Van Lier: miniem gebaar

Miniem gebaar

Groots, zeg ik tegen mijzelf. De mens / leeft zich uit in zomerfrivoliteiten, ongetwijfeld, / het is zomer. / Zwijgend kijk ik toe, met / af en toe een miniem gebaar. Ter verduidelijking: / Ik ben een serieus mens, / nooit bak ik het ei met geschonden dooier.

Uit: Miniem gebaar, Meulenhoff Amsterdam, 1995

Peter-van-Lier, ooteoote.nlbron foto: ooteoote.nl

Peter van Lier (1960, Eindhoven)

Dagelijkse moraal: goed mensen

In tijden van crises leert men zijn vrienden kennen. Die uitdrukking kent u vast en zeker wel. In feite zegt deze uitdrukking: door crisis leer je de ander beter kennen in wat voor mij goed of fout is. Over dat facet (= de moraal) van ons samenzijn is veel en vaak nagedacht. Wat betekent de ander voor ons, voor mij? Kan ik mijzelf ontplooiien als ik met de ander rekening moet houden? Kan ik een crisis overleven zonder de ander? Alleen Samen, zoals de kreet momenteel luidt.

Terug naar de oude Grieken, naar Aristoteles. Dat was zowat de eerste die over de ethiek en de moraal nadacht en dat op schrift stelde.

Menszijn is een soort praktijk uitoefenen, de praktijk van het menszijn zoals de dokter de praktijk van de geneeskunde uitoefent. ‘Goed mensen’ noemde Aristoteles dat.

‘Goed mensen’ was voor de Griekse filosoof in de pas lopen met de codes (normen en waarden, de moraal) van Athene. Een goed mens doet wat van hem (door de anderen) wordt verwacht. Bij moraal hoort spanning, ze moet op breken staan, wil ze goed voor de mensen zijn.

Zelfontplooiing en de moraal (= de anderen) houden elkaar in stand. Zonder de anderen bestaat zelfontplooiing niet. De anderen zijn de beperking op alles wat ik doe of juist nalaat. Ze zullen me mores leren, als ik dat nalaat.

Waarden en normen zijn sociale producten, ze komen van anderen.

Zonder ‘anderen’ geen ‘zelf’. Beide veronderstellen elkaar en komen gezamenlijk voor. Zelfontplooiing is vechten met de anderen en de uitkomst is winnen of verliezen. De anderen zijn altijd de sterksten, je wint als je een paadje ontdekt hebt waar velen langs kunnen gaan, je verliest als je paadje dood loopt. De prijs betaal je zelf. Omdat mensen dat wel aanvoelen, lopen ze vaker in de pas dan ze zelf weten.

Bron: Klein vademecum van de dagelijkse moraal – voorwoord van H.M. Kuitert, oud-hoogleraar Ethiek VU Amsterdam; Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1994

HarryKuitert-rd.nlbron foto: rd.nl

Harry Kuitert (1925-2017, Drachten)

Jankélevitch over het onzegbare en onnoembare van muziek

vladimir-jankelevitch, radio-canada.cabron foto: radio-canada.ca

De Franse filosoof Vladimir Jankélevitch (1903-1985, Bourges, Frankrijk) schreef een boekje over het onzegbare van muziek: La musique et l’ineffable (1961). De conclusie:

Muziek is een ‘bijna niets’, waarvan geen definitie valt te geven, dat alleen kan worden beleefd door de luisteraar. De luisteraar herschept elke keer opnieuw wat de componist heeft gemaakt. Wie weet zal ooit de ideale luisteraar samenvallen met de inspiratie waaruit het stuk is ontstaan. Het mysterie is daarmee nog niet opgehelderd, maar dat kan ook niet. Muziek is een onkenbaar verschijnsel, net zo onmogelijk te begrijpen als het mysterie van een artistieke schepping – een mysterie dat alleen ‘ervoor en erna’ kan worden begrepen. Ervoor is er psychologie, het karakter van de schepper, antropologie. Erna is er de beschrijving van hetgene dat is ontstaan. Hoe kun je het goddelijke moment tussen die twee vangen, wat zo doorslaggevend voor onze kennis zou zijn, maar dat zo obstinaat verborgen blijft voor ons? Het ergelijke, verwarrende geheim van de muziek ontwijkt ons en lijkt ons te beschimpen.

Om het ideale muzikale moment, waarbij de inspiratie van de luisteraar en de componist volledig samenvallen, wat dichter te benaderen, is zelf muziek spelen en luisteren naar muziek oneindig veel effectiever dan welk intellectueel inzicht dan ook, dat je zou kunnen opdoen uit een boek. Luisteren naar muziek schept een toestand van genade in een oogwenk, waar lange bladzijden vol poëtische metaforen niet aan voldoen.

Uit: Elk boek wil muziek zijn – Peter de Bruijn en Pieter Steinz, Prometheus Amsterdam, 2006

Jeugd Connie Palmen: ‘wat ik zoek, bestaat echt’

50C11937-C1BC-4E28-A879-5117D2C19A15_1_201_a

Ik woon in een dorp en ik weet niet waar ik het moet zoeken. Het enige boek dat ik bezit is een boek over Dik Trom, waar ik niks aan vind, maar dat ik koester omdat ik het van mijn grootmoeder cadeau kreeg. Zelfs Alleen op de wereld heb ik ooit van iemand geleend en weer terug moeten geven. Dat was wel wat, maar het stond evenzogoed mijlenver van me af. Met bijna alles wat ik lees heb ik dat gevoel, dat het ver van mij af staat. Zigeuners, zwervers, zwaarlijvige goedzakken en zwartoogindianen, wat moet ik daar nou mee?

Ik ben veertien en de eerste meester ontfermt zich over mij. Hij neemt boeken voor me mee, uit zijn eigen boekenkast. Waarschijnlijk denkt hij dat ik romantisch ben en hij probeert het eerst met Van Schendel en Van der Leeuw, maar ik ben niet romantisch en ik zoek iets anders. Dan geeft hij me De avonden en vanaf dat moment weet ik dat wat ik zoek ook echt bestaat.

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Connie Palmen (1955, Sint Odiliënberg)

Van Klinkenberg: najaar

flock-of-birds, pixabay

bron foto: pixabay

Najaar

Tegen het bos weerklinken najaarsschoten. / Een vogelzwerm wendt en verschiet gezwind. / De avondwind verstrooit de laatste rozen.

Een afscheid wuift van ’t hek. Zie in de tuinen / De vreugde der chrysanten zacht vergaan / En enkle onbewogen bomen staan / Voor blauwe verten, die zich gaan verruimen.

De najaarsgeur is de geur der haren, / Waarin mijn hoofd eens diep verzonken was –

Hoor, hoe de vruchten vallen door de blâren / En ploffen in het lang en vochtig gras.

Uit: De  Cactus, Hijman, Stenfert Kroese & Van de Zande Arnhem, 1932

Gerard van Klinkenberg (Amerongen, 1900-2003)

Ton Lemaire’s gedachten bij een schilderij van Camille Corot

camille corot, souvenier de mortefontaine 1864, wikipedia.org

Souvenier de Mortefontaine, olieverfschilderij uit 1864, gemaakt door jean Baptiste Camillie Corot.

Dit midden-Franse bosgezicht, ooit door het oog van Corot liefdevol waargenomen, heeft door diens weergve iets eeuwigs en definitiefs gekregen. Heeft hij als dichter-schilder kunnen doordringen tot de verborgen intimiteit van het bos, of weerspiegelt deze herinnering aan een late zomerdag in het bos van Mortefontaine toch vooral een oude arcadische droom of een toen nog nieuw verlangen naar wildernis?

(..)

Aan de oever van het door dicht bos omgeven meer droomde ik me los van de wereld om me heen, gedreven door een een groot verlangen om deel te zijn van de natuur om tot het binnenste van het bos door te dringen. Het was en is – natuurlijk – een onvervulbaar verlangen. Maar de roep van het bos houdt niet op. Is het de herinnering aan een droom die me trekt, of zijn het de wortels van onze herkomst die me oproepen om te zwerven door het bos, op zoek naar een verloren plek?

Uit: Binnenwegen, essays en excursies, Ambo Baarn, 1988

Ton Lemaire (Rotterdam, 1941)

Maarten Doorman: hunebedden

Hunebedden

Ze stonden op verkeerde grond, / verzonken niet en bleven niet / als veenlijken bewaard.

Zo lang konden ze niet gelegen hebben / of ze woeien open tot skelet, / uitgespaard de stenen / en bleven niet, een hunebed / is niet meer / dan wat er niet in is:

een tram in de remise, een café / na sluitingstijd, een autoloze zondag, / minder nog dan wat er / niet in is, / een hoopje keien plotseling in een bos.

doorman foto Joshua Rood, universitymaastricht

foto: Jushua Rood; bron foto: maatsrichtuniversity.nl

Maarten Doorman (1957)

Uit: Het gelijk van de vismarkt, Bert Bakker Amsterdam, 1988

Proust over de beperkingen van het boeken lezen

Inderdaad is een van de mooiste en bijzonderste eigenschappen van goede boeken (die ons inzicht verschaft in de essentiële, zij het beperkte rol die lezen in ons geestelijk leven kan spelen) dat ze voor de auteur kunnen gelden als ‘conclusies’ en voor de lezer als ‘aansporingen’. We voelen heel wel aan dat onze eigen wijsheid begint waar die van de auteur ophoudt, en we zouden wensen dat hij ons antwoorden verschaft terwijl hij ons slechts verlangens kan bieden (…) Dat is de waarde en tegelijkertijd de tekortkoming van het lezen. Wanneer we het tot een discipline maken kennen we een te grote rol toe aan wat slechts een aansporing is. Lezen staat op de drempel van het geestelijk leven; het kan ons er binnenleiden, maar vormt er niet het wezen van.

proust, newyorkreviewofbooks

Marcel Proust met tennisracket omringd door zijn familie tijdens een vakantie, circa 1892; bron foto: nybooks.com

Marcel Proust (1871 – 1922, Frans)

Uit: Hoe Proust je leven kan veranderen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 1997

Goethe raakte snaren, meestal de goede

Johan Wolfgang Goethe(1749 – 1832, Duits) werd bekend door boeken, toneelstukken en ballades die onder andere door de componist Schubert op muziek werden gezet. Maar de Duitser kon meer: hij was ook jurist, politicus, filosoof en wetenschapper. En op al die terreinen was en werd hij een bron van inspiratie. Goethe raakte veel snaren van mensen, en meestal de goede.

die leiden

Zijn allereerste daad, waarmee hij zich in de kijker speelde, was een boek: Die Leiden des jungen Werther (1774). Hij schreef het boek in vier weken tijd. Reden: de jonge Goethe moest zijn eigen hopeloze liefde voor Lotte Buff van zich afschrijven. De periode waarin dat gebeurde was de Romantiek, een tijd waarin veel plaats was voor heftige emoties en drift. In het Duits heette dat tijdperk niet voor niets: Sturm und Drang.

Werther is de hoofdpersoon, een onuitstaanbaar ventje. Hij is verliefd op Lotte, maar die is al vergeven. Toch blijft Werther aandringen, ook nadat Lotte getrouwd is. Werther is een nietsnut; zwelgt in zelfmedelijden en moppert op alles en iedereen. De roman loopt niet goed af: Werther pleegt zelfmoord.

Die Leiden werd het allereerste cultboek uit onze westerse cultuur. Een boek waarin een hele generatie jonge Europeanen zich herkende. Werther was hypergevoelig, schopte tegen de burgelijke samenleving en dweepte met eenvoudige, maar edele meisjes. Het boek veroorzaakte een schandaal. Het verketterde de maatschappelijke verhoudingen, verheerlijkte zelfmoord en joeg de kerk tegen zich in het harnas omdat het verhaal leek op het passieverhaal met een Jezus-figuur als hoofdpersoon.

De populariteit van Die Leiden was fenomenaal. De mythe van de romantische liefde verankerde zich voorgoed in ons collectieve bewustzijn. Schrijvers en lezers hebben er eeuwenlang plezier aan beleefd. Zelfs het monster Frankenstein las het boek om zich de cultuur van de mensen eigen te maken! Er was een Werther-parfum en meubels en porselein droegen de beeltenis van de hoofdpersoon.

die wahlverwandschaften

Bij Die Leiden bleef het niet. Goethe’s belangrijkste werk was een toneelstuk: Faust. Het handelde over een wetenschapper die zijn ziel aan de duivel verkoopt in ruil voor succes. Maar ook de boeken: Wilhelm Meisters Lehrjahre (een bildungsroman over een kunstenaar) en Die Wahlverwandschaften (over een open huwelijk) zijn nog altijd het lezen waard en van invloed op schrijver en lezer.

Naast dichter en (toneel)schrijver was Goethe een man met een brede belangstelling en een alleskunner. Hij liefhebberde in mineralogie, plantkunde, biologie en meteorologie. En hij publiceerde theorieën die invloed hadden, zoals zijn Zur Farbenlehre,waarin de wisselwerking tussen licht en donker de basis was. Met zijn wetenschappelijke ideeën was hij inspiratiebron voor mensen als: Nietzsche, Wittgenstein, schilder Turner en pedagoog Rudolf Steiner. Maar ook iemand als Nikola Tesla, pionier van de wisselstroom en het roterende magnetische veld, zei geïnspireerd te zijn door Goethes Faust. Erkenning voor zijn bijzondere gaven kreeg Goethe al bij leven. In 1782 werd hij in de adelstand geheven. Hij mocht ‘von’ aan zijn naam toevoegen.

bron: Made in Europe – Pieter Steinz, Nieuw Amsterdam Amsterdam, 2014johann-wolfgang-von-goethe, famous people

J.A. Dèr Mouw: hij ligt er nog, de steen…

Hij ligt er nog, de steen…

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden / Heb ‘k zelf hem daar gelegd; en ik herken / Heel goed de plek, vlak naast die scheve den, / Waar ’t zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

‘K dacht vaag: Wat ‘k doe, lijkt op wat Pharao’s deden; / Eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen: / Alles vergaat: ben ik niet, die ik ben, / En was en blijven zal in eeuwigheden? –

Ik was gaan liggen, ’t hoofd dicht bij de steen; / En die, in ’t langzaam dieper donker, scheen / Een monument, aegyptisch oud en groot.

Een kleine ster er boven. ‘K dacht: zijn licht / Vertrok, toen ’t graf van Ramses werd gesticht. / En ‘k voelde duid’lijk: ‘k was zijn tijdgenoot.

der mouw met dochter hetty, kb.nl

J.A. dèr Mouw met aangenomen dochter Hetty; bron foto: kb.nl

J.A. dèr Mouw, Adwaita (1863 – 1919)

Uit: Verzamelde werken, Van Oorschot Amsterdam, 1947