Bij het stoppen met schrijven van Remco Campert

remco campert

bron foto: http://www.vpro.nl

Remco Campert (88) stopte onlangs met wat zijn levenswerk was: schrijven. Op dat moment las ik Een liefde in Parijs. Daaruit een mooi fragment dat kenmerkend voor Campert is. Hij beschouwde zichzelf vooral als dichter.

‘Ik schrijf,’ bekende Richard. Het was voor het eerst dat hij deze woorden hardop uitsprak.

Zijn vader keek hem verbijsterd aan.

‘Je schrijft?’

‘Ja. Gedichten.’

‘Ik… je verrast me. Mag ik ze lezen?’

‘Nee. Ze zijn nog niet goed genoeg. Maar als u me niet gelooft…’ Richard ging de kamer uit en rende de trap op naar zijn kamer om het schoolschrift te pakken waarin hij zijn gedichten – het waren er zeventien nu, niet genoeg voor een bundel – in zijn netste handschrift had opgeschreven.

Terwijl hij het snel doorbladerde, hield hij zijn vader het schrift voor ogen, zodat die duidelijk kon zien dat het om gedichten ging. Zijn vader deed een greep naar het schrift, maar Richard was hem te snel af en verborg het schrift onder zijn jasje. Zijn vader lachte.

‘Ik zei dat ik je niet geloofde. Dus je wilt schrijver worden?’

‘Ja’ was niet het goede antwoord, niet zoals hij het voelde, sinds de sneeuwige dag dat hij het gedicht over de dode geranium had geschreven dat ook over zijn moeder ging.

‘Ik wil geen schrijver worden, ik bén het,’ zei Richard. ‘Ik moet alleen nog beter worden.’

Zijn vader knikte, begon iets te zeggen, zweeg en legde toen zijn hand liefkozend in Richards nek.

‘De kunst,’ zei hij. ‘Weet waar je aan begint. Het zal niet makkelijk zijn.’

Het klonk ongewoon plechtig. Nu drukte hij Richard aan zijn borst.

‘De muze is een hardvochtige minnares. Je zult alles aan haar moeten opofferen.’

Remco Campert (1929)

Uit: Een liefde in Parijs, Bezige Bij Amsterdam, 2004

Nuchtere humor

Wij Ollanders zijn nogal een nuchter, aards en bedeesd volk. Ons maaiveld is het moeras en met moeite ontworstelen we ons aan het water dat vaak aan de lippen staat. In de vaderlandse gedichten zien we dat terug. Dichten mag, maar dan wel leuk! Van no-nonsence naar nonsens is een kleine stap in de lage landen-poëzie. Drs.P kwam op de proppen met plezierdichten en terstond wist iedereen dat deze sympathieke Zwitser de juiste snaar had geraakt.

In navolging van en ter ere: desgevraagd een paar pleziergedichten. Met dank aan Vic van de Reijt, die ze bijeenbracht in: Ik Wou Dat Ik Twee Hondjes Was. (Uitgeverij Bert Bakker, 1982)

van het reve k

Karel van het Reve

Kleine Jantje

Kleine Jantje likte van de – Keukenspiegel al het kwik, – In zijn jeugdige onschuld menend – Dat dit hielp tegen de hik.

Op het kerkhof sprak zijn moeder – Snedig tot mevrouw van Valen: – “’t Was een zure dag voor Jantje – Toen het kwik begon te dalen.”

Cees Buddingh’, 1960

H2O JÉ

In Connecticut – in ‘ n waterput – verdronk mijn tante Eefje

Nog jaren later – dronk oom ’t water – uitsluitend door een zeefje.

John o’Mill, 1956

Er staat een boom in Nederland – Dicht bij het plaatsje Duiven. – Daar groeien rode neuzen aan – En al die neuzen snuiven.

Zodra het echter winter wordt – En het begint te vriezen, – Dan worden al die neuzen paars – En al die neuzen niezen.

Daan Zonderland, 1952

Een rijksambtenaar tweede klasse – Zat ’s avonds zijn voeten te wassen. – Hij wou op het zand – Van het Tesselse strand – Ontkleed zijn verloofde verrassen.

Karel van het Reve, 1954

Braziliaanse poëzie

Pillen en poeders aan de kant, de dichter is weer in het land! A poem a day, keeps the doctor away. De hulpvaardige vrouw in de boekwinkel bracht me op een verlichtend idee: begin de dag met een gedicht.

In een grijs verleden (met de kennis van nu) studeerde ik Portugees/Braziliaans. Het voordeel is dat je in contact komt met een taal/cultuur die anders onder de steen verborgen blijft. Ik maakte kennis met Pessoa, de man met de vele literaire gedaanten. Iedere gedaante bedoelt om een facet van zijn karakter en van zijn dichtkunst voor het voetlicht te brengen.

carlos-drummond-de-andrade

Carlos Drummond de Andrade 

Verder van huis (Brasil) hoorde ik de stem van Carlos Drummond de Andrade. Een bijzondere man met een bijzondere geschiedenis, in wiens leven het weigeren van de Nobelprijs een logische stap lijkt. Een dichter met een verreikende invloed. Verreikend zowel qua tijd (hij beïnvloedde een hele generatie en de navolgers daarvan) als plaats (wereldwijd werd zijn talent her- en erkend).

Op zolder vond ik een dichtbundel met Braziliaanse gedichten uit de 20-ste eeuw. Een Duitse uitgave, want in ons land vindt je niet zo gauw dit soort bloemlezingen. De markt is te klein; geen geld mee te verdienen.

Uit die bundel wil ik gaan citeren. Om kennis te maken met een poëzie die voor de meesten van ons buiten beeld blijft. Een kennismaking dus. Wel in het Duits, maar dat mag de pret niet drukken.

Plezier(ge)dichten

Uit de nalatenschap van H.H. Polzer, ook wel gekend als Drs. P, a.k.a. Coos Neetebeem.

drs-p

Een nieuwe lente en een nieuw geluid – Alleen in Drenthe kijken ze wel uit.

Sikkels klinken – Sikkels blinken – Ruisend valt het graan – Als je iemand weg ziet hinken – Heeft hij ’t fout gedaan.

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten – En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon – Maar verder ben ik helemaal gewoon, – met haaruitval en spijsverteringsklachten.

Ik ween om bloemen in de knop gebroken – En vóór de uchtend van haar bloei vergaan – Ik had er zeven vijftig in gestoken – Je zou zo’n rotzak ongelukkig slaan.

Ambrosia, wat vloeit mij aan? – Uw schedelveld is koeler maan – En alle appels blozen – Ziehier een beeld van mijn gevoel – Zo heb ik er een heleboel – In oude schoenendozen.

Rozen verwelken – En schepen vergaan – Dus ligt niet te melken – Maar doe er wat aan.

Hälfte des Lebens

Gisteravond Pauw gekeken. Kees van Kooten was te gast. Hij mocht, op licht chaotische wijze, de week doornemen en van lichtpuntjes voorzien. Mooie gelegenheid om stil te staan bij het werk van zijn vriend: Gerrit Komrij.

Hoelderlin_1792

Van Kooten vertoefde in Winterswijk om een Komrij-lezing te houden voor middelbare scholieren. Hij liet bij Pauw weten erg onder de indruk te zijn van Komrij’s inspanningen om poëzie onder de aandacht te brengen en te houden. Dat deed Komrij met hart en ziel. En hij kon er op aangename wijze over schrijven. Bijvoorbeeld over het vertalen van poëzie naar het Nederlands, zoals dit werk van Friedrich Hölderlin.

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget und voll mit wilden Rosen das Land in den See, ihr holden Schwäne, und trunken von Küssen tunkt ihr das Haupt ins heilignüchterne Wasser

Weh mir, wo nehm’ ich, wenn es Winter ist, die Blumen, und wo den Sonnenschein, und Schatten der Erde? Die Mauern stehen sprachlos und kalt, in Winde klirren die Fahnen.

Zelf pak ik bij dit soort gedichten (in dit geval Duits) het woordenboek erbij en zoek de woorden op, die ik echt niet ken. In dit geval: holden, tunken, heilignüchtern en klirren. Om met die laatste te beginnen: klirren is wat wij kletteren zouden noemen, maar rinkelen en rammelen kan ook. Rinkelen lijkt me de beste oplossing = in de wind rinkelende vlaggen/banieren.

Dan de zin: ihr holden Schwäne tunkt ihr das Haupt ins heilignüchterne Wasser. Holden is bevallig. tunken = dopen, heilignüchtern is een door Hölderlin zelfgekozen samenstelling. Naar de betekenis moet je raden. Dat het (doop)water is dat nog niet door (een religieus) iemand aangeraakt is, zoiets. Dan kan de zin worden: jullie bevallige zwanen, doop jullie kop in het onaangeraakte water.

Dit is natuurlijk maar een poging tot vertalen met veel mankementen. Ik houd geen rekening met gewoonten, zeden en taalgebruik uit de tijd van de dichter zelve (1700-1800). Ik weet niet wat er in die tijd speelde en waarna de dichter met woorden en zinssneden verwijst. Allemaal zaken die je op z’n minst bij een vertaling mee moet wegen. Juist in dat soort aspecten was Gerrit Komrij een kei. Terecht dat Van Kooten daar naar verwees.

ESQ12005-wigh01.indd

Du bist min, ich bin din

Een oudje dit keer en in het Duits (of moet ik zeggen Diets?) Diegene die het schreef is onbekend gebleven. Dat gebeurt door de tijd. De tijd die sporen wist.

Het gedicht is te vinden in een bundel over Duitse lyriek uit de vroege en late Middeleeuwen, samengesteld door Ingrid Kasten. Het verzamelwerk verscheen in 1995 bij: Deutscher Klassiker Verlag Frankfurt am Main. En hoewel het oud is en Duits, leest het makkelijk weg. Herkenning.

Du bist min

Du bist min, ich bin din,

des solt du gewis sîn.

du bist beslozzen

in mînem herzen,

verloren ist das sluzzelin –

du muost ouch immêr darinne sin.

Eva Wollenberg: the Blue Horse

Fotografe Eva Wollenberg is Frans maar heeft Poolse wortels. De foto’s die ze maakt en waarvan je er hier een paar ziet, zijn onderdeel van een serie. Die serie is getiteld: THE BLUE HORSE.

Het Blauwe Paard is een combinatie van foto’s en gedichten. Foto en gedicht komen tot stand tijdens wandelingen, als een soort dagboek. Thema is meestal grenzen aan vrijheid en hoe definieer je eigenlijk vrijheid? De hemel als plafond, de neiging te ontdekken en wild gras. In deze wereld zijn de paarden natuurlijk blauw. Sommige tam, anderen laten zich niet temmen. Had ik al gezegd dat die vrijheid heel mooi is?

http://evawollenberg.com

blauwpaard1

blauwpaard2

blauwpaard3

blauwpaard4

blauwpaard5

De Dichter H. Marsman

marsman

De dichter H. Marsman. Op de foto bij het meer in Locarno. In een wat vreemde uitdossing. Lange jas, pofbroek (?), witte kousen en schoenen die ook wel wat van pantoffels hebben. Is hij op zijn gemak? Niet in zijn gedichten want:

“Ik wilde dat ik het feit dat ik verzen geschreven heb geheel ongedaan kon maken, of liever het feit dat ik verzen heb gepubliceerd. Ik zou de herinnering daaraan willen uitwissen uit het geheugen der mensen. Het is niet dat ik niet bestand zou zijn tegen kritiek, ik ben niet bestand tegen de onzuivere zelfverdubbeling die door publicatie ontstaat, of liever die al schrijvend ontstaat en misschien ontstaan moet, en die door publicatie, door aanraking met mensen versterkt en verwikkeld wordt.

(…) Ik zou graag mijzelf willen vereenzelvigen met de man die uit mijn verzen spreekt, niet alleen omdat dan mijn strijdlust voor hem in de bres kon springen, maar omdat ik het als een bevrijding zou ondervinden als ik eindelijk gelijkheid en gelijkvormigheid kon ervaren tussen mij en mijn werk. Maar die is er niet. Ik geloof niet dat ik in deze een uitzondering ben, ik geloof dat iedere dichter een breuk zal erkennen tussen zichzelf en zijn werk. Men is nooit los van zijn werk en men is er niet ten volle mee identiek, ziedaar het dilemma, voor een rechtlijnige althans. Poëzie is een hogere waarheid dan wijzelf zijn, daarom kwelt het haar dichters.”

Uit: Naamloos en ongekend

H. Marsman

Fietsen

fiets1

Andrew Wyeth: Young America

Over enkele ogenblikken begeef ik mij op de fiets. Ik ben niet de enige. Ook niet de enige die aan het fietsen woorden geeft. Een viertal gedichten die het fietsen belichten.

Ochtendfietsen

Ochtendfietsen fluiten niet maar malen hun pedalen door de laatste dwarse dromen want het leven is van tranen en behoort aldus te zijn.

Els van Dijk

Katten

Je borsten als katten spinnen in mijn hand. We hebben ver gefietst, door modder en stilte en wilde buien regen en namen van alles wat mee. Tot in je slaap lik ik je schoon.

Theo de Jong

Helemaal niets

Staande aan een modderpoel kijk ik naar mijn glimmende schoenen. Mijn regenjas is een bleke vlek in de nacht. Een eind terug staat mijn fiets, waarvan het licht kapot is. Tot hier ben ik helemaal gekomen. Ik weet niet waarvoor. Eigenlijk weet ik helemaal niets. Ik weet ook niet wat ik wil. Er blijft dus weinig over. En wanneer ook u niets blijkt te zijn of wanneer u zelfs niet bestaat, wat dan?

Kees Ouwens

Anonieme fietser

Het smalle bandenspoor – doorgelopen in de rand – komt aan de andere kant – van de plas te voorschijn

Het strand is twee voet lang – ik staar naar het verdwijnpunt – van de anonieme fietser – takken van eeuwenoude bomen – staan mij in het gezicht te lezen – is stilstaan beter dan bewegen?

Ik trap erin – met opgetrokken knieën – ik wil een fietser worden – voor altijd in een plas

J.Bernlef

Uit: Bulkboek 96, Patty & Theo Knippenberg, 1980