Vroomkoning: overleg

Overleg

Mijn zoon spant bogen / samen met mijn vader. / Zij lijken sprekend / op grote mensen die gemeen- / zaam aan het werk terloops / wijsheden verkondigen.

Terwijl mecano-onderdelen / tot een brug worden gesmeed / legt vader uit dat sommigen / na honderd jaar de over- / kant bereiken.

Zijn wij sommig? / leidt het kind hem af. / Vader geeft geen antwoord / maar een schroef terug / die niet past.

De brug vlot naar zijn einde / als de onvermijdelijke god / weer bovenwater komt. / Of die dan sommig is? / Sommiger dan wij, / probeert vader.

Uit: Ommezien, gedichten 2008-1983, Arbeiderspers Amsterdam, 2008

hetty ermers, vroomkoning, victor, poezieweek.com

foto: Hetty Ermers; bron: poezieweek.com

Victor Vroomkoning (1938, Boxtel)

Levenskunst: ‘zorg voor jezelf’

Vlak voor zijn dood in 1984 sprak de Franse filosoof Michel Foucault zijn teleurstelling uit over de onverschilligheid en het gebrek aan levenskunst van de moderne westerse mens. Hij had de jaren daarvoor uitvoerig onderzoek gedaan naar de levensstijl van de oude Grieken en Romeinen en was diep onder de indruk geraakt van hun vitaliteit en ‘zorg voor zichzelf’. Inmiddels is de levenskunst in de mode.

De dialoog Alcibiades van Plato (428-348 v chr) is de eerste tekst over levenskunst uit de geschiedenis van de filosofie. Alcibiades is een Atheense jongeman, nog geen twintig, getalenteerd en van rijke komaf. Hij droomt van een grote politieke loopbaan. In deze dialoog laat Plato Socrates aan het woord over hoe je persoonlijkheid vormt. Daaruit het volgende:

Socr: Het is dus uitgesloten dat men gelukkig zou zijn, als men niet wijs en goed is.

Alc: Inderdaad uitgesloten.

Socr: Het zijn dus de slechten onder de mensen, die ongelukkig zijn.

Alc: Zeer zeker.

Socr: Niet door rijk te worden ontkomt men dus aan het ongeluk, maar door wijs te worden.

Alc: Dat is evident.

Socr: Wat de staten dus nodig hebben, als ze gelukkig willen zijn, zijn niet wallen of oorlogsschepen of scheepswerven, noch een talrijke bevolking of een grote uitgestrektheid, als het meest waardevolle aspect, de deugd, ontbreekt.

Alc: Dan hebben ze aan de rest niets.

Socr: Wil je dus een juiste en goede politiek voeren, dan zul je je medeburgers de deugd moeten bijbrengen.

Alc: Dat kan niet anders.

Socr: En kan men iemand bijbrengen wat men zelf niet heeft?

Alc: Hoe zou dat mogelijk zijn?

Socr: Zowel voor jezelf als voor elk ander die wil heersen en waken, niet alleen privé over zichzelf en zijn eigen belangen, maar ook over de stad en haar belangen, is het dus plicht eerste die deugd te verwerven.

Alc: Dat is waar.

Socr: Wat je dus dient te verwerven, is niet het recht en de macht – voor jezelf en voor de stad – om te handelen naar willekeur; maar wel rechtvaardigheid en wijsheid.

(..)

Socr: Geef immers iemand de macht om te doen wat hij wil, als hij het nodige verstand mist, wat zal dan – en dat geldt zowel voor het individu als voor de staat – vermoedelijk het resultaat zijn? Laat bijvoorbeeld een zieke vrij doen wat hij verkiest, laat hem, die geen verstand heeft van de geneeskunde, als een dictator zijn eigen wil doorvoeren, zonder dat iemand hem op de vingers kan tikken: wat zal dan het resultaat zijn? Zal, naar alle waarschijnlijkheid, zijn lichaam niet ten gronde gaan?

Alc: Dat is waar.

Uit: Over levenskunst, grote filosofen over het goede leven – Joep Dohmen, Ambo Amsterdam, 2002

socrates_portrait, wpbron illustratie: socratische methode.wordpress.com

Socrates (469-399 v chr, Alopeke, Griekenland)

Waarom geschiedenis? Twee antwoorden

Er is niet één antwoord op de vraag wat geschiedenis is. Ook niet op de vraag wat het nut ervan is. Eén conclusie is wel gerechtvaardigd. Het lineaire, menselijke, aardse bestaan is tijdelijk, eenmalig, vergankelijk, eindig. Daarom kijken we erop terug en staan erbij stil. Om er recht aan te doen. Om het te veroordelen. Om het te begrijpen. Om er wijzer van te worden. Om ons ermee te verzoenen. Om de inspiratie die het biedt. Om het vertrouwen dat het geeft. En om het vorm te geven.

Uit: Geschiedenis – Chiel van den Akker, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2019.

In mijn leven heb ik nooit iemand meegemaakt met zo’n vreemde instelling, zo’n idioot leven, zulke wonderlijke opvattingen als hij, mijn studievriend. We hadden elkaar voor het eerst tijdens een college middeleeuwse geschiedenis ontmoet. Terwijl ik ijverig aantekeningen zat te maken over de Investituurstrijd, trok hij lijnen in zijn schrift, twee lijnen op enkele centimeters van elkaar. Die lijnen liepen overdwars en gingen van pagina naar pagina. Af en toe schreef hij er iets bij, meestal liet hij de ruimte onder en boven de lijnen leeg. “Wat deed je toch,’ vroeg ik na het college. ‘Dat had met het onderwerp weinig te maken of…’ Voor het eerst zag ik dat ironisch-bittere lachje dat me later vertrouwd zou worden.

‘Ik teken de weg naar de horizon,’ zei hij. ‘Dat doe ik altijd.’

‘De weg naar de horizon? Maar die komt toch nergens?’

‘Juist daarom,’ antwoordde hij. ‘Als die weg een eindpunt had, zou ik hem niet tekenen.’

‘Maar waarom loop je college? Zonder aantekeningen heb je er weinig aan. Of onthoud je alles?’

‘Ik onthoud niets. Ik lees het later wel in een dictaat. Of niet. Het kan me niet schelen.’

‘Jij bent ook een rare. Waarom studeer je dan geschiedenis?’

Opnieuw dat lachje. ‘Zomaar. En omdat je in de gepasseerde tijd misschien de horizon kunt vinden die je in de open ruimte altijd stappen verder ligt dan waar je bent.’

Uit: De man die legende werd – Chris van der Heijden, uit de bundel resiverhalen Daghani, Daghani, Contact Amsterdam, 1989.

chiel van den akker, research.vu.nlbron foto: research.vu.nl

Chiel van den Akker

chrisvanderheijden-suzanneliem_4en5mei.nlbron foto: 4en5mei.nl

Chris van der Heijden (Leiden, 1954)

Sylva Fischerová: hun hele leven

Hun hele leven

Hun hele leven / woonden ze op een plek / waar ze een kind verwekten / hun hele leven / liepen ze rond op een plek / waar God hen achterliet / de Ark van het Verbond / die ze niet konden lezen / noch ondertekenen

fischerovaSylva Fischerová (1963, Tsjechisch)

Uit: The swing in the middle of chaos, selected poems, Bloodaxe Books GB, 2010; vertaling Daan Bronkhorst

Venetië en de moderne kunst: ziek van weerzin

Venetie, explorista

Drukte in Venetië. bron foto: explorista.nl

Venetië is de stad van de oude en de nieuwe kunst, zeg maar de moderne. Voor beiden bestaat veel belangstelling. De oude kunst wordt inmiddels onder de voet gelopen door miljoenen toeristen jaarlijks. Voor de moderne kunst is er elke twee jaar de Biënnale.

Schrijver Dirk van Weelden (1957) situeert zijn korte verhaal De schatbewaarder in dat Italiaanse (cultuur)toeristenparadijs. Twee vrienden van vroeger ontmoetten elkaar in deze hotspot. De vriend is succesvol in de kunsten. Reden om er eens lustig op los te filosoferen.

‘Het lot van Venetië is dat van de moderne kunst. Zo zie ik het. Venetië wordt onzichtbaar door haar bewonderaars, de stad bezwijkt onder haar eigen aantrekkelijkheid. De moderne kunst wordt ook steeds meer een toeristische attractie, en veel hedendaagse kunst speelt daarop in, en lijkt nog het meest op een tourist trap. Veel kunst heeft tegenwoordig haar eigen arrogante hoerigheid tot onderwerp en haar voornaamste werkmodel is dat van de societyroddel. Het gaat niet om het geld, begrijp me goed, het gaat erom dat de meeste kunst er niet tegen bestand is om een massamedium te zijn. En ik verzet me ertegen dat dat steeds meer een norm wordt.’

‘Maar ik begrijp niet dat je je dan zo verlustigt aan de hoerigheid, het valse, en het destructieve, of kick je alleen op je eigen weerzin ertegen!’

‘Hee, kom op, Gregg, dat begrijp je best. Waarom kwamen onze oude kameraden Shelley en Byron hier, of moet ik zeggen Julian en Maddolo? Venetië is toch van oudsher de stad van de melancholie. Melancholie is niet zomaar een zoet weemoedig sausje over je hersenpan, het is een stemming die van je ziel een filosofische machine maakt. ‘Sein eignen Kummer lieben’ heette dat vroeger, en dat is een ziekte, maar ook een wapen. Er is geen betere plek op aarde om dat wapen te slijpen en te leren beheersen dan Venetië. Er is niets waar ik zo hartstochtelijk van houd als kunst en daarom ook niets wat me zo kotsziek van weerzin kan maken.’

van weelden, bladkrant

bron foto: bladkant.nl

Dirk van Weelden (1957)

Uit: De schatbewaarder; uit: Bij-lezen, Bezige Bij Amsterdam, 1991

Italo Calvino roept de onzichtbare stad op

Italo Calvino (1923 – 1985) Italiaan en belangrijk na-oorlogs schrijver. Belangrijk wil hier zeggen: invloedrijk. Ik las ‘De Onzichtbare Steden’ en was verloren. Indrukwekkend want een schoolvoorbeeld van hoe ik vind dat een roman zou moeten zijn. Het gaat over verbeelding en werkelijkheid (het enige thema waarover goede boeken zouden moeten gaan). De verbeelding van Calvino is in deze roman ongebreideld. Zijn stijl is sprankelend; er is filosofische belangstelling voor de aard der dingen (in dit geval de stad); het is lichtvoetig en de roman is gelaagd.

Marco Polo vor Khan / Schulwandbild - Marco Polo and Kublai Khan / 1950-60 -

Schoolplaat die het bezoek van Marco Polo aan Kublai Khan verbeeldt. Bron: Dortmund, Westfälisches Schulmuseum.

De roman brengt Marco Polo, de wereldreiziger, en Kublai Khan, heerser over een wereldrijk, bijeen. Marco spreekt geen mongools, maar moet verhalen over de steden die hij bezocht heeft. Met gebaren beeldt hij de essentie van bezochte steden uit. Later doet hij dat met taal, als het mongools onder de knie is gebracht. Naarmate de beschrijvingen vorderen merkte ik, dat de roman vooral over de taal gaat als instrument om de verbeelding aan het werk te zetten. Die steden dat is eigenlijk het grote raamwerk taal. Die straten, die pleinen, de mensen die daar wonen: het is de taal, de woorden, de ruimtes die taal geeft aan verbeelding mits subliem toegepast. En dat deed Calvino in deze roman. Lezen dus!

De steden en de herinnering 2

Iemand die lange tijd op zijn paard door de wildernis rijdt gaat verlangen naar een stad. Eindelijk komt hij in Isidora, een stad waar de gebouwen wenteltrappen hebben overdekt met wenteltrapschelpen, waar ze uit de kunst verrekijkers en violen bouwen, waar een vreemdeling, als hij niet kan kiezen tussen twee vrouwen altijd een derde tegenkomt, waar de hanengevechten altijd uitlopen op bloederige vechtpartijen tussen de wedders. Aan al deze dingen dacht hij als hij naar de stad verlangde. Isidora is dus de stad van zijn dromen: met één verschil. In de stad van zijn dromen was hij een jonge man; in Isidora komt hij op hoge leeftijd. Op het plein is het muurtje waar de ouden kijken naar de jeugd die voorbij komt; hij zit naast hen in de rij. De verlangens zijn al herinneringen.

Uit: De Onzichtbare Steden – Italo Calvino, Bert Bakker Amsterdam, 1982, vertaling Henny Vlot

Generatie: oma en Beppe

Oma en Beppe

de een praat steeds minder / maar ze draagt nog een strakke riem / om haar middel

de ander praat steeds meer / maar ze lacht nog hetzelfde / als toen ik drie was

zij waren twee vorstinnen / en hielden van elkaar / al eeuwen waren ze een paar

zij hadden mijn bestaan bedacht.

Ilse foto Paul Fleming

foto: Paul Fleming

Ilse Starkenburg (1963)

Uit: Maatstaf 1992/1993

(on)zin: Hamlet

Royal-Mail-Stamps-RSC-HamletHamlet

De zaal werd stil. En ik sta op de planken. / Ik draal nog even leunend aan de deur. / En ik vang op in verre echoklanken / wat in mijn leven om mij heen gebeurt.

De nacht, het duister sluipen starend nader / en duizenden binocles draaien aan. / Indien het mogelijk is, abba, vader, / laat deze beker ditmaal langs mij gaan.

Ik hoef mij niet voor deze rol te schamen, / ik heb jouw eigenzinnig oogmerk lief, / maar wat nu gaat, dat is een ander drama / en liever zag ik, dat je mij onthief.

De vijf bedrijven volgen vaste regels / en onafwendbaar eindigt ieder ding. / Ik ben alleen. En alles wordt gehuichel. Het leven is geen wandeling.

Boris Pasternak (1890 – 1960) Russisch

Uit: Kwartet, Arbeiderspers Amsterdam, 1982, vertaling: Charles B. Timmer

De Spiegel bij Tarkovski en Machado de Assis

Andre Tarkovski (1932 – 1986) was een Russisch schrijver, acteur en filmregisseur en 1 van mijn grote filmhelden. Tarkovski slaagde erin niet alleen te schrijven met licht; te liegen met 24 filmbeelden per seconde; maar ook de bewegende beelden te gebruiken om een gevoel te construeren. En dat deed hij overtuigend. De Rus was een grootmeester in films met een poëtisch beeldgebruik. In al zijn films is er beweging; zijn er de elementen: aarde, lucht, water en vuur; kleurt het beeld zwart-wit en dan weer in full-colour. Er zijn mannen, vrouwen en kinderen; er is een binnen en een buiten. En altijd: de filosofische thema’s voorzien van die passende, enigszins mysterieuze beelden, die veel ruimte laten voor je eigen fantasie, projectie of fascinatie.

Navolgende scenes uit The Mirror zijn daar een treffend voorbeeld van.

Nu we het over de spiegel hebben: Spiegelen is ook een belangrijk thema in het werk van de Braziliaanse schrijver Machado de Assis (1839 – 1908). Hij heeft er zelfs een kort verhaal aan gewijd. Een fragment daaruit:

machado de assis1

‘Ik stond in de spiegel te kijken, met de hardnekkigheid van de wanhopige, ik bekeek mijn eigen vervloeiende en incompetente trekken, een wolk van onsamenhangende, vormeloze lijnen, toen een gedachte bij me opkwam…. Nee, u kunt het vast niet raden.’

‘Zeg het dan, zeg het.’

‘Ik kwam op het idee, mijn vaandrigs-uniform aan te trekken. Ik trok het aan, stak me in vol ornaat; en aangezien ik voor de spiegel stond, hief ik de ogen op, en… ik hoef u niets meer te zeggen: het spiegelglas gaf mijn complete gestalte weer, geen lijntje ontbrak, geen omtrek was vervormd; ik was het, ikzelf, de vaandrig, die eindelijk zijn uitwendige ziel had teruggevonden. Die ziel, die verdwenen was met de vrouw des huizes, die versnipperd en gevlucht was met de slaven – hier was zij weer, teruggevonden in de spiegel. Stelt u zich een man voor, die heel langzaam bijkomt uit een diepe bewusteloosheid, de ogen opent zonder nog iets te zien, dan begint te zien, mensen onderscheidt van dingen, maar ze nog niet elk afzonderlijk herkent, en dan, ten slotte, weet dat dit meneer X is en dat meneer Y, dit hier een stoel en dat daar een sofa. Alles keert weer terug tot wat het was vóór zijn slaap. Zo verging het mij. Ik keek in de spiegel, liep heen en weer, liep terug, gebaarde, glimlachte, en het spiegelglas gaf alles weer. Ik was niet langer een automaat, ik was een bezield wezen. Van toen af aan was ik een ander mens. Elke dag, op een bepaalde tijd, kleedde ik mij als vaandrig en ging voor de spiegel zitten lezen, kijken, nadenken; na twee, drie uur, trok ik het uniform weer uit. Met dit systeem slaagde ik erin nog zes dagen van eenzaamheid door te komen, zonder ze te voelen…’

Uit: Maatstaf, nummer 5 1984