Buddingh’: obsessie

Obsessie

Uit de verschanste schoorsteen waait / roet in ons schamel eten; / een onervaren zoeklicht zaait / onkruid in ons geweten.

De wolf heft zijn bebloede klauw / over de laatste rozen; / het vuur danst vloekend door het woud / en doet de hemel blozen.

De leeuwrik klimt in ’t wolkenwant / en keert niet meer terug; / een argeloze vlinder plant / een mes in onze rug.

Uit; Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Buddingh, literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

Frida Domacassé: herfst

Herfst

In mijn haren / onder mijn voeten: / goud, goud, goud. / Mijn antilliaanse botten / vrezen ’t allerergste: / ’t wordt weer / koud, koud, koud.

Uit: De geur van ieder seizoen, 521 Amsterdam, 2003; inzending poëzie-wedstrijd 1994

bibliotecanacional.aw, domacassebron foto: bibliotecanacional.aw

Frida Domacassé (1938, Aruba)

Buddingh’: de halvemaanvis

De halvemaanvis

De halvemaanvis / Heeft toch zo’n verdriet, / Omdat niemand hem ooit eens / Voor vol aanziet.

Hij houdt zich stilletjes / Schuil tussen ’t wier, / En denkt: was het vast maar / Mijn laatste kwartier.

Soms rolt er een traan / Langs zijn neus naar benee; / Maar wat wil één zo’n traan / In die eindeloze zee?

Uit: Het mes op de gorgel, Bruna Utrecht, 1960

Kees_Buddingh, regionaalarchiefdordrechtbron foto: regionaalarchiefdordrecht.nl

Cees Buddingh’ (1918-1985, Dordrecht)

John Ruskin concludeert over schoonheid…

ruskin 2ruskin 4In zijn fascinatie voor schoonheid en de toe-eigening daarvan, kwam Ruskin tot vijf bepalende conclusies: ten eerste is schoonheid het gevolg van een complex samenspel van factoren die een psychologische en visuele invloed uitoefenen op de geest. Ten tweede hebben mensen de aangeboren neiging op schoonheid  te reageren en naar het bezit ervan te verlangen. Ten derde bestaan er vele banale uitingsvormen van deze bezitsdrift, waaronder het verlangen souvenirs en tapijten te kopen, je naam in zuilen te kerven en foto’s te nemen. Ten vierde is er slechts één manier om je schoonheid werkelijk eigen te maken, en dat is door het wezen ervan te doorgronden, door je bewust te worden van (psychologische en visuele) factoren die ervoor verantwoordelijk zijn. En tot slot kun je, om op doeltreffende wijze tot dit bewuste begrip te komen, nog het best proberen mooie plaatsen door middel van kunst te beschrijven, zonder je erom te bekommeren of je daar wel of geen talent voor hebt.

ruskin 1ruskin 3

Uit: De kunst van het reizen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 2002; vertaling  Jelle Noorman

Alain de Botton (1969, Brits)

John Ruskin (1819 – 1900, Engels)

Stevie Smith: ik zwaaide niet maar verdronk

ik verdronk

Bron: Belga

Ik zwaaide niet maar verdronk

Niemand hoorde hem, de dode, / Hoewel zijn klacht nog steeds weerklonk: / Ik was veel verder in zee dan je dacht / En ik zwaaide niet maar verdronk.

Arme kerel, steeds voor een grapje klaar / Nu is hij heen / Zijn hart zal wel van de kou bezweken zijn, / Zei iedereen.

Ach nee nee nee, het was altijd al te koud / (Zei zijn klacht die nog steeds weerklonk) / Ik was mijn hele leven al te ver / En ik zwaaide niet maar verdronk.

Stevie Smith (1902 – 1971), Engels, vertaling Paul Claes

Romeo en Julia: liefde en dood

Romeo_and_juliet_brownDe situatie:

Uit bloeddoordrenkte lendenen creëren de kampen twee geliefden die, misleid door lot en sterren, jammerlijk kreperen: hun dood begraaft de ouderlijke strijd.

Jawel, het gaat om Shakespeare’s beroemde toneelstuk Romeo en Julia in een vertaling van Gerrit Komrij. Voor mij een mooie gelegenheid om kennis te maken met het werk van de invloedrijkste schrijver van de laatste 500 jaar (toe maar, overdrijven is geen kunst, dat blijkt). Dan bedoel ik niet Komrij, die ik bewonder, maar de Engelsman, die als geen ander de menselijke (on)deugd precies beschreef. En daar gaat het om in het ambacht: precies beschrijven.

In dit hoofdstuk gaat het om de introductie van Romeo.

De vader van Romeo (Montecchi) over wat hem aan zijn zoon opvalt:

Al menige ochtend werd hij daar gezien, zijn tranen voegend bij de verse dauw. Wolken omwolkend met zijn diepe zuchten. Maar nauwelijks maakt de zegenende zon zich in het allereerste oosten op de schaduwvoorgang van Aurora’s bed opzij te schuiven of mijn duistere zoon sluipt uit het zonnelicht vandaan en sluit zich eenzaam in zijn kamer op, de luiken gaan dicht, de schitterende dag blijft buiten. Hij schept zijn eigen, nagebootste nacht. Zoveel zwartgalligheid is onheilspellend als niet een goede raad de oorzaak wegneemt.

Een bezorgde vader en een zoon die lijdt, dat is duidelijk. De vader is bereid naar een oplossing te zoeken. Hij heeft er ook al met zijn zoon over gesproken:

Niet enkel ik, ook een groot aantal vrienden. Maar hij, als raadsman van zijn eigen hartstocht, is wat zichzelf betreft – terecht of niet – maar toch – zo onbereikbaar en gesloten, zó moeilijk te doorgronden en te peilen – een bloemknop waar een boze worm aan knaagt nog voor haar zoete blad de lucht bedwelmt of zich haar schoonheid aan de zon kan wijden. Als we de bron van zijn verdriet maar kenden: we draalden geen moment om hem te helpen.

En Romeo zelf dan? In een gesprek met zijn neef wil hij wel iets loslaten. Eerst maar eens het gevoel dat hem bedrukt.

Zo erg is het wat liefde ons berokkent. Zwaar is het leed dat in mijn hart al rust, nog zwaarder wordt het als je wordt gekust door jouw meelevendheid. Je geeft om mij, maar voegt daardoor ook mijn teveel nog bij. Liefde is een rook, uit zuchten, ijl, gemaakt. Wanneer ze optrekt vuur – de minnaar blaakt. Wanneer ze indikt zee – de minnaar weent. Wat is ze verder nog? Heldere waanzin, een weke zuil, een zachtheid die versteent. Adieu, neef.

De neef constateert liefdesverdriet. Maar wie dan, wie is de beminde? Een mooie vrouw blijkt. Zijn neef: ‘Het mooiste wild, neef, wordt het eerst geschoten.’ Dan vervolgt Romeo:

Nu schiet je mis. Zij wil voor Amors pijl geen doelwit zijn, doet als Diana koel, en op het pantser van haar kuise harnas ketst al wat Cupido bekokstooft af. Ze laat zich niet door liefdesbeden vellen, door indiscrete blikken attaqueren, geen goud, dat heiligen verleidt, ontdooit haar. O, ze is rijk aan schoonheid, maar ook arm, want als ze sterft is al haar rijkdom weg.

Uit: William Shakespeare, Romeo en Julia, vertaald door Gerrit Komrij, Bert Bakker, Amsterdam, 1988

wordt vervolgd

Alice in Wonderland: een buitengewoon moeilijk spel

Niets leuker dan verhalen! Verhalen die ruimte laten voor eigen invulling. Die de fantasie prikkelen.

Ik kom op Lewis Carroll, de schrijver van Alice in Wonderland/Achter de spiegel en wat Alice daar aantrof. Dit boek biedt talloze aanknopingspunten, ideeën, suggesties en is een bron van inspiratie voor wie zelf creatief met woord (en beeld) wil zijn.

Een voorbeeld:

Nog nooit in haar leven, dacht Alice, had ze zo’n raar croquetveld gezien: het was één en al kuil en greppel; de ballen waren levende egels, de hamers levende flamingo’s en de soldaten moesten zich dubbelvouwen en op handen en voeten staan om de poortjes te vormen.

De grootste moeilijkheid, zoals Alice direct vaststelde, was het hanteren van haar flamingo. Het lukt haar om zijn lijf tamelijk handig weg te werken onder haar arm, met de poten omlaag, maar nauwelijks had ze zijn hals netjes uitgestrekt en stond ze op het punt de egel een klap te verkopen met de kop van de flamingo, of dáár draaide hij zich potverdikkie alweer om en keek haar zo verbouwereerd aan dat ze onwillekeurig in de lach schoot. En als ze zijn kop omlaag had  en weer wilde beginnen, bleek de egel zich tot haar grote ergernis uitgerold te hebben en bezig te zijn met wegkruipen. Afgezien van dit alles was er meestal een kuil of greppel precies op de plek waar ze de egel heen wilde slaan; en aangezien de dubbelgevouwen soldaten voortdurend opstonden om naar andere gedeelten van het terrein te wandelen, kwam Alice al gauw tot de conclusie dat het een buitengewoon moeilijk spel was.

(..)

“Ik vind dat ze helemaal niet eerlijk spelen”, begon Alice nogal klaaglijk, “en iedereen maakt zo’n verschrikkelijke ruzie dat je jezelf niet eens kan verstaan – en het lijkt wel of er helemaal geen regels zijn; en als die er wel zijn houdt niemand zich eraan – en u heeft geen idee hoe verwarrend het is dat alle dingen leven.”

Alice_par_John_Tenniel_30

De illustratie is van John Tenniel

T.S. Eliot: The Waste Land, vertaling Paul Claes

Fragment: ‘ April is de grimmigste maand, hij wekt seringen uit het dode land, vermengt herinnering en verlangen, port lome wortels op met lenteregen. De winter hield ons warm, hulde de aarde in vergetele sneeuw, voedde een restje leven met verdorde knollen.’

The Waste Land stamt uit 1922 is een modernistisch gedicht waarin de teloorgang van de beschaving en de uitzichtloosheid van het bestaan op tal van manieren beschreven wordt.

Kind

Je klare oog is het enige volkomen mooie ding. Ik wil het vullen met kleur en eenden. De dierentuin van het nieuwe, wiens namen je overdenkt: Aprils sneeuwvlok, Indiaanse pijp, kleine stengel zonder rimpel. Vijver waarin beelden groots en klassiek zouden moeten zijn. Niet dit verwarde handengewring. Deze donkere zoldering zonder ster.

Sylvia Plath

Uit: Winter Trees, 1975

Billie Jean: illustrator

billie jean

Een doelgerichte wereld met daarin grafische absurditeiten, dat is wat de Londenaar Billie Jean schept. Billie Jean is geen vrouw, maar een man wiens echte naam Samantha is. Van origine afkomstig van het eiland Sri Lanka. Daar is Samantha een jongensnaam, aldus Billie Jean zelf.

Het is een gedoetje dat wat hij tekent. Banale voorwerpen die verwijzen naar onze consumptiemaatschappij waar overvloed de boventoon voert. Maar: “De waarheid is zeldzamer dan de fictie”, laat hij weten. Als 16-jarig talent levert Billie Jean al illustraties aan de Sunday Times.