Jeroen Brouwers schrijft voor de eeuwigheid (en aan een oeuvre)

brouwers, jeroen; volkskrant.nlbron foto: volkskrant.nl

Journaliste Bibeb (pseudoniem van Elisabeth Maria Soutberg, 1914-2010) interviewde schrijver Jeroen Brouwers in 1988 voor Vrij Nederland. Brouwers vertelt over het boek Winterlicht dat hij schreef in depressieve toestand. ‘Ik ben iemand die toch om negen uur achter z’n werktafel zit, potlood in de hand. Niet toegeven aan die slopende angst.’

Bibeb: Je voelt de angst aankomen?

Brouwers: ‘Het overvalt je als pijn. Je voelt je bedreigd, je denkt: ik ben volstrekt mislukt, onbeschrijfelijke apocalyptische angst. Na mijn zelfmoordboek leek ik als verlamd. Maar je moet opstaan, je scheren, aankleden en proberen te werken terwijl zeven regels je afmatten alsof je met loodzware zakken naar vier hoog bent geklommen. Soms slik ik pillen, maar dan voel je je als een soort theemuts, de intelligentie verdampt. Dus je denkt, verdomme, ik ben schrijver, geen pillen meer. Het fatalistische sta ik niet meer in mezelf toe. Je moet zin geven aan je leven, je moet sporen nalaten. Om die opmerking ben ik aangevallen. ‘Jeroen Brouwers beweert: hij schrijft voor de eeuwigheid.’ Maar ik heb van het begin af gezegd, ik ga niet een boek schrijven, ik werk aan een oeuvre. Daarmee stel ik mijzelf een taak. Niet ieder boek dat ik afscheid is een meesterwerk, maar het is wel een spoor van mij. Waar zijn mijn ouders gebleven, waar zijn hun sporen? Nergens. Mijn grootvader was componist, hoe onbenullig die composities ook waren, het zijn sporen. Je moet zin geven aan een onzinnig bestaan. De zin van het leven is schrijven.’

Uit: Het moet pijnlijk blijven, de mooiste schrijversinterviews; samenstellers Frénk van der Linden en Freddy van Thijn, Contact Amsterdam, 2011

Jeroen Brouwers (1940, Djakarta, Indonesië)

Kleren maken de man; de weeën van Ulster mannen: Michael O’Loughlin

o'loughlin, michael, youtubebron foto: YouTube.com

Michael O’Loughlin is Iers, dichter en essayist. Ik las zijn verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster. In die bundel gaat het over het thema balling. Balling in eigen land, vreemdeling in het buitenland. In de meeste verhalen is de hoofdfiguur zoekend naar de betekenis van het ontheemd zijn.

In onderstaand fragment aandacht voor kleding. Kleding die bijdraagt aan identiteit, die iets zegt over wie je bent (of zou kunnen zijn).

Kleren, ik geef het toe, zijn altijd een obsessie voor me geweest. Ik werd algemeen gezien als de best geklede man op de Kunstacademie (niet dat er veel concurrentie was), en ik heb dat volgehouden. En voor de duidelijkheid: ik kleed me goed om uit te steken boven de poel van ellende die me omringt. Mijn vrouw beschuldigt me ervan een dandy te zijn. Ik moet er echter aan toevoegen dat zij een onderzoeksjournalist is, en een goede, en beschuldigen en onthullen zijn het wisselgeld van haar uitingen. Kunst betekent niets voor haar. Ik neem haar beschuldiging dus op in de geest van Baudelaire. Ik houd een dagboek bij, getiteld Spleen de Dublin, waarvan ik misschien op een dag delen zal publiceren als het niet te lasterlijk is. Het merendeel ervan, ben ik bang, bestaat uit een inventarisatie van de lelijkheid die ik om me heen zie. Voor mij is de lelijkheid van de Irish life een symptoom van zijn innerlijk verval, zijn geestelijke bierbuik. Ik weiger te bezwijken, maar het is natuurlijk een narcistische, om niet te zeggen eenzame bezigheid. Ik ben bang dat mijn tekens meestal niet begrepen worden. Toen ik vorige week verscheen in mijn nieuwe Yamamoto kostuurm, sneerde mijn vrouw: ‘Ga je naar een wake of zo?’ En zonder het zelf te beseffen had ze natuurlijk gelijk.

Uit: Atlantis; uit: De weeën van de mannen van Ulster, Thoth Bussum, 1994; vertaling Wim Platvoet

Michael O’Loughlin (1958, Dublin Ierland)

Salman Rushdie en de Pakistaanse censuur: ‘God als gekleurde nicht mocht niet’

rushdie, salman; demorgen.bebron foto: demorgen.be

Salman Rushdie (1947, Mumbai, India), schrijft romans, essays en is voorvechter van de vrijheid van meningsuiting. Na publicatie van De Duivelsverzen (1989) kreeg Rushdie een fatwa aan zijn broek waardoor hij een tijdlang moest onderduiken.

In 1983 schreef hij over zijn ervaring met de Pakistaanse censuur:

Vervolgens haalde ik Karachi-TV over mij de regie van Edward Albee’s The Zoo Story toe te vertrouwen en mij daarin een rol te laten spelen; men vond dat een geschikt stuk, omdat het vijfenveertig minuten duurde, omdat er maar twee personen in optraden en het decor slechts bestond uit een bank in het park. Vervolgens moest ik een reeks verbazingwekkende zittingen van de censuur bijwonen. De man die ik speelde, sprak een lange monoloog uit waarin hij beschreef hoe de hond van zijn hospita hem meermalen had aangevallen. In een poging vriendschap met de hond te sluiten had hij zes hamburgers voor het beest gekocht. De hond weigerde de hamburgers op te eten en viel hem opnieuw aan. ‘Ik was beledigd,’ zou ik dan moeten zeggen, ‘het waren zes prima hamburgers zonder al te veel varkensvlees erin, wat ze oneetbaar zou hebben gemaakt.’ ‘Varkensvlees,’ sprak de tv-manager plechtig, ‘is een onfatsoenlijk woord.’ Hetzelfde had hij gezegd van ‘seks’ en ‘homoseksueel’, maar dit keer sprak ik hem tegen. De tekst, zo pleitte ik, zei nu juist de waarheid over varkensvlees. Varkensvlees maakte, zo zei Albee, hamburgers zo smerig dat zelfs honden ze niet lustten. Dat was schitterende anti-varkensvlees-propaganda. Het moest erin blijven. ‘U begrijpt het niet,’ zei de manager met hetzelfde vermoeide gezicht als mijn oom, ‘het woord varkensvlees mag niet worden uitgesproken op de Pakistaanse televisie.’ En dat was dat. Ik moest ook de regels schrappen over God, die een gekleurde nicht in kimono zou zijn, met geplukte wenkbrauwen.

Uit: Schrijvers schieten ze toch ook dood? – George Theiner, Ambo Baarn, 1985

Salman Rushdie (1947, Mumbai, India)

Karel van het Reve over W.F.Hermans: ‘boosaardig en niet zonder elegantie’

van het Reve, Karel, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam) was ‘de broer van’, een groot kenner van de Russische literatuur (als slavist niet heel erg verwonderlijk) en een essayist en polemist die graag de mensen in de gordijnen joeg. Dat deed hij vaak zonder aanziens des persoons.

In de bundel Arnon Grunberg leest Karel van het Reve steekt Grunberg zijn bewondering voor Karel niet onder stoel of bank. Van Karel leerde Grunberg (polemisch) schrijven en nadenken. Nadenken met een dosis nuchterheid en een briljant gevoel voor humor. Dat Maarten Biesheuvel in Karel God zag, vindt Grunberg te ver gaan, maar een halfgod was Van het Reve zeker, drie keer per jaar bij lezing.

Dit gezegd hebbende, Karel van het Reve heeft met zichtbaar genoegen zijn tijdgenoot W.F. Hermans gevolgd. Ook geen gemakkelijke man in de omgang met zijn vakbroeders. Van het Reve schreef er het volgende over:

Zijn stijl is de moeite van het bestuderen waard. Hij weet de indruk te wekken dat hij zijn affecten zonder bijvoeging, gladschuring of achteraf-beredenering te boek stelt. Hij neemt alle dingen die hem in zijn vijand ergeren, (lichaamslengte, manier waarop hij naar meisjes kijkt, te laat komen, gebrekkige kennis van het Frans, redacteurschap van De Nieuwe Stem, spelfouten, gebruik van aan Nietzsche ontleende woorden, gebruik van aan Ter Braak ontleende woorden, kleding, lidmaatschap van commissies) voegt daar alles aan toe waarmee hij die vijand kan ergeren en kwakt het aldus ontstane geheel de lezer voor de voeten. Het resultaat is zeer boosaardig en vaak niet zonder elegantie…

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Rainbow Amsterdam, 2004

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Tolstoj over Toergenjev volgens Karel van het Reve

Ongeveer een jaar na Toergenjevs dood heeft zijn leerling Tolstoj in een brief getracht een karakteristiek te geven van de man, van wie hij veel geleerd had, die hem in het Westen beroemd gemaakt had en met wie hij het persoonlijk nooit goed had kunnen vinden – het was zelfs een keer bijna tot een duel gekomen. Er zijn drie factoren, schreef Tolstoj, die in een geschrift van belang zijn: wie aan het woord is, hoe hij spreekt, goed of slecht, en: of hij oprecht is. Toergenjev was volgens Tolstoj iemand die op zeldzame wijze deze drie dingen verenigde. Verder, zegt Tolstoj – en men kan de nu volgende formulering niet anders dan gelukkig noemen – vindt men bij Toergenjev drie dingen: geloof in de schoonheid, in vrouwenliefde, in kunst, twijfel aan deze dingen en twijfel aan alles, en, tenslotte, een beschaamd, zich zelden helemaal uitsprekend, ongeformuleerd geloof in het goede.

Uit: Arnon Grunberg leest Karel van het Reve, Muntinga Amsterdam, 2004

Tolstoj (1828-1910, Yasnaya Polyana, Rusland)

Toergenjev (1818-1883, Orjol, Rusland)

Karel van het Reve, groene.nlbron foto: groene.nl

Karel van het Reve (1921-1999, Amsterdam)

Van Lier: miniem gebaar

Miniem gebaar

Groots, zeg ik tegen mijzelf. De mens / leeft zich uit in zomerfrivoliteiten, ongetwijfeld, / het is zomer. / Zwijgend kijk ik toe, met / af en toe een miniem gebaar. Ter verduidelijking: / Ik ben een serieus mens, / nooit bak ik het ei met geschonden dooier.

Uit: Miniem gebaar, Meulenhoff Amsterdam, 1995

Peter-van-Lier, ooteoote.nlbron foto: ooteoote.nl

Peter van Lier (1960, Eindhoven)

Anton Ent: spiegel

Spiegel

Tweemaal ziek geweest twee maal / met mijn hoofd tegen de eindigheid / gelegen, een oneindige zweeftocht / gemaakt en mij geborgen gevoeld.

Ik hoefde niet terug maar ik kwam / en alles wat ik had afgeschreven / stond telbaar en meetbaar overeind / en wilde weer belangrijk zijn.

Trots en eigendunk genazen, woede / en jaloezie konden weer staan. Kom / jongens zei ik inkrimpen, verdwijnen.

Het ontelbare gras en de onmeetbare / zee begon ik te zien en te strelen. / In de spiegel scheen de maan.

Uit: Kootwijkerzand, Van Oorschot Amsterdam 1999

ent, anton, dbnl

bron foto: dbnl.nl

Anton Ent (1939, Rotterdam)

Gruwez: de geliefden

De geliefden

De geliefden houden dus hun kleren aan? / De geliefden houden hun kleren aan. / Omdat zij niet willen dat de wind? / Om te vermijden dat de wind, vooral

nu hun bedden hoger dan de wolken staan. / Zij wachten, handen in de nek, sigaret tussen / de lippen, lipstick misschien, op een liefde die van ver / moet komen – zo’n air van Shit, verloren geboren.

De bedden van de wereld in het dal stan allemaal / in lichterlaaie al. Laken smeult, plastic smelt, / rookpluim wenkt. Het is de lente, vriend, / het is de lente, de tijd van het verflensen.

Uit: De Nederlandse poëzie van de 20-ste en de 21-ste eeuw in 1000 en enige gedichten – Ilja leonard Pfeijffer, Prometheus Amsterdam, 2016

Luke_Gruwez, wikipedia.org

bron foto: wikipedia.org

Luuk Gruwez ( 1953, Kortrijk, België)

Eriek Verpale: innamorati

Innamorati

Hoe één mens zo soms / van een ander, en dat maar eens. / Hoe iemand in zijn leven van altijd / maar één vrouw, van haar. / Hoe ik, oud, van jou dus.

Hoe een man van geen andere vrouw / dit verdragen kan: een rimpel al, / kwaaltjes, zelfs de muren / van een andere man. En dat je / kunt weggaan, doodgaan, opgaan / in rook, zo simpel. Maar het niet doet. / Er woedt nog oorlog.

Want hoe een mens in zijn leven / maar één keer. Hoe een man van / altijd maar één vrouw het meisje, / de poppetjes in haar ogen, het haar / op haar benen en in volle zomer / toch snipverkouden.

Hoe ik, trage dwaas, / juist dààrom. En in al mijn winters.

eriek verpale, wikipedia.orgDe jiddische grootmoeder Zulma, die de jonge Eriek onder haar hoede nam en hem leerde lezen en wegwijs maakte in de joodse cultuur.

foto: Michiel Hendrickx; bron foto: wikipedia.org

Eriek Verpale (1952-2015, Zelzate, België)

Anton Ent: slaande liefde

Slaande liefde

Slaande liefde is ook liefde. God / verdomme komt hard aan. Verdoem mij / niet maar laat mij als weigeraar / langs oevers van uw liefde gaan.

Van overgave is in mij geen sprake. / Ik ruk uw hand van waar u mij maar / raakt omdat dit strelen schroeit.

Gebrogenheid zet ik in lafheid om / en zie het vloeken als een zegen.

Streel mij, sla mij.

Uit: Domein van meidoorn. Gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1992

anton_ent, kleineuil.nlbron foto: kleineuil.nl

Anton Ent (1939, Rotterdam)