Van Femme Fatale naar Vamp

Voortbordurend op de voorbeelden uit de Bijbel en de Griekse mythologie leefden al in de Middeleeuwen dichters en schilders zich uit op fantasieën over fatale vrouwen: heksen en boze feeën, op seks beluste jonkvrouwen en meedogenloze heerseressen. Het archetype was bijzonder populair in de Romantiek en in de Victoriaanse tijd; operacomponisten maakten er gretig gebruik van. Maar het was in het fin de siècle, bij de symbolisten en de decadenten, dat de femme fatale hoogtij vierde. Oscar Wilde gaf Salomé met zijn gelijknamige toneelstuk een tweede leven, en schilders als Franz von Stuck en Gustave Moreau kregen er geen genoeg van om de listen en lagen van de seksueel veeleisende vrouw uit te meten.

Dat laatste gold ook voor de filmmakers van het Duits Expressionisme: Georg Pabst maakte op basis van het toneelstuk Lulu van Frank Wedekind Die Büchse der Pandora (1929), waarin Louise Brooks een mannenverslindster speelt, en Josef von Sternberg regisseerde in 1930 Der Blaue Engel, met Marlene Dietrich als nachtclubzangeres die een eerbiedwaardige professor te gronde richt.

Niet lang daarna zou de femme fatale met veel succes geëxporteerd worden naar de Amerikaanse film noir; ze werd daar aangeduid als vamp – een afkorting van het woord vampire.

Uit: De femme fatale; Made in Europe – Pieter Steinz, Nieuw Amsterdam Amsterdam, 2014

Louise Brooks: Die Büchse der Pandora (1929)

Marlene Dietrich: Der Blaue Engel (1930)

Femme Fatale: poison