‘Parijs dat de jeugd minacht’

parijs minacht de jeugd

foto: Pierre-Ange Carlotte, bron: ID-Vice.com

Witold Gombrowicz (1904 – 1969), geboren Pools, vertrok voor de Tweede Wereldoorlog naar Argentinië en kwam begin jaren 60 terug naar Europa. In Argentinië was hij eerst down-and-out, werd bankmedewerker en begon met het publiceren van romans. Zijn bekendste werken: Ferdydurke, De pornografie en Kosmos. Daarnaast schreef Gombro toneel en hield hij dagboeken bij waaruit hij publiceerde.

De terugkeer van de Pool naar Europa was geen succes. Na een teleurstellend Parijs, vertrok hij naar Berlijn waar hij artist-in-residence was op uitnodiging van de Ford Foundation. Gombro kon niet aarden en werd ziek. In het Franse Vence, leefde hij tot aan zijn dood, lijdend aan astma, terug getrokken op het platteland en voldeed moeizaam en met tegenzin aan verzoeken om zijn werk toe te lichten.

Over de thema’s van zijn 3 grote romans zei hij: ‘Ferdydurke gaat over de mens geschapen door de andere mens; De pornografie is de volwassene geschapen door de jeugdige en Kosmos gaat over de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

Voor de Pool Gombrowicz was de jeugd een alles overheersend thema. Het keerde in vele gedaanten in zijn werk terug. Ook in onderstaand fragment waarin hij ingaat op het gevoel dat Parijs hem teleurstelde.

Om welke cultus van de naaktheid is het mij te doen wanneer ik zeg dat Parijs haar naaktheid verloren heeft? Kan ik het nader preciseren? Ik verlang niet van hen dat zij met een simpel hart het lichaam, de natuur en het natuurlijke leven vereren, ik vraag niet dat zij hymnes aanheffen op de nudisten. Maar ik vraag wel van de mens dat in hem (zelfs al was hij een monster) het idee leeft van de schoonheid van het menselijk geslacht, ik zou willen dat hij het volgende niet vergat: ‘Ik behoor tot een ras dat mij verrukt; ik aanbid de schoonheid van de wereld door de menselijke schoonheid.’

Daarom is het belangrijk, dat wij innerlijk nooit met de periode van ons leven breken waarin de schoonheid toegankelijk is, dat wil zeggen: met de jeugd. Want elk later verkregen schoonheid zal altijd onvolledig zijn, misvormd door het gebrek aan jeugd. Daarom is de jonge schoonheid een naakte schoonheid, de enige die zich niet hoeft te schamen.

En wie voortdurend met de jeugd verbonden is, zal nooit van kleren houden. Dat is het fundament van mijn esthetiek. Om deze afkeer van de kleding gaat het mij, daarom zal ik me niet verzoenen met Parijs dat de jeugd minacht.

Uit: Dagboek Parijs-Berlijn – Witold Gombrowicz, Moussault Amsterdam, 1972, vertaling Paul Beers

‘Gombro’ ervaart smartelijke en ontwapende vrijgevigheid

gombrowicz

Gombro? Tja, eigenlijk is het: Witold Gombrowicz, een van origine Poolse schrijver. Werd in 1904 in Polen geboren en stierf in 1969 in Frankrijk. Schreef verhalen, romans, dagboeken, essays en toneelstukken. Samen met Bruno Schulz en Witkiewicz behoorde Gombro tot de Poolse avant-garde; de reden waarschijnlijk dat hij niet zo bekend is.

En toch, hij studeerde rechten, filosofie en economie, vertrok in 1939 vlak voordat de Duitsers Polen binnen vielen, naar Argentinië, waar hij in bittere armoede leefde. Hij bezocht begrafenissen van volslagen vreemden om aan eten te komen.

Wist zich uiteindelijk op te werken bij een Poolse vestiging van een bank in Argentinië. In 1964 keerde hij terug naar Europa en settelde zich in Frankrijk, waar hij ook stierf.

Gombrowicz literaire werk toont hoofdpersonen die slachtoffer zijn van op de spits gedreven, groteske logica, waarop ze geen vat krijgen en waaraan ze hun identiteit verliezen. Een thema dat we ook kennen van Kafka. Gombro wordt dan ook vergeleken met Kafka, maar ook met literaire reuzen als Beckett en Ionesco. De Pool wordt vaak gezien als een vertegenwoordiger van het Franse existentialisme.

Voordat de Pool terugkeerde naar Europa en zijn stek vond in Frankrijk, dwaalde hij nog een poosje door het Europa van de jaren 60, vorige eeuw. Op uitnodiging van de Ford Foundation ging hij naar Berlijn en Parijs. Wat hem in de hoofdsteden overkwam, hield hij bij in dagboeken. Maar eerst het vertrek uit Argentinië.

Ik zal u een amusante geschiedenis vertellen: op een morgen verlaat ik om half acht mijn huis met de bedoeling elf dringende zaken af te handelen, maar op mijn trap zie ik een jong meisje, een schoonheid van achttien jaar, de verloofde van een van mijn studenten, die haar ‘Weekendtas’ had gedoopt, want, zei hij, met haar loop je als met een weekendtas. En ‘Weekendtas’ snikken, de tranen stromen langs haar wangen, en zij verklaart mij haar liefde; ‘niet allen ik,’ voegt ze eraan toe, ‘ook al mijn vriendinnen, Witoldo, waren of zijn verliefd op je, geen een is ervoor gespaard gebleven!’ Zo hoorde ik nauwelijks een week voor mijn vertrek van het bestaan van zoveel maagdelijke liefdes! Amusant? Zeker, maar toch ook weer niet zo amusant; deze belachelijke triomf op het moment van mijn afscheid doorvoer me met een koude huivering: waren deze meisjes ook allemaal bereid geweest om met mij samen te werken in mijn drama? Hoe vaak niet heeft de heftige reactie van de jeugd op mijn lijden – dat op hen betrekking had! – me verwonderd en verbijsterd, het is iets dat ik ervaar als een smartelijke en ontwapende vrijgevigheid, als een vriendschappelijke toegestoken hand, die mij echter niet meer kan bereiken….

Uit: Dagboek Parijs – Berlijn – Witold Gombrowicz, Moussoult Amsterdam, 1972, vertaling Paul Beers