Vrede met de dood volgens Mayra Montero

Papa Carpaud was goed begraven. De dood wint het altijd als God zich er niet tegen verzet. Iedereen ging zijn eigen weg, en ik vertrok met een rein geweten: ik had de lippen van de overledene dichtgeregen en hem een mes tussen zijn handen gebonden; dat had ik vlug gedaan zodat de pastoor van Jéremie er geen lucht van kreeg. Het lijk van Papa Crapaud was buiten gevaar: noch de man uit Léogane, noch zijn kornuiten zouden hem kunnen wekken; ze konden hem niet van zijn botten beroven, zijn tanden niet uitrukken, noch het stukje huid dat zijn zonde bedekte, afstropen.

De dag daarop kwam ik bij het graf en zag dat de aarde was omgewoeld. Tevreden stelde ik vast dat ik het bij het juiste eind had gehad; een man bewijst zichzelf altijd met het lijk van een ander, en ik bewees wat ik waard was met Papa Crapaud. Ik pakte een handje van diezelfde aarde en kuste die, ik streek ermee langs mijn gezicht en wreef mijn voorhoofd in. De aarde viel een beetje in mijn ogen en kwam in mijn mond terecht. Iets daarvan zakte door mijn keel naar beneden, en toen was ik van binnen vredig.

Vredig wil zeggen met het verdriet op de juiste plaats.

Uit: Jij, de duisternis, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1996

diariocordoba.com, montero mayrabron foto: diariocordoba.com

Mayra Montero (1952, Havana, Cuba)

Wigman: nu ik

Nu ik

Hoeveel boeken moest ik lezen, hoeveel harten / moest ik breken om het licht te zien / dat vrolijk en pervers mijn ziel bevrijdt?

Ik zag met eigen ogen wat mijn handen deden / en hoe ik ook mijn spijt met inkt belaag: / geen hond die twee keer om een klaaglied vraagt.

Ik hang vijf zomermaanden voor mijn raam. / Ik verf mijn hart en leef zoveel ik kan. / En komt de herfst eraan: no pasarán!

Uit: Zwart als kaviaar, Prometheus Amsterdam, 2001

wigman, hpdetijd.nl

bron foto: hpdetijd.nl

Menno Wigman (1966-2018, Beverwijk)

Jeugd Gerrit Komrij: ‘het is of je achterwaarts leeft’

komrij jeugd 2019-05-05 at 19_Fotor

‘Ik vind het – om het mild uit te drukken – nogal onprettig om oude foto’s te bekijken. Ik voel ook altijd de aandrang krijsend weg te rennen, met mijn ene hand mijn haren uitrukkend en me met mijn andere pathetisch op de borst trommelend, als mensen weer eens beginnen herinneringen aan vroeger op te halen. Steeds dezelfde herinneringen. Het is of je achterwaarts leeft, met je rug naar morgen staat. Misschien dat sommigen daardoor de dood (die komende is) een poets denken te bakken, maar voor mij is de walm van nostalgie al net zo verstikkend als de dood.

Er zijn ongetwijfeld veel lessen uit het verleden en de geschiedenis te trekken, maar bewaar me voor dat deel waarin ik zelf rondliep, waaraan ik bijdroeg door bij voorbeeld harteklop, bloedneus, zondagmiddagverveling. Het is bevroren, het staat onder een stolp, en er is een moratorium voor afgekondigd tot aan mijn sterfuur. Probeer het te ontdooien, tik ertegen – en de ontbinding treedt in. Om niet ten prooi te vallen aan de Ontzetting kijk ik naar deze foto als naar een schaakbord, een anatomische les, een oude veldkaart. Het is duidelijk een kiekje van een radiodistributietoestel (‘draadomroep’). Een man die mijn vader moet zijn staat zich te scheren (‘Philips-eitje’) in de buurt van het enige stopcontact. Of slaat hij een borrel achterover? Zijn crapaud wacht in elk geval tot hij klaar is. Een vrouw die mijn moeder moet zijn zit bij een box. Een jongen die ik moet zijn leest in een Prisma-woordenboek. Engels-Nederlands? Nederlands-Engels? Hij is een jaar of tien en heeft geen jongere broers of zusjes. De box is voor het dochtertje van een zuster van zijn moeder. Zijn moeder verzorgt het kind tijdelijk, omdat haar zuster – zijn tante – in het gesticht zit (Het Groot Graffel, Warnsveld). So what?

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert & Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

De (onregelmatige) dosis Nabokov

Uit: Goden

… Vergeef me, dat ik niet kan huilen – gewoon, zoals een mens huilt – maar dat ik steeds zing, ergens naar toe ren, me vastklamp aan alle vleugels die langs me vliegen, groot als ik ben, gehavend met een golf zonnebruin op mijn voorhoofd. Vergeef me. Het moet zo zijn.

We lopen stil langs de omheining. Het kerkhof is al dichtbij. Daar is het – een eilandje van lentewit en -groen te midden van een stoffige kale vlakte. Ga nu alleen verder. Ik wacht hier op je. In je ogen lag een snelle, beschaamde glimlach. Je kent me immers goed… Het hek knarste en sloeg dicht. Ik zit alleen op het spaarzame gras. Verderop is een moestuin: lilakleurige kool. Achter de kale vlakte fabrieksgebouwen, lichte bakstenen kolossen, die in de blauwige nevel zwemmen. Bij mijn voeten, in een trechter van zand, blinkt een gedeukte blikken trommel. Om me heen is het stil en voorjaarsachtig leeg. Er is geen dood. De wind legt zich als een zachte pop van achteren over me heen, kietelt met een donzen pootje mijn nek. Er kan geen dood zijn.

nabokov, the tlsbron foto: the-tls.co.uk

Vladimir Nabokov (1899 – 1977, Amerikaans-Russisch)

Uit: Verhalen 1, Bezige Bij Amsterdam, 1996; vertalingen: Yolanda Bloemen, Anneke Brassinga, Peter Verstegen en Marja Wiebes

Dalton Trevisan herkent voetstappen

Ik heb een tijdje Portugees gestudeerd. En daarbij kwam als vanzelfsprekend Brazilië aan de orde. Ook de Braziliaanse literatuur die onbekend, onbemind en daardoor ondergewaardeerd is in ons kikkerlandje. En daar missen we wat aan. Machado de Assis, Dalton Trevisan, Clarice Lispector of João Guimarães Rosa zijn een paar namen van schrijvers waarvan u de boeken ter hand kunt nemen. Want niet alleen García Márquez kan oneindig mooi over Latijns-Amerika schrijven!

In dit geval aandacht voor Dalton Trevisan (1925). Zoals zoveel Latijns-Amerikanen over de dood schrijven, deed ook Trevisan dat. In het korte verhaal De dode in de zitkamer gaat het in suggestieve woorden en gebaren over een duistere vader-dochter relatie. Situatie, tijd en ruimte spelen hun spel in het oproepen van een donkere wereld. Gaat u er maar even voor zitten:

Hij die, in zijn hoedanigheid van handelsreiziger, nooit lang achtereen thuis was, kwam op zekere dag naar huis om te sterven. Hij trok voor altijd zijn gestreepte pyjama aan, sleepte zich zeurderig van het ene vertrek naar het andere. Hij verried zich door zijn vilten pantoffels, wanneer hij naar de deur sloop om het gevrij van (dochter) Ivete te bespioneren; hij deed de deur niet open en kauwde op zijn tandenstoker, al loerend. Zij kuchte om hem te waarschuwen, en als ze binnenkwam zat hij alweer in zijn schommelstoel. Zijn nietige wraak waren de schoenen, steeds weer de schoenen. Waarom ze poetsen als hij ze nooit meer zou aantrekken? Ivete poetste ze tot ze blonken, zonder dat hij ooit tevreden was, en elke week waren ze weer smerig, de schoenen die niet meer gedragen werden. daar stonden ze nu, op een rij onder de klerenkast. Als haar moeder ze aan de melkboer of de bakker zou geven, zou de dode de trap weer opkomen – ze zou de voetstap herkennen.

Uit: De toppen van Latijns-Amerika, Meulenhoff Amsterdam, 1984; vertaling August Willemsen

dalton trevisanbron foto: cultura.estadao.com.br

Dalton Trevisan (1925, Braziliaans)

J.C. Bloem: alleen

Alleen

De stilte keert. / Na kreet en strijd / Wordt ’t hart gemeerd / Aan de eenzaamheid.

’t Verbitterd hart / Wrok eerst en wrijt, / Steigert, verward, / Voor de eenzaamheid.

Laat af van haat / En wraak en spijt – / De liefde laat / Slechts eenzaamheid.

Wien niets meer rest / Dan stof en steen, / Die is het best / Voorgoed alleen.

jc bloem, vk

bron foto: vk.nl

J.C. Bloem (1887 – 1966)

Uit: Verzamelde gedichten, Stols Den Haag, 1947

Alex Boogers laat lachen om de regen

Alex-Boogers-Foto-Krijn-van-Noordwijk

foto: Krijn van Noordwijk; bron foto: dordtcentraal.nl

In Het Waanzinnige van Sneeuw laat Alex Boogers (1970) hoofdpersoon Remy in het ziekenhuis belanden. Daar ontmoet hij Daniël. Daniël heeft leukemie en gaat zijn dood tegemoet. Daniël is erg jong en kijkt op naar Remy. Als beiden afscheid moeten nemen omdat Daniël gaat sterven, ontspint zich volgende dialoog:

‘Eigenlijk,’ zei ik tegen Daniël, ‘hou ik wel van de regen, maar dan moet het wel heel hard regenen. Het moet plenzen. Zo’n stortbui. Ik hou ervan om in zo’n stortbui te lopen, dus zonder paraplu, en dat ik dan helemaal nat word. Wanneer de straten klimmen, zeg maar, en alles wordt schoongespoeld, en dat je alleen nog maar het gekletter van de regen hoort. Daar hou ik van. Het zou dan ook mooi zijn als je op zo’n moment iemand tegenkomt, iemand die je kent en die ook helemaal natgeregend is, maar die er ook niet om geeft. En dat je elkaar dan aankijkt en je bedenkt dat je elkaar nooit zo hebt gezien, zo doorweekt, zo stralend, en dat je elkaar niet kunt verstaan door het gekletter van de regen, en dat het enige wat je kunt doen is om elkaar lachen. Daar hou ik van.’

(..)

De dingen die ik zou moeten zeggen, die vergeet ik min of meer. Ik denk er wel de hele tijd aan om ze te zeggen, maar op de een of andere manier vergeet ik het gewoon, of dan zeg ik wel iets, maar dan zeg ik heel iets anders dan wat ik wil zeggen. Dan begin ik over het weer te ouwehoeren. Over het weer!

Uit: Het waanzinnige van sneeuw, Podium Amsterdam, 2002

Jotie ’t Hooft: aan mijn ouders

Aan mijn ouders

Nu ik uit uw huis ben, en weg en wekelijks geworden / woon ik dieper in u nu, buiten bereik / van uw vangende armen, maar in de warmte / van uw weldoend hart.

Is het hard geweest, was het bitter en verbitterend, / het is voorbij. / Ik weet wel, het woont nog in ons, zal nooit / geheel verleden zijn, kleeft aan onze wanden / waar het wonden maakte, / ons zelf verwonderde.

Maar met het harde, het kappende en zachte / zijn wij, zoals de leer ons zegt, gestorven / en in en voor elkaar, en vrij, / uiteindelijk geboren.

jotie 't hooft, demorgen.be

bron foto: demorgen.be

Jotie ‘ t Hooft (1956 – 1977)

Uit: Verzamelde gedichten, 1987

Licht: ik denk de echte dood…

zo licht als een veertje

bron foto: zoom.nl

Ik denk de echte dood…

Ik denk de echte / dood is zo licht / als een veertje / dat je / wegblaast in een lucht / bol van zon / en dat schommelend verdwijnt / in het licht dat schijnt / alsof er in de verste verte / nooit een eind aan komt…

Hans Andreus (1926 – 1977), pseudoniem van J.W. van der Zant

Raakte in Duitse dienst gewond aan het Oostfront, deserteerde en ging in het verzet.

Uit: Een keuze uit zijn gedichten, Holland Haarlem, 1967

Dood: twelve songs IX

hond met bot

Twelve songs IX

Stop alle klokken, maak de telefoon kapot, / Belet de hond te blaffen met een lekker bot, / Leg de piano’s het zwijgen op en breng met stille trom / De kist naar buiten, dat de rouwstoet komt.

Laat vliegtuigen cirkelen kermend boven ons hoofd / En in de lucht de boodschap kerven Hij is dood, / Knoop elke stadsduif crêpe strikken om de witte kraag, / Dat de verkeerspolitie zwartkatoenen handschoenen draagt.

Hij was mijn noord, mijn zuid, mijn oost en west, / Mijn werkweek en mijn zondagsrust, / Mijn dag, mijn nacht, mijn woord, mijn lied: / Ik dacht dat liefde eeuwig was: zo is het niet.

De sterren zijn niet welkom nu: doof ze terstond, / Omwikkel de maan en ontmantel de zon; / Giet oceanen leeg de veeg de bossen schoon, / Want er is niets meer nu waar ooit nog iets van komt.

Wystan Hugh Auden (1907 – 1973), Amerikaans

Ongepubliceerd, vertaling Koen Stassijns