Gerbrandy: slikken? verboden

Slikken? Verboden

Slikken? verboden. / Slik je snijdt keel door je strot / guillotine van bladerend vlies.

Kijken? Dan moeten die ogen / eerst opengeweekt. / En naar wat?

Dat ene waarvan je de naam – / maar waarom als je weet hoe het afloopt.

Praten? Maakt erger. / Hoesten? Rasp van je pijp.

Denken. Houtmolen zaagt. / Everhoofd boven de drempel. / Wesp in je prik geur van gebakken –

ademen beter van niet.

Uit: Drievuldig feilloos vals, Meulenhoff Amsterdam, 2005 

gerbrandy, Beeld Koen Verheijden, trouw.nlfoto: Koen Verheijden; bron foto: trouw.nl

Piet Gerbrandy (1958, Den Haag)

Advertenties

Olga Savary: David

David

Noch dier zijnd noch god / noch van de wortel hebbend de kracht / noch van de steen de eeuwigheid, / legt de dichter in de woorden / die kracht van niets: / zijn slinger is het gedicht.

Uit: Poëzie is een gebaar, Novib Den Haag, Poetry International Rotterdam, 1995; vertaling August Willemsen

25JP2-07.inddbron foto: jornaldopovo.com.br

Olga Savary (1933, Belém, Brazilié)

Dirk van Bastelaere: zelfportret in vallend serviesgoed

Zelfportret in vallend serviesgoed

Ze diept blank aardewerk op / Uit het teiltje. Zo is ze begaan / Met de voortgang van orde / En reikte me een schaal toe: dat liefde / Als de onze van eenvoud kon worden.

Dan in een glimp op het wentelen, / Het gezicht waaruit ik mij ontspin: / Een Romeinse neus en gifzwarte ogen. / Voorts het plafond, beneden in licht, / Waarop zich zwarte vliegen bewegen.

Wanneer ik, ten slotte, het water / Dat zingt op de rotsen gelijk, / Tegen de vloer aan diggelen val, / Mag ik wel ooit zijn voortgebracht, / De vloer vermaakt wat ze kan.

Het is ongedaan weer. Zo is het goed.

Uit: Pornschlegel en andere gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

Dirk-van-Bastelaere, helderderbron foto: helderder.be

Dirk van Bastelaere (1960, Sint Niklaas, België)

Verhalen in de poëzie zijn als definities die gaandeweg uit de hand lopen. Het verhaal is er om de werkelijkheid in te dammen in personages met een identiteit, in een ruimte waarvan men weet wat boven en onder is, in gebeurtenissen waarvan de ontwikkeling geregeerd wordt door chronologie, logica, oorzaken en bedoelingen. Het gedicht laat ons die orde zien en haalt haar tegelijk onderuit: het personage verliest zijn identiteit in de reflecties, boven wordt onder.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

W.F. Hermans over de moord op zijn zus

Het was de ochtend na de avond waarop de capitulatie plaatsvond. Ik hoorde een vreemd geluid in huis. Ik werd wakker en merkte toen op dat mijn ouders, die allebei hele droge mensen waren, liepen te snikken. Een verschrikkelijke sensatie voor mij, ik had nog nooit zoiets meegemaakt. Mijn zuster was die vorige avond gevonden met die neef die eerst nog geprobeerd had naar IJmuiden met z’n gezin te ontkomen en dat was niet gelukt… Mijn neef heeft mijn zusje die avond in de auto opgehaald om zogenaamd een beetje met zijn vrouw te praten. Toen zijn ze later door die surveillancewagen gevonden, dood in die auto.

Wat voor man was die neef?

Een vreemde, wilde man (dat m’n zusje met hem een verhouding gehad bleek te hebben, kwam dan ook voor mij als een complete verrassing). Die neef heb ik beschreven in Ik heb altijd gelijk (de politieman). ’t Soort vlotte, enigszins corpulente man, je kent dat type wel: geintjes en zo, altijd grapjes, moppen over vrouwen. Leek een beetje op Mussolini, haha. Helemaal niet ’t soort man van wie ik zou denken dat-ie dol op mijn zuster zou worden…

Die neef was toen 40 of zo en wij 18 en 20. We kenden hem al van ons tweede jaar, hij was ons vertrouwd… Het was ook een ontnuchtering voor mij: dat mijn zusje, de brave Hendrik van de familie, met zulke feiten voor den dag kwam… Ik kon met die neef ook geweldig opschieten. Hij kon aardig scharrelen en zo, hè, hij praatte ook altijd luchthartig over allerhande dingen. Hij maakte een enorme indruk op mij.

Nu ben ik niet meer jaloers op dat soort mensen, ik háát dat soort mensen, ik haat waar ze voor staan, dat zijn nou typisch de mensen die hun omgeving met kletspraat zoet houden. Die mensen zijn gevaarlijk voor mij. In wezen ben ik een verlegen en naïef mens, ik kom makkelijk onder de invloed van dat soort mensen. Ze vormen een bedreiging voor mij. Ik ben argeloos. Iedereen wi macht. De mensen die over vrijheid praten, die denken dat de slavenmeester de macht heeft, maar de slaaf heeft ook macht. En zo is de bedrieger niet alleen machtig, maar de bedrogene ook.

Uit: De Interviewer – Ischa Meijer, Prometheus Amsterdam, 1999.

hermans, zuiderluchtbron foto: zuiderlucht.eu

W.F. Hermans (1921-1995, Amsterdam)

K.Schippers: hartenjagen

Hartenjagen

Wanneer je bij een kaartspel / dertien kaarten van dezelfde soort krijgt, / is de kans op herhaling / 1 : 635.013.559.598.

Het aardige is eigenlijk / dat iedere samenstelling van dertien / dezelfde onwaarschijnlijkheid / van herhaling heeft.

Zo kan een café vol of leeg zijn, / kan het vijf dagen regenen / of een week lang om de dag, / zijn er soms drie bolhoeden in een straat te zien, / of geen / of een, / vreemd blijft het.

schippers, eddo hartmann, vn.nlfoto: Eddo Hartmann; bron foto: vn.nl

K. Schippers (1936, Amsterdam)

Erich Fried: vluchtelingen

Vluchtelingen

Vele stierven / deze hier / werden gered

en sterven nu langzaam / aan de verschuldigde dank / jegens hun redders

aan hun dankbaarheid / of / aan hun ondankbaarheid

Erich Fried (1921-1988, Oostenrijk)

fried, tekstsqip

bron foto: teksteshqip.com

Uit: Honderd gedichten zonder vaderland, Van Gennep Amsterdam, 1988; vertaling Hans Bakx

S.Vestdijk: narcissus

Narcissus

De avondwind schudt blaad’ren droog, er stromen / Rimp’lingen, vissen over ’t zand voorbij, / Maar altijd weer maakt mijn gelaat zich vrij / En kan nog uit een steenworp bovenkomen.

Veranderlijk, en toch de eeuw’ge éne / Bezegeling van spiegelavonturen / Is deze glimlach zelfs niet weg te wenen / Door ontrouw water of betraander turen. –

’t Werd nacht, geen bleek gelaat staart meer omhoog, / Hoe ik ook buk en zoek: ik ben verdwenen. / Gevaarlijk krul ‘k mij om, – daar vangt mijn oog / Een laatste schemer op mijn eigen benen, / Gehurkt, en hunk’rend in hun teed’ren boog.

Uit: Vrouwendienst, Nijgh & Van Ditmar Voorburg, 1934

vestdijk06-literatuurmuseumbron foto: literatuurmuseum.nl

Simon Vestdijk (1898-1971, Harlingen)

Luuk Gruwez: Estetika

Estetika

het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water / waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt / en de rimpeling van vriendelijke huiver / die zij door haar stil bewegen weeft.

het sierlijkste is niet je lichaam, maar de spiegel / waar het lichaam licht bezeerd weerspiegeld wordt / (en rimpels toont als rimpelen in water) / en hoe een hand ontastbaar haast / verschuift over je huid, / en hoe een streling dan, / als een omhelzing van zichzelf, / op jouw lichaam liggen gaat.

terwijl mijn blik die dat niet blijvend / vangen kan, gevangen blijft, en onomhelsd, / zoals wie ééns genodigd tot genot, / daarna voorgoed gegijzeld blijft in pijn.

gruwez, uitinvlaanderen.bebron foto: uitinvlaanderen.be

Luuk Gruwez (1953, Belgisch)

Uit: De feestelijke verliezer, Manteau Antwerpen, 1985

Herman de Coninck: je truitjes en je witte en rode…

Je truitjes

Je truitjes en je witte en rode / sjaals en je kousen en je slipjes / (met liefde gemaakt, zei de reclame) / en je brassières (er steekt poëzie in / die dingen, vooral als jij ze draagt) – / ze slingeren rond in dit gedicht / als op je kamer.

Kom er maar in lezer, maak het je / gemakkelijk, struikel niet over de / zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, / gaat u zitten.

(Intussen zoenen wij even in deze / zin tussen haakjes, zo ziet de lezer / ons niet.) Hoe vindt u het / dit is een raam om naar de werkelijkheid / te kijken, alles wat u daar ziet / bestaat. Is het niet helemaal / als in een gedicht?

Uit: Onbegonnen werk, Gedichten 1964-1982, Manteau Antwerpen, 1984

de coninck, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Herman de Coninck (1944-1997, Belgisch)

Roger M.J. de Neef: rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde. / Ook al sluiten zij de ogen, / Zij openen het land als verse lakens / En rusten nooit.

Rivieren, zij verwijderen zich van hun oorsprong, / Keren nooit terug en blijven aan zich zelve gelijk. / Meerdere malen leggen zij het oor te luisteren en / Horen hoe de vissen hun bolle buiken / Berijden en bereizen.

Rivieren vieren weleens feest of praten met de lucht. / Zij rapen de winden op en winden zich op / Zij vermenigvuldigen het voedsel / En in hun lenden landen de zo levendige steden.

Rivieren zijn minnaars, / Met hun laatste monden / Werpen zij zich in zee.

Uit: De vertelkunst van de bloemen, Manteau Antwerpen, 1985

De-Neef, schrijversgewijs.bebron foto: schrijversbewijs.be

Roger M.J. de Neef (1941, Belgisch)