De vogels van Jan Mankes

mankes, vogels6mankes, vogels8mankes, vogels2mankes, vogels4‘Mankes was niet zo goed in figuren, vooral niet in de menselijke, en daarom hield hij zijn voorstellingen plat, schilderde hij de dingen frontaal. Om er leven in te krijgen sloeg hij aan het ‘puimen’: een techniek waarbij de olieverf in dunne laagjes werd aangebracht en met een puimsteen weer werd afgeschuurd. Zo kregen de werken hun dromerige karakter.’, aldus Stefan Kuiper in De Volkskrant van 16 april jl.

Juist die dromerigheid maakt zijn werk bijzonder en uniek, vind ik. Jan Mankes (1889-1920, Meppel) was vooral graficus. Hij kreeg zijn opleiding aan glasschilderfabriek in Delft en volgde daarna avondlessen aan de Haagse academie. Hij schilderde dieren, stillevens, landschappen en portretten. Dat deed hij doorgaans in vlakke, gedempte kleuren waarbij hij ‘puimde’.

Mankes werd niet oud maar was productief. Wat talrijk restte was zijn grafisch werk, vooral de houtsneden. De vele vogels die hij tekende, etste, schilderde zijn vooral door de dromerige stijl een lust voor het oog.

Mankes, vogels1mankes, vogels3mankes, vogels5mankes, vogels7

Walton Ford geeft dieren de teugels in handen

walton ford, the undead 2walton ford, the undead 4walton ford, the undead 6walton ford, the undead 8

Walton Ford (1960, New York, USA) schildert flora en fauna op een allegorische manier waarbij het duidelijk gaat over het mensdom en het milieu.

Ford studeerde eerst film maar legde zich toe op schilderen; de laatste twee decennia op grootse verhalende werken in een naturalistische stijl. De Amerikaan verwijst in zijn werk naar de 19-de eeuwse boek-illustratoren die het wetenschappelijk naturalisme verbeeldden.

Zijn schilderijen zijn bestiale tableaux waarin grappen en grollen een sinistere ondertoon hebben, verwijzend naar kolonisatie, industrialisatie en menselijk ingrijpen in de natuur.

Onze beschaving wordt in de wereld van Ford een raar geval, waarin rollen worden omgedraaid. Het beest heeft de teugels in handen.

walton ford, the undead 5Walton Ford

Roelandt Savery schilderde landschappen met de dodo

savery roelandt, 1savery roelandt, 2Onderstaande tekst komt van:

historiek.net; geschreven op 25 april 2011, update 10 oktober 2014

Roelandt Savery (1576-1639, Kortrijk, België) werd geboren in Kortrijk. In verband met godsdienstperikelen vluchtte hij naar Brugge en vervolgens naar Haarlem. Na een vruchtbare periode in de Nederlanden reisde hij naar het keizerlijke hof van Rudolf II (1552-1612) in Praag, waar hij hofschilder werd. Voor cultureel Europa was het hof van deze keizer in die tijd dé plek om te vertoeven. De keizer had Praag nadat hij zijn vader Maximiliaan II als keizer was opgevolgd namelijk uitgeroepen tot hoofdstad van zijn rijk. Volgens Rudolf was deze stad namelijk beter te verdedigen tegen de Turken dan Wenen.

Cultureel Europa verzamelde zich hierna in Praag. Roelandt Savery kwam in deze stad dan ook in contact met tal van grote kunstenaars, architecten, wetenschappers, filosofen en humanisten.

savery roelandt, 3savery roelandt, 4In Praag zag Savery, een groot dierenliefhebber, voor het eerst veel exotische dieren zoals leeuwen, ara’s en dodo’s. Sommige van die dieren kon hij in levende lijve bekijken in de keizerlijke dierentuin. Samen met de uitzonderlijke fauna en flora en de weidse landschappen vormden deze dieren de inspiratiebronnen voor veel van zijn fantastische schilderijen. Savery schilderde bij voorkeur fantastische taferelen, vaak met bijbelse en mythologische voorstellingen en vooral met dieren. In zijn werk zijn veel invloeden te zien van Gillis van Coninxloo (1544-1607).

savery roelandt, 5savery roelandt, 6Zijn afbeeldingen van de uitgestorven dodo worden vandaag de dag nog door kunsthistorici en biologen onderzocht. Ze fungeren namelijk als een van de weinige resterende bronnen aan de hand waarvan het fysieke voorkomen van de mythische vogel eventueel kan worden gereconstrueerd. Of Savery in Praag een levende of opgezette dodo zag is overigens niet duidelijk.

Savery was in zijn tijd een zeer gerespecteerd kunstenaar. Niet voor niets werd hij hofschilder in Praag. Eerder was hij bij het huwelijk van prinses Amalia van Solms met de prins van Oranje-Nassau al gevraagd om een paradijs met dieren te schilderen. Daarnaast bestelden onder meer koning Karel I van Engeland en de keurvorst van Liechtenstein werken van Savery.

Vroman: De kikker en de koe

De kikker en de koe

Een kikker knorde tot een koe. / Deze sprak later zachtjes: boe.

Beiden vonden hun gesprek / eerder te langzaam dan te gek.

De kikker vroeg dan ook een paling, / de koe een loopeend om vertaling.

Het aldus zeer verrijkte kwaken / moest alles duidelijk maken;

de paling echter en de eend / geraakten van verschil gemeend.

Zij riepen dus een wouw, een wulp, / een baardvlieg en een baars te hulp.

De baars begreep dit alles niet / en wendde zich wenend tot het riet.

Het riet lispelde eerst voor zich uit; / toen boog het zich en ruiste luid.

De dieren zwegen, luisterden. / Het riet siste, en fluisterde,

het sprak tot allen tegelijk; / tot de twee honden op de dijk,

tot meeuwen, in het gras verloren / (branding nog dreunend in hun oren),

tot het wapperend graaspaard in die wei / (het hief het hoofd; het kwam nabij),

een mens opende zijn raam zelfs wat / en fluisterde: ‘sssst… hoor je dat…’

moraal

tegen het spreken is gezang / dat niets beduidt van groot belang.

vroman, jeroen henneman, groene.nlVroman getekend door Jeroen Henneman; bron illustratie: groene.nl

Leo Vroman (1915-2014, Amsterdam)

Uit: Gedichten 1946-1984, Querido Amsterdam, 1985

We kunnen nauwelijks zonder verhaal, zonder gebeurtenissen en personages; zij zijn de definities in actie.

Enerzijds is er de werkelijkheid, anderzijds zijn er de verhalen. Die zijn er zodra we over de werkelijkheid spreken. Alleen de dieren leven zonder verhaal. Daarom verzinnen wij er over hen, in hun plaats.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Eva Gerlach: lievelingsdieren

pissebed, gelderlander.nlbron foto: gelderlander.nl

Lievelingsdieren

Tussen de stenen hollen de platte, brede / pissebedden omlaag naar het donker. Vergeten / toen het nog koud was te kijken: hoe overwintert / een dier dat zo lijkt op herinnering, / zo afvalkleurig, met zijn hoofd naar binnen / en doodstil bij de minste aanraking.

Ik weet een kind dat van ze houdt, het streelt / hun dadelijk verstijvende stofjassen, / draagt ze tussen twee handen de kamer door. / O! zachte pootjes hebben ze, mag ik ze niet / houden in een kistje met onderaan glas? / Daar kijk ik de hele tijd naar, daar zing ik dan voor.

Eva Gerlach (1948)

Uit: De kracht van verlamming, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

Jules Renard jaagt op beelden

De beeldenjager

(citaten)

In alle vroegte springt hij uit bed, en gaat niet op pad eer zijn geest helder is, zijn hart zuiver en zijn lichaam luchtig als een zomerpak. Proviand neemt hij niet mee. Hij drinkt onderweg de frisse lucht wel en snuift de gezonde geuren wel op. Zijn geweer laat hij thuis, als hij zijn ogen maar openhoudt, is dat voldoende. Zijn ogen zijn de netten waarin de beelden vanzelf verstrikt zullen raken.

Het eerste dat hij vangt is dat van de weg die zijn botten laat zien, zijn gladde kiezelstenen en de opengebarsten aderen van zijn wagensporen, tussen twee hagen vol bramen en wilde pruimen.

Dan vangt hij het beeld van de rivier. Zij heeft blanke ellebogen en slaapt onder de streling der wilgen. Als een vis er even uit opspringt, schittert zij alsof iemand er een zilverstuk in wierp, en zodra er een fijn regentje valt, heeft de rivier kippenvel.

(..)

Daarna stapt hij het bos in. Hij wist niet dat hij zulke fijne zintuigen had. Al spoedig met geuren doordrenkt, ontgaat hem ook het zwakke geritsel niet, en om met de bomen van gedachten te kunnen wisselen, verweven zijn zenuwen zich met de nerven der bladeren.

Maar al gauw wordt hij zo doortrild, dat het hem haast onpasselijk maakt, hij neemt te veel op, het broeit in hem en gist, hij wordt bang, laat het bos achter zich en volgt van verre de boeren die weer terugkeren naar het dorp.

(..)

Eindelijk, thuis gekomen, zijn hoofd zwaar en vol, dooft hij zijn lamp en voor hij inslaapt telt hij, een hele tijd lang, vol welbehagen zijn beelden.

Gedwee laten zij zich herboren worden al naar zijn herinnering het wil. Het ene wekt het andere weer, en onophoudelijk voegen nieuw aangekomenen zich bij de glinsterende schare, zoals patrijzen die heel de dag zijn vervolgd en vaneen gehouden, ’s avonds, beschut voor het gevaar, elkaar zingend toeroepen bijeen te komen in de holten der voren.

Jules_Renard wikipedia

bron foto: wikipedia

Jules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, vertaald door Cees Buddingh’; geïllustreerd door Peter Vos, Meulenhoff Amsterdam, 1970

Yassine Alaoui Ismaili: Casablanca, not the movie

Fotograaf Yassine Alaoui Ismaili (1984, Marokko) maakte de serie Casablanca Not the Movie tussen 2014–2018. “Casablanca Not the Movie is een lange termijn-project dat ik begon in 2014. Het is zowel een liefdes-brief aan de stad waarin ik me thuis voel als een poging om het visuele beeld te nuanceren. Vooral voor diegenen die Marokko’s beroemdste stad kennen van snapshots, filmbeelden of oriëntaalse fantasieën. De titel van het project verwijst naar de filmklassieker uit 1942: Casablanca. Overigens niet gefilmd in de stad zelf, maar in een Hollywood-studio.”

Yassine Alaoui Ismaili 2

Yassine Alaoui Ismaili 4

Yassine Alaoui Ismaili 6

Yassine Alaoui Ismaili 1

Yassine Alaoui Ismaili 3

Yassine Alaoui Ismaili 5

Bij Jan Wolkers vergaat de lust

Uit: De achtste plaag

wolkers henk bleeker

foto: Henk Bleeker

Je moet hem maar altijd zijn zin geven, zei mijn vader. Door de damp die van zijn volle bord afkwam keek hij met een sombere blik naar mij. Ik boog mij voorover en probeerde met het botte mes het biefstukje te snijden.

Het was toch zijn konijn, zei mijn moeder. Ik kan me dat wel indenken.

Hield hij maar altijd zoveel rekening met ons, zei mijn vader. Hij moet maar eens leren te eten wat de pot schaft. Je maakt er zo onmogelijke kinderen van. Ik begrijp niet waarom hij in de keuken moet eten. Hij hoeft toch niet op onze borden te kijken.

De koning moet altijd apart eten, zei mijn broer.

Nu kunnen we maandag tenminste dat stinkhok aan de vuilnisman meegeven, riep mijn zuster. Je rook dat beest al als je de voordeur binnenkwam.

Hou daarover op onder het eten, zei mijn vader. Jullie hebben nog steeds niet geleerd dat er een tijd van spreken is en een tijd van zwijgen.

Zo nu en dan hoorde ik met een holle klank een bot op het tinnen bord neerkomen. Mijn ogen vulden zich met tranen. Het vlees dat ik in mijn mond had zat als kauwgom tussen mijn tanden.

Die nek is verrukkelijk, zei mijn vader smakkend en zuigend. Je kan er het vlees bijna afzuigen.

Ik keek naar binnen. Hij trok de wervels met zijn vingers uit elkaar. Als hij er een had afgekloven legde hij  hem op de rand van zijn bord als een damschijf.

Er zou vuur uit de hemel moeten komen, dacht ik. Als God bestond zou Hij mijn konijn weer levend kunnen maken. Maar mijn broer bleef gewoon lange draden roodbruin vlees met zijn tanden  van een achterpoot trekken.

God bestaat niet, zei ik ineens.

Wat zeg jij daar, zei mijn vader. Hij legde de rest van de nek op zijn bord en veegde zijn vingers aan het servet af.

Hij zit te huilen om dat beest, zei mijn moeder. Hij weet zelf niet goed wat hij zegt.

Maar ik weet het des te beter, zei mijn vader. Ik maak me nu niet kwaad op je, ik laat me dit heerlijke paasmaal niet door jou bederven. Jij eet binnen vijf minuten je bord leeg en dan ga je op staande voet naar boven en op je knieën. En dan bid je net zo lang tot God wel bestaat!

Jan Wolkers (1925 – 2007)

Uit: De hond met de blauwe tong, Meulenhoff Amsterdam, 1964