Remco Campert Dicht de Dag en het Leven

Remco-Campert-Stefan-Vanfleteren; hanta.nlfoto: Stephan Vanfleteren; bron beeld: hanta.nl

Bij het overlijden van Remco Campert (1929-2022, Den Haag).

Credo

Ik geloof in een rivier / die stroomt van zee naar de bergen / ik vraag van poëzie niet meer / dan die rivier in kaart te brengen

Ik wil geen water uit de rotsen slaan / maar ik wil water naar de rotsen dragen / droge zwarte rots / wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders / willen droog en zwart van koppen staan / werpen dammen op en dwingen / rechtsomkeert

uit: vogels vliegen toch, 1951

Gemompel

Hoe duidelijker ik ’t wil zeggen / hoe slechter ik uit mijn woorden kom

dit lijkt me een typisch verschijnsel / van het een of ander.

uit: hoera, hoera, 1965

Zeemansliedje

Toen ik klein was / droeg ik een matrozenpakje / mijn moeder nam me mee / naar de vijver in het bos / daar aan een touwtje / liet ik mijn zeilboot varen / de bomen ruisten / de wind kwam van zee

nu is het vele havens later / en mijn moeder dood / nooit vond ik meer / zo’n veilige ree

uit: een oud geluid, 2011

Bezige Bij, Poetry International

Langs het water: beeld met eigen wil

brakman; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Een kort verhaal van Willem Brakman (1922-2008), produktief schrijver, huisarts en ontoegankelijk gevonden door veel van zijn lezers. ‘Ik schrijf voor de goede lezer’, waarbij hij de verstaander bedoelde. Ook Brakman bevindt zich langs het water en ziet het volgende:

Iemand ligt op een boot, hij schommelt zachtjes in de warme zon, hij drijft in het warme water als een menselijke densimeter met wuivend haar, de vingertoppen even boven de oppervlakte. Nog kantelt de kartonnen doos traag op zijn zij achter de roeiriem, nog lacht de foet… dan stoot de boot… iemand van God weet waar buigt zich voorover, ‘Verrek! Daar heb je Moses!’ of ‘Zie, de keizer heeft een zoon’ of Werp hem van de rots!’ of men fluistert ‘Caesar’ of ‘Atilla’ of ‘Nbongo, nbongo’; de eerste stem bepaalt eeuw en planeet. Misschien zou een vrouw naar hem kijken, geheel zichtbaar van voetzool tot het in hemelse koren wuivende haar, hij meende dat hij ernaar verlangde, het zich haast niet meer kon voorstellen hoe dat zou zijn; water, vrouw, man, zon… Twee zonnen. Zijn darmen rommelden, het klonk als allright, allright… dat kwam omdat hij zich ontspande, dat was gezond… hij zou oud worden op deze manier, bruine houten handen hebben met smalle harde toppen en veel aderen. Doodmoe en zat van de angst en somberheid zou hij vol vrede zijn en stille vreugde en langzaam op de bodem spuwen. Een paar grijze slierten moesten daarbij waaien in de wind, dat moet, zo’n beeld had zijn eigen wil, ja die beelden hebben een willetje…

uit: huwelijk van hemel en hel; uit: Langs het water, Atlas Amsterdam, 2002; ism Nederlandse Waterschapsbank

Willen Brakman (1922-2008, Den Haag)

Willem Brakman: ‘ik rekende God mijn ongemakken aan’

Odilon_redon-reflection; wikioo.orgHet schilderij Reflectie van de in het fragment genoemde schilder Odilon Redon; bron beeld: wikioo.org

Hoe schrijf je verhalen die enerzijds de lezers moeten boeien en anderszijds de moeite van het vertellen waard zijn? Het is het motto van de bundel Water als water, in 1965 geschreven door Willem Brakman en gepubliceerd.

Brakman is geen gemakkelijk leesbare schrijver, zeg ik met de kennis van nu. Zijn zinnen zijn wollig, betekenisvol, maar de woorden komen uit een voorbije, vergleden tijd. Het vergt doorzettingsvermogen. Omgekeerd vond Brakman het moeilijk zich te mengen in de buitenwereld. ‘Daar zat een glasplaat tussen,’ zei hij er zelf over.

In het titelverhaal volgen we de jongen die bij de padvinders gaat en ondertussen zijn twijfels uit over zijn omgeving en de personen die daarin verschijnen: zijn broer, moeder, vader en klasgenoten. Maar ook God komt voorbij. In het bijgaande fragment volgt, met humor,  een oordeel over God:

Eigenlijk behoor ik een diep gelovig mens te zijn, gezien het vele dat mij na het bidden en al biddende werd toegestaan, en misschien ben ik dat ook wel, die dingen zijn moeilijk scherp in het oog te krijgen. In mijn jeugd heb ik nooit ook maar een ogenblik gedacht dat God niet zou bestaan en dat is toch de tijd dat zulks het meeste voorkomt, maar Hij bleef wel steeds verbonden met mijn gemis. In de vervulde wensen woonde Hij niet of nauwelijks, en voor mijn gevoel hoort dat ook zo, want daar kunnen we het zelf wel weer aan. Het was geen geloof natuurlijk, geen van minuut tot minuut gedragen zijn, nee ik rekende Hem eigenlijk alleen mijn ongemakken aan, en die waren er altijd vele. Als het leven, maar misschien kan ik beter zeggen mijn leven, ooit ergens mee getypeerd is, dan is het wel met het woord ‘ongemakkelijk’. Mijn leven was altijd een ongelijke strijd met de traagheid die de lichamen eigen is, hun inertie, massa, zwaartekracht, substantie, de gas-, geluids-, warmte- en vloeistofwetten en de vele wetten die zich alleen voor mij voordoen, en dat is altegader niet eenvoudig, maar toch, is men hier eenmaal tussen de onwillige materie en kijkt men om zich heen, dan wil men niet meer weg, hoe vreemd dat ook klinken moge en hoe moeilijk dat tegenover zichzelf te verdedigen is. Ja, daar begint nog weer een heel andere orde van ongemakken en boven dit alles zweeft God, een enorme bol met sluit haar boven de ongemakkelijke wateren, zoals Odilon Redon dat ook al zag, en al het geschapene ligt voor zijn ogen, ik vooral. Maar al beschermde ik op mijn beurt ook het leven tegen het leven, redde ik groot en klein ongedierte, verminderde hun pijn, leed met hen mee en begroef hen zo nodig langs de weg onder mos en bladeren, uitverkoren aangeraakt werd ik echter niet; geen streeltje langs de wang, tikje op de schouder of fluistering in het oor. Hij bleef een soort super-keelarts met de zon op zijn voorhoofd en een mond van ze-zoeken-het-zelf-maar-uit. God is een van onze moeilijkste buren, een strak doodbibbersgezicht gemaakt uit wat stenen, sterren en orgelmuziek, niet in beweging te krijgen, tikje afgunstig ook.

uit: water als water, Salamander, Querido Amsterdam, 1982 (origineel uit 1965)

brakman, willem; ad.nlbron beeld: ad.nl

Willem Brakman (1922-2008, Den Haag)

‘Twee soorten reizigers’, meneer Martinus Nijhoff

Onze Martinus Nijhoff (1894-1953), roepnaam Pom, was de dichter die een belangrijk stempel drukte op de Nederlandse poëzie in de twintigste eeuw. Martinus was de zoon van uitgever Nijhoff. Martinus zat wel eens in het openbaar vervoer, met name in de trein. In het boek Medereizigers (1953) doet hij verslag van een ontmoeting met een medepassagier. Deze laat hem weten dat er twee soorten reizigers zijn:

‘Er zijn twee soorten reizigers, meneer: de plezierreizigers die uitgaan op avontuur en de anderen, de ‘reizigers’ die uitgaan om een tehuis te vinden. Ik heb de hele wereld rondgereisd op zoek naar een veilige plaats om mijn hoofd neer te leggen en ik heb die niet gevonden. Plezierreizen is een distractie, reizen is een gevecht op leven en dood.’

(..)

“Een reiziger kan er niet uitzien als een plezierreiziger, meneer. Ik zal u uitleggen waarom. De reiziger is uit de aard der zaak niet rijk. Hij moet zuinig zijn met de kleren die hij heeft. Hij kan zich niet voor ieder land en iedere mode een passend costuum aanschaffen. Hij kan niet voorkomen dat hij met Franse kleren in Italië reist of met Hollandse kleren in Amerika of met Amerikaanse in Mexico. Hij is altijd anders gekleed dan de mensen van het land waar hij zich bevindt. Dat is één van zijn tragedies. De tweede is, dat zelfs al zou hij zich willen camoufleren, dan zou hij nog herkenbaar zijn. Benen die gewend zijn aan een paardenrug groeien krom, meneer. Handen die vuurwapens hebben gehanteerd verliezen hun onschuld. Men kan andere kleren aantrekken, maar men kan zijn lichaam niet onherkenbaar maken. En dan is er nog iets. Als ú op reis gaat neemt u uw kapitaal niet mee. U draagt wat los geld in uw vestjeszak en laat de rest veilig op een bank staan tot u het nodig hebt. Maar wij, wij hebben iedere cent van ons leven bij ons. Alles wat wij bezitten, wat we verdiend hebben en gestolen; alles wat van ons doen en laten aan ons is blijven kleven. Herinneringen, aanwensels, angsten en misdaden. Wij zijn een dankbare prooi voor ieder wiens occupatie het is in de naam van het recht of het onrecht zijn medemensen een hak te zetten. De douane weet dat zij in onze mars altijd wel de een of andere contrabande kan vinden, de politie weet dat wij ons strafregister meedragen, de pickpocket dat zich ergens in onze zakken al ons geld bevindt, de hoer dat wij al de begeerten van ons lichaam meezeulen, de uitbuiter dat wij snakken naar een vriend. Wij zijn het mikpunt van allen en omdat wij rechteloze vreemdelingen zijn, zijn wij vogelvrij.’

uit: medereizigers, Querido Amsterdam, 1953

nijhoff, martinus; literatuurmuseum.nlbron beeld: literatuurmuseum.nl

Martinus Nijhoff (1894-1954, Den Haag)

Bella Ormseth verwijst met haar paddestoelen naar de Gouden Eeuw

Bella-Ormseth; paddestoel6Bella-Ormseth; paddestoel4Bella-Ormseth; paddestoel2Haar schilderijen vormen een serie: Human Nature. Ik heb het over Bella Ormseth (1968, Den Haag), geboren in NL en tegenwoordig zetelend in Puget Sound, USA. Ze schildert genrestukken in de traditie van de Hollandse meesters van de Gouden Eeuw maar laat paddestoelen de plaats innemen van mensen. De paddestoelen worden geflankeerd door planten en buitensporig grote insecten. Ze hebben menselijke trekken, in gebaren en poses. Ze hangen over een stoel als ze slapen, drinken wijn of staren uit het raam.

Eigenlijk zijn haar schilderijen studies naar het typische Hollandse genrestuk, zoals dat triomfen vierde in de Gouden Eeuw. Ze probeert hetzelfde licht te vangen; dezelfde compositie; het kleurenpalet en dezelfde technieken als de Hollandse meesters voor haar. Denk aan Johannes Vermeer of Pieter de Hooch.

‘Het Hollandse genrestuk is met het uitbeelden van alledaagse taferelen uit het gewone leven een kantelpunt in de westerse kunst geweest. Ver weg van bijbelse en historische taferelen. Het raakte me het dagelijks leven te zien als een onderwerp van kunst. Men zocht niet alleen naar de schoonheid maar vond ook iets wezenlijks in dat dagelijks leven. Ik gebruik de geschiedenis als gids, maar mijn schilderijen gaan over mijn eigen tijd. Mijn ideeën voor een schilderij beginnen met een emotioneel antwoord op iets dat in de wereld gebeurt. In mijn eigen leven, of in dat van de rest van de wereld,’ aldus Ormseth in een toelichting.

Bella-Ormseth; paddestoelscan by Bellevue Fine ArtBella-Ormseth; paddestoel5

Reis is beweging, de oorsprong van het bestaan

‘De oorsprong van het bestaan is de beweging. Daarin kan dus geen onbeweeglijkheid bestaan, want als het bestaan onbeweeglijk was, zou het terugkeren naar zijn oorsprong, die het Niets is. Daarom houdt het reizen nooit op, niet in de hogere, en niet in de lagere wereld.’ Deze woorden van de 12-de eeuwse Arabische wijsgeer ‘Ibn Arabi staan in zijn uitvoerig tractaat over het reizen, de Kitâb al-isfâr, het Boek der Ontsluiering van de Effeceten van het reizen – een msytiek en diep religieus geschrift, waarin alles, God, het universum, de ziel, in het teken van de beweging staat, een beweging die steevast, het hele boek door, met reis wordt aangeduid.

fragment uit: In het oog van de storm, Cees Nooteboom, rede uitgesproken in 1996 ter gelegenheid van het toekennen van de Internationale prijs voor de Reisliteratuur

Weg

Ik ben de weg.

Ik sta als een pijl / gericht op de verte, / maar in de verte / ben ik / weg.

Als je me volgt, / hierheen daarheen hierheen / moet je er komen, / hoe dan ook.

Weg is weg.

nooteboom, cees; lesoir.bebron beeld: lesoir.be

Cees Nooteboom (1933, Den Haag)

Duo dicht de dag

eend

disneyland parijs bestaat vijf jaar / er valt confetti uit de wolken

we zitten aan de lunch / in het new york hotel / sebastiaan en ik lopen naar het buffet / ik til de deksel op / van een enorme vleesschotel / – pap – vraagt sebas – is dat kip? / van de damp beslaat mijn bril / – that’s duck, sir – schiet een ober ons te hulp / het tafelzilver hangt plotseling / op eigen kracht in de lucht / – you mean donald? – vraag ik / wijzend op de eendenborstjes / stilte daalt over de tafels / dan stijgt homerisch gelach op

sebastiaan kijkt niet blij

Uit: Greatest Hits Volume 1, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 2004

chabot, bart; flickr.combron beeld: flickr.com

Bart Chabot (1954, Den Haag)

Water

Water ben ik. Ik stroom. / Stroom doorvaart me.

Waar ik mij bevind word ik / naar sluizen toegezogen

dan zweef ik even / dan val ik ongevaarlijk

dan lispel ik verder – / even leeg.

Ik wil lichamen in me. In een beker wil ik.

Uit: Ons poëtsich dichtersland, V&D ter gelegenheid van Boekenweek 1988; redactie: Ernst van Altena en Jan Veldhuizen

Huub_Oosterhuis; wikipedia.orgbron beeld: wikipedia.org

Huub Oosterhuis (1933, Amsterdam)

 

Duo dicht de dag

schierbeek, bert; boekmeter.nlbron beeld: boekmeter.nl

Voor Anne Frank

in die kleine catacombe / hoog op zolder aan de gracht / met nog net dat ene raam / waarin je de ster nog zag / die je al in je droeg daar heb je / in een schriftje binnen / verwachting en angst / je onsterfelijkheid vast / opgeschreven een licht / waarvoor geen lampenkap / meer nodig was / het stond al vast

Uit: De gedichten, Bezige Bij Amsterdam, 2004

Bert Schierbeek (1918-1996, Glanerbrug)

campert, remco; elseviersweekblad.nlbron beeld: elseviersweekblad.nl

Tegen de zomer

Niets is vernielder dan de warmte. / De kou houdt in stand is statisch / de warmte beweegt met de vernieling mee / en wekt een valse schijn / van zon gezondheid zinvolle zonde. / De warmte vleit paait belooft / maakt stofgoud van stof / liefde van begeerte / poëzie van leugens. / Ik hou niet van de warmte / broedplaats van muggen en maden / poel van limonade en andere slopende dranken. / Schenk me liever klare / kou en koffie. / Destructie bevroren duidelijk zichtbaar / en aanvaardbaar. / Wie in de kou zit schept geen illusies / maar schept sneeuw vrij ongenaakbaar / in de menselijke / soms bovenmenselijke winter.

Uit: Dichter, Bezige Bij Amsterdam, 1995

Remco Campert (1929, Den Haag)

 

Godfried Bomans heeft ongemak op Rottumerplaat

Tijden veranderen. Interesses ook. En waarderingen. In mijn pubertijd vond ik schrijver Godfried Bomans (1913-1971, Den Haag) leesbaar en komisch. Het werk van Bomans voelt gedateerd. Zal wellicht te maken hebben met het feit dat Bomans ook een gevierd katholiek schrijver was. Anno nu zullen er weinig nieuwe lezers van zijn oeuvre zijn.

Enfin, samen met Jan Wolkers mocht Bomans in 1971 een weeklang op het onbewoonde Waddeneiland Rottumerplaat vertoeven. Dat was op uitnodiging van omroep Vara. Contact met de buitenwereld was mogelijk via de mobilofoon en via Willem Ruis. Bomans keek uit naar deze week. Die optimistische houding sloeg echter snel om.

De stoelgang heeft me veel pijn gedaan. Vermoedelijk zagen de meeuwen in dit hurkende wezen een minder weerbaar iemand. Ze snorden in duikvlucht vlak langs mijn hoofd en ik ben blij dat het voorbij is. Het ondergaan van de zon is telkens het mooiste moment van de dag. Ook vlak daarna is alles nog innig, maar dan wordt het donker en weet ik niet goed wat ik moet doen. Voor meteen slapen is het te vroeg. De lamp aansteken met de tent open, dat trekt vliegen aan (muggen zijn hier niet) en om de tent te sluiten, daar heb ik iets tegen. Ik voel me dan in ’n cocon met licht midden in de duisternis en dat maakt me kwetsbaar. Ik blijf nog maar wat buiten zitten met veel kleren aan. Op zulke momenten, meer dan overdag, besef ik werkelijk dat ik alleen ben. Er is daarbij geen moment van ongerustheid. Wel dit: het is natuurlijk allemaal heel indrukwekkend wat je ziet, maar het zou meer zijn als je dit met een ander delen kon. Door zijn antwoord voeg je weer wat bij en kom je op nieuwe gedachten. Hoe lang zou je dit kunnen volhouden zonder in geestelijke inteelt te verzanden? Ik denk, dat voor een sterk iemand, die met veel inhoud hieraan begint, een halfjaar het uiterste is. Daarna is de batterij uitgeput. Misschien brengt een heilige het verder. Hij heeft nog andere toevoerkanalen. dat herinnert me aan wat ik hier het eerste deed. Toen de boot niet meer te zien was ging ik naar binnen en knielde, net als heel vroeger. Ik weet niet, of God bestaat. Maar ik deed het toch.

Uit: Werken 1, De Boekerij Amsterdam, 1996

Godfried Bomans (1913-1971, Den Haag)

Boudewijn Büch: moderne bibliofilie

büch, boudewijn, wikipediabron foto: nl.wikipedia.org

Moderne bibliofilie

Het leed op lompen uitgezet, / met draden in de rug gebonden, / het lood iets zwaarder aangezet: / de dood in vijftigvoud gevonden.

Van schoonheid bijna opgebaard. / Breekbaar mooi zijn op het scherp. / De kunst met zeldzaamheid bezwaard; / het boek van adel, met een sjerp.

Begeerd, gezocht en duur betaald; / hier is het drukwerk in zichzelf verdwaald. / Verkocht, geruild of duur geveild, / raakt ’t in een ander duister weer verzeild.

De letters opgesloten in een kast. / Een taal waar op geen sleutel past.

Uit: Verzamelde gedichten, Atlas Amsterdam, 1995

Boudewijn Büch (1948-2002, Den Haag)