Slauerhoff: lof der stoomvaart

Lof der stoomvaart

Voorgoed is ’t zacht, sierlijk gebogen hout / Geweken voor het harde en stijve staal; / Zeilschepen zijn nu schimmen uit een oud / En vaak gedaan, nu gans vergaan verhaal.

Stoommonsters stevenen op alle zeeën, / Geschuwd door de enkle zwartverweerde brik / Die alleen overbleef om eens ons tweeën / Te varen naar het eiland van geluk.

Uit: Op aarde niet en niet op zee – J. Slauerhoff, 100 mooie gedichten gekozen door Henny Vrienten Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 2000

Slauerhoff, mondriaan fonds

bron foto: mondriaanfonds.nl

J. Slauerhoff (1898 – 1936)

Advertenties

A. Roland Holst: de verlatene

De verlatene

De wind en het grauwe weer gaan over mijn hart, / en ergens over een dak waar ik heb bemind; / de winter wordt koud, en de struiken zijn al zwart – / over een plek waar mijn graf zal zijn gaat de wind.

Ik zou vuur maken als zij hier weer bij mij kwam / als eens in dat oud verhaal van haar en van mij; / maar nu sta ik, stil en denkende, bij het raam – / de winter wordt koud; de jaren gingen voorbij.

Uit: Verzamelde werken, Gedichten 2, Van Dishoeck Bussum en Stols Den Haag, 1948

A._Roland_Holst, wikipedia

bron foto: wikipedia.nl

A. Roland Holst (1888 – 1976)

Sophia de Mello Breyner Andresen: portret van een onbekende prinses

Portret van een onbekende prinses

Zodat ze zo’n slanke hals zou hebben / Zodat haar polsen zouden neigen als bloemstengels / Zodat haar ogen zo licht en direct zouden zijn / Zodat haar rug zo recht zou zijn / En ze haar hoofd zo hoog hield / Met zo’n simpele helderheid van voorhoofd / Waren successievelijke generaties slaven nodig / Met kromme lijven en geduldige ruwe handen / Die successievelijke generaties prinsen dienden / Nog een beetje grof en ongemanierd / Begerig wreed en frauduleus

Er was een enorme verspilling van mensen / Zodat zij die perfectie zou zijn / Eenzame balling zonder bestemming

Uit: Obra Poética, Caminho Lissabon, 2001

sophia-de-mello-breyner-andresen, alchetron

bron foto: alchetron.com

Sophia de Mello Breyner Andresen (1919 – 2004, Portugees)

Fleur Bourgonje: paden

Begur-Sa-Tuna-Beach

Begur Sa Tuna, Catalonië, Spanje

Paden

Alfonsina wil naar Tarragona. / Op het hoogste punt van Begur staat haar huis / onomstotelijk, rechtop, eromheen gesteente / met scheuren waarin schorpioenen wonen / onzichtbaar in de zon, levensgroot, / niet te doorgronden niet te horen.

Wat beukt de zee tegen haar leven, / ze is geen rots; wat gaat de wind tekeer. / Toch liggen achter de kaap de schepen stil / en de rijpe vijgen vallen niet van de boom, / tekeer gaan de woorden, het is de taal / die beukt, het zijn tonen.

Waarheid is in Tarragona, drijft in willekeurig welke zee. / Alfonsina doet de luiken dicht / slaat de bedauwde raggen weg: Adeu, adeu. / En de visser vist, hij sleept het net over de bodem / van zijn ziel, hij sleept maar door / terwijl zij het pad afrolt,

ongezien; er rolt zoveel naar beneden / alles van gewicht komt op een dieptepunt terecht / blijft daar liggen tot een nieuwe schok / het in beweging brengt, er slepen zoveel netten / over bodems van zielen zonder dat de vangst / omhooggetrokken wordt.

Fleur Bourgonje (1946)

Uit: Sintering, Atlas Amsterdam, 2000

Gerrit Bakker: de denneappel

Dennenappels

Bron foto: vrijetijdbarneveld.nl

De denneappel

Van alle eigenschappen die de vruchten / tot vruchten maken, / heeft de denneappel er niet één.

Meer lijkt hij op een houten bloem / want wanneer je één voor één / hem van zijn schubben hebt ontdaan, / houd je bijna nog minder over dan niets.

Ook hoog in de boom, in zijn volle glorie / blijft hij een probleem; / pas na de allergrootste aandacht / tekent hij zich tegen zijn achtergronden af:

het suizen van de wind in de naalden / dat doet denken aan het ruisen van de zee.

Gerrit Bakker (1939)

Uit: Ommekeer, Querido Amsterdam, 1975

Paul Gellings: Málaga

Malaga

Málaga

Wat hij wel beleefde / de avond van vertrek.

Hoe vluchtig alles is, een vliegtuig / boven zee en in het volgend zit hij zelf. / Schittering dooft altijd in de haven / van een droom.

Tenslotte kijken van de heuvels huizen eenzaam / naar de stad, vol ruimte en ommuring, / zo heeft hij haar gekend.

Paul Gellings (1953)

Uit: Het oog van de egel, Arbeiderspers Amsterdam, 1990

Robert Bly: de schildpad

zeeschildpad

De zeeschildpad legt eieren op het strand, bron: WNF

De schildpad

Hoe glanst niet de schildpad / die uit het water komt, de rots beklimt / alsof haar lichaam door haar pantser schemert! / Alsof snelle schildpadvleugels opwieken uit de duisternis / een paar hinderpalen namen / en nieuwe ogen vonden. / Een oude man met zijn stok struikelt. / Later vinden wandelaars gaten in de zwarte aarde. / De slak klimt glinsterend langs de natte stam omhoog / als een vliegende engel met slierende zwarte banieren. / Niemand vindt de reusachtige schildpadeieren / die in het binnenland liggen op de bodem van de oude zee.

Robert Bly (1926) Amerikaans

vertaling J. Bernlef

Charles Simic: terugkeer naar een plek verlicht door een glas melk

verlichte koplampen

Verlicht door de koplampen van een passerende auto

Terugkeer naar een plek verlicht door een glas melk

’s Avonds laat houden onze handen op met werken. / Ze liggen opengeslagen, met de sporen van dieren / Trekkend over de pas gevallen sneeuw. / Ze hebben niemand nodig. Eenzaamheid omringt hen.

Terwijl ze dichterbij komen, elkaar raken, / Is het alsof twee smalle beken / Bij het binnenstromen van een brede rivier / De ruk van de verre zee voelen.

De zee is een kamer ver terug in de tijd / Verlicht door de koplampen van een passerende auto. / Een glas melk staat op tafel te gloeien. / Alleen jij kan het nog voor mij bereiken.

Charles Simic (1938), Servisch-Amerikaans

Vertaling Peter Nijmeijer

Vázquez Díaz: met mezelf aan zee

paarsblauwe zee

Voor hem de zee, onaanraakbaar, paarsblauw

Met mezelf aan zee

De zee kan er niet in, / kan vandaag zichzelf niet in, / en ongetwijfeld is het mijn schuld. / Grimmige dreiging, stiltegezwel, spiegel, / waarin de afgrond zichzelf aangaapt. / Een jongen, alleen, hurkt / vlak bij de zee-oever, praat in zichzelf / of misschien tegen de keien. Kijk uit, jongen. / Voor hem de zee, onaanraakbaar, paarsblauw / als het oog van een wild dier. / De zee wacht, gespannen (het is mijn schuld); / de jongen hoeft er maar in te stappen / en ze zou overstromen, plots / zou ze alle havens opslokken. / Kijk uit, jongen, kijk uit! De zee kan / zichzelf niet in, en het is mijn schuld! / De jongen draait zich om en ziet me. / Ik kijk hem strak aan, hij kijkt naar mij / zonder zijn ogen neer te slaan. / Hij glimlacht.

René Vázquez Díaz (1952), Cubaans

Vertaling Stefaan van den Bremt

Nichols: eilandman

het geluid van de blauwe branding

Bij het geluid van blauwe branding

Eilandman

(voor een Caribische eilandman in Londen die nog steeds wakker wordt bij het geluid van de zee)

Ochtend / en eilandman wordt wakker / bij het geluid van blauwe branding / in zijn hoofd / het gestage breken en terugkeren in de schoot

wilde zeevogels / en vissers die zeewaarts gaan / de zon die uitdagend opduikt

uit het oosten / van zijn kleine smaragden eiland / hij komt altijd weer wankel wankel

Komt terug naar stranden / van een grijze metalige vlucht / naar geruis van wielen / naar het doffe Noordelijke Randweg-geraas

zijn kreukelige kussengolven / omwoelend omwoelend / rijst eilandman op

Weer een Londense dag

Grace Nichols (1950) Gyuanaans

Vertaling Jan Eijkelboom