, verweven zijn zenuwen zich met de nerven der bladeren.

Maar al gauw wordt hij zo doortrild, dat het hem haast onpasselijk maakt, hij neemt te veel op, het broeit in hem en gist, hij wordt bang, laat het bos achter zich en volgt van verre de boeren die weer terugkeren naar het dorp.

(..)

Eindelijk, thuis gekomen, zijn hoofd zwaar en vol, dooft hij zijn lamp en voor hij inslaapt telt hij, een hele tijd lang, vol welbehagen zijn beelden.

Gedwee laten zij zich herboren worden al naar zijn herinnering het wil. Het ene wekt het andere weer, en onophoudelijk voegen nieuw aangekomenen zich bij de glinsterende schare, zoals patrijzen die heel de dag zijn vervolgd en vaneen gehouden, ’s avonds, beschut voor het gevaar, elkaar zingend toeroepen bijeen te komen in de holten der voren.

Jules_Renard wikipedia

bron foto: wikipedia

Jules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, vertaald door Cees Buddingh’; geïllustreerd door Peter Vos, Meulenhoff Amsterdam, 1970

Marie Vandenberghe had een gezegende schoot

marie vandenberghe

Marie Vandenberghe

Schrijver/essayist Jeroen Brouwers is bekend vanwege zijn boek over zelfmoord onder kunstenaars/schrijvers. Brouwers heeft een zesde zintuig ontwikkeld voor de zwaarmoedigen, de lijders onder de duistere krachten en diegene wiens leven meer lijden dan lust is. Hij verzamelt artikelen en geschriften over de mannen en vrouwen die kampen met het bestaan. Dat levert meestal mooie portretten en rake schetsen op. Altijd interessant.

andre baillon

André Baillon

Zo ook het portret dat hij maakte van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875 – 1932).

‘Ik hou niet van mezelf. Wat ben ik? Een vuurpijl die door de lucht schoot en een schitterende blauwe sterrenregen had moeten worden, maar opeens foetsie.’

Een citaat uit de roman De oorwurm van het Luxembourg die 4 jaar voor de dood van de Antwerpenaar verscheen. In dit boek maakt Baillon de balans op van zijn leven en schrijverij, zijn krankzinnigheden en zielsverdrieten. Saldo van die balans: dat hij zichzelf een waardeloos sujet vond.

Ik was een lul. Lul, lul, lul, ik verafschuwde iedereen die geen lul was.

Er is een periode in het leven van Baillon geweest waarin mislukking en tegenslag minder aan de orde waren. Bijvoorbeeld toen de vrouwen in zijn leven kwamen.

Hij had vrouwen gehad zoals een ander vlooien: ze hadden het bloed uit zijn lijf gezogen; hij wist niet met welk kruid je vrouwen van je lijf kon houden.

En toen kwam hij de vrouw tegen met wie hij zou trouwen. een mooie karakterschets:

Ze heette Marie Vandenberghe. ‘Een groot hart in een grote boezem,’ merkte Baillon op. Ze trouwden op 20 oktober 1902.

In vrijwel al zijn teksten komt Marie voor, – onder welke naam dan ook, zij het merendeels gewoon als Marie. Zij had al heel wat achter de rug toen ze Baillon leerde kennen. Een ellendige jeugd, net als hij, maar dan zo volkomen anders dat zij eruit te voorschijn was gekomen als een pront, door alle waters gewassen, verstandig wijf, goedhartig en aanzienlijk minder verknipt dan haar schrijver. Zij was al vroeg in de prostitutie verzeild, in Brussel, daarna in Londen, maar had er zich uit weten te bevrijden. In het leven van Baillon werd zij de robuuste moeder die zich zorgzaam over hem zou ontfermen. Moeder, minnares en madonna tegelijk en dan nog Marie geheten ook, net als Zij die wordt aanbeden in het weesgegroet, ‘de gezegende onder alle vrouwen’, ‘vol van genade’, met een al even gezegende schoot.

fragmenten uit Woorden met angels, woorden met scharen, over André Baillon, uit: Het circus der eenzaamheid – Jeroen Brouwers, Arbeiderspers Amsterdam, 1994

‘Parijs dat de jeugd minacht’

parijs minacht de jeugd

foto: Pierre-Ange Carlotte, bron: ID-Vice.com

Witold Gombrowicz (1904 – 1969), geboren Pools, vertrok voor de Tweede Wereldoorlog naar Argentinië en kwam begin jaren 60 terug naar Europa. In Argentinië was hij eerst down-and-out, werd bankmedewerker en begon met het publiceren van romans. Zijn bekendste werken: Ferdydurke, De pornografie en Kosmos. Daarnaast schreef Gombro toneel en hield hij dagboeken bij waaruit hij publiceerde.

De terugkeer van de Pool naar Europa was geen succes. Na een teleurstellend Parijs, vertrok hij naar Berlijn waar hij artist-in-residence was op uitnodiging van de Ford Foundation. Gombro kon niet aarden en werd ziek. In het Franse Vence, leefde hij tot aan zijn dood, lijdend aan astma, terug getrokken op het platteland en voldeed moeizaam en met tegenzin aan verzoeken om zijn werk toe te lichten.

Over de thema’s van zijn 3 grote romans zei hij: ‘Ferdydurke gaat over de mens geschapen door de andere mens; De pornografie is de volwassene geschapen door de jeugdige en Kosmos gaat over de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

Voor de Pool Gombrowicz was de jeugd een alles overheersend thema. Het keerde in vele gedaanten in zijn werk terug. Ook in onderstaand fragment waarin hij ingaat op het gevoel dat Parijs hem teleurstelde.

Om welke cultus van de naaktheid is het mij te doen wanneer ik zeg dat Parijs haar naaktheid verloren heeft? Kan ik het nader preciseren? Ik verlang niet van hen dat zij met een simpel hart het lichaam, de natuur en het natuurlijke leven vereren, ik vraag niet dat zij hymnes aanheffen op de nudisten. Maar ik vraag wel van de mens dat in hem (zelfs al was hij een monster) het idee leeft van de schoonheid van het menselijk geslacht, ik zou willen dat hij het volgende niet vergat: ‘Ik behoor tot een ras dat mij verrukt; ik aanbid de schoonheid van de wereld door de menselijke schoonheid.’

Daarom is het belangrijk, dat wij innerlijk nooit met de periode van ons leven breken waarin de schoonheid toegankelijk is, dat wil zeggen: met de jeugd. Want elk later verkregen schoonheid zal altijd onvolledig zijn, misvormd door het gebrek aan jeugd. Daarom is de jonge schoonheid een naakte schoonheid, de enige die zich niet hoeft te schamen.

En wie voortdurend met de jeugd verbonden is, zal nooit van kleren houden. Dat is het fundament van mijn esthetiek. Om deze afkeer van de kleding gaat het mij, daarom zal ik me niet verzoenen met Parijs dat de jeugd minacht.

Uit: Dagboek Parijs-Berlijn – Witold Gombrowicz, Moussault Amsterdam, 1972, vertaling Paul Beers