Jordan Casteel kleurt haar omgeving

jordan casteel 1jordan casteel 2jordan casteel 3

Jordan Casteel (1989, Denver, USA) is ‘hot’ in de VS. Haar werk verkoopt en is populair. Geboren in Denver, verhuisde ze naar Harlem, New York. Daar trekt ze met enige regelmaat de wijk in met haar foto-camera. Foto’s zijn de basis voor haar schilderijen, zoals aan de poses te zien is. Haar portretten van buurtbewoners zijn groter dan echt. Lichtval, kleur en de manier waarop Casteel met verf en kwast omgaat, maken haar schilderijen uniek en opvallend. Belangrijk onderdeel van het schilderij is altijd de omgeving waarin de geportreteerde zich bevindt.

Uiteraard schildert Casteel portretten van zwarte mensen, maar op de schilderijen zien we de geschilderde mensen zelden in die kleur. Wel in groen, paars of zelfs een beetje bleekjes. Casteel doet dat om te laten zien dat we (voor)oordelen over die kleur, onbewust of bewust. Ze schildert figuratief omdat ze niet anders zegt te kunnen. Ze maakt portretten omdat zwarte mensen zelden of nooit op een schilderij te zien zijn en al helemaal niet geschilderd door een jonge, zwarte, zelfbewuste vrouw. Dat ze kiest voor groepsportretten en naakten, is een onderdeel van de bewustwording die haar kunst los moet maken.

jordan casteel 4jordan casteel 5jordan casteel 6

Jeugd Connie Palmen: ‘wat ik zoek, bestaat echt’

50C11937-C1BC-4E28-A879-5117D2C19A15_1_201_a

Ik woon in een dorp en ik weet niet waar ik het moet zoeken. Het enige boek dat ik bezit is een boek over Dik Trom, waar ik niks aan vind, maar dat ik koester omdat ik het van mijn grootmoeder cadeau kreeg. Zelfs Alleen op de wereld heb ik ooit van iemand geleend en weer terug moeten geven. Dat was wel wat, maar het stond evenzogoed mijlenver van me af. Met bijna alles wat ik lees heb ik dat gevoel, dat het ver van mij af staat. Zigeuners, zwervers, zwaarlijvige goedzakken en zwartoogindianen, wat moet ik daar nou mee?

Ik ben veertien en de eerste meester ontfermt zich over mij. Hij neemt boeken voor me mee, uit zijn eigen boekenkast. Waarschijnlijk denkt hij dat ik romantisch ben en hij probeert het eerst met Van Schendel en Van der Leeuw, maar ik ben niet romantisch en ik zoek iets anders. Dan geeft hij me De avonden en vanaf dat moment weet ik dat wat ik zoek ook echt bestaat.

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Connie Palmen (1955, Sint Odiliënberg)

Jeugd Cees Nooteboom: ‘posthume helderziendheid heeft iets onaangenaams’

1FC22E38-87C5-49A8-9074-45415FE94753_1_201_aEen kasteelruïne in de buurt van Well, niet ver van Venray, waar ik als intern bij de fransiscanen op kostschool zat (Gymnasium Immaculatae Conceptionis). Het jaar zou 1948 kunnen zijn.

Er hangt een mooie schaduw over deze vroege foto, en toch schijnt de zon. Alles klopt, het ruïneuze sentiment, het ouwelijke pakje – met plusfours – de bestudeerde pose, de omgevallen zuil, de open deuropening die door geen muur meer gestut wordt, verval. De vraag is of ironie ten opzichte van het vroegere beeld is toegestaan. Degene die later naar die ander van vroeger kijkt weet gewoon te veel, zijn anachronistische blik heeft iets schennends, de ander kan zich tegenover die blik niet verdedigen, want al leest hij dan al Cicero en Livius, hij weet nog niet dat hij later een romanfiguur over het Forum Romanum zal laten lopen tussen andere, dezelfde, brokstukken en afgeknotte zuilen. Historici zijn naar achteren gerichte profeten, heeft Schlegel gezegd. Vooral in het eigen leven heeft die postume helderziendheid iets onaangenaams.

Cees Nooteboom (1933, Den Haag)

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Jeugd Charlotte Mutsaers: ‘doop uw pen in groene inkt’

627A8461-1821-46D6-B1A2-F5D41CA783E6_1_201_a

Een foto uit 1950. Genomen door mijn vader in Wijk aan Zee. Meer dan twintig zomervakanties heb ik doorgebracht in Wijk aan Zee, maar ik zou niet kunnen zeggen wanneer precies het wollen badpak, de rieten badstoel, de vlinderstrik, de autoband en het polkahaar uit het strandbeeld zijn verdwenen. En ik, ben ik er nog? Hier zit ik nog hoog en droog en dat is maar goed ook. Voor me bulderen de golven van de zee en achter me worden de bunkers uit de oorlog opgeblazen.

Het heet dat schoonheid sinds de oorlog haar gezicht heeft verbrand. Dat zie ik hier niet aan af. Alleen al de ballon. Kijk goed, zó houd je een ballon vast: net losjes genoeg dat hij niet knapt en net stevig genoeg dat hij niet ontsnapt. Hij is knalgroen. Even groen als ikzelf. Groen is altijd mooi. Daarvoor hoef je niet eerst je haar te kammen, je plooien te schikken of het zand van je benen te slaan.

‘Doop uw pen in groene inkt’, dat staat in de kleine letterjes van deze foto.

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Charlotte Mutsaers (Utrecht, 1942)

Jeugd Gerrit Krol: ‘Zo lachend, zo gelukkig wilde ik niet zijn.’

jeugd krol_Fotor

Linksonder op de foto: Gerrit Krol

Deze foto is genomen in het voorjaar van 1951, ik denk op Hemelvaartsdag. Locatie: het sportterrein van de psychiatrische inrichting Dennenoord in Zuidlaren. De menselijke piramide wordt ondersteund onder andere door een korfbalmast en tooit zich met de vlag van de schoolvereniging Rhetorica.

Het was een gelukkige tijd. Ik had die winter de dichter Marsman ontdekt en leefde maandenlang in een vitalistische en expressionistische roes, die plotseling culmineerde in deze prachtige dag. Zwervende tussen fonteinen van licht voerde ik een vrouw die niet blond was maar donker, en niet aan mijn zij maar op mijn linker schouder droeg ik haar.

Maar dit geluk ging voorbij, het paste niet in mijn ontwikkeling. In de herfst van hetzelfde jaar maakte ik kennis met het zwarte werk van Camus en Satre. Degene die mij daarin de weg wees is het meisje rechts op de foto. Ze kijkt een beetje om het hoekje, alsof ze wist wat er zou gaan gebeuren.

Consequent existentialist, recht in de leer, heb ik later deze foto verscheurd. Zo lachend, zo gelukkig wilde ik niet zijn. Wat u ziet is een kopie, ietsje minder scherp wellicht en zonder kartelrandje.

Gerrit Krol (1934-2013, Groningen)

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh en Van Ditmar Amsterdam, 1995

Jeugd Rutger Kopland: ‘een paard te zijn in een weiland, onder de paarden’

Paard

kopland-paard2_FotorIn veel van mijn gedichten komen paarden voor. Dat komt, omdat ik een paard heb willen zijn. Het is minder geworden, maar overgaan zal het wel niet. Nu ik erover nadenk komt het zelfs weer vrij sterk terug. Ik herinner mij nu dat ik met mijn broer speelde, dat ik paard was en hij mij mende. Nog voel ik de ergenis over de geringe gelijkenis van mijn lichaam met dat van een paard. Het vervelendste was nog dat mijn broer mij af en toe vragen stelde die een paard nooit zou kunnen beantwoorden. Tot verbazing van mijn veel jongere broer hinnikte ik dan, want ik kon niet praten. Ik herinner mij ook hoe ik eindeloze pogingen heb gedaan om een paard te tekenen. Duizenden tekeningen heb ik gemaakt, ze zijn allemaal mislukt, allemaal hadden ze die ellendige houterigheid die de illusie verstoorde.

Maar het meest levendige gevoel dat ik uit mijn jeugd kan terugroepen is de droom een paard te zijn in een weiland, onder de paarden. Als dat even lukte, als ik even mijn eigen lichaam als het ware verlaten had, was dat geluk, dat woordeloze, gedachtenloze, lichaamloze gat, waaruit ik als een paard te voorschijn kwam, ver weg in een weiland. Dit fotootje maakt me weemoedig; ‘onze dromen zullen wijken voor de feiten, nooit andersom, nooit andersom,’ schreef ik ongeveer dertig jaar later. Er is niet meer dan een weiland en een elfjarig jongetje op zijn knieën met zijn gezicht in een pan. Niet andersom.

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Jeugd Gerrit Komrij: ‘het is of je achterwaarts leeft’

komrij jeugd 2019-05-05 at 19_Fotor

‘Ik vind het – om het mild uit te drukken – nogal onprettig om oude foto’s te bekijken. Ik voel ook altijd de aandrang krijsend weg te rennen, met mijn ene hand mijn haren uitrukkend en me met mijn andere pathetisch op de borst trommelend, als mensen weer eens beginnen herinneringen aan vroeger op te halen. Steeds dezelfde herinneringen. Het is of je achterwaarts leeft, met je rug naar morgen staat. Misschien dat sommigen daardoor de dood (die komende is) een poets denken te bakken, maar voor mij is de walm van nostalgie al net zo verstikkend als de dood.

Er zijn ongetwijfeld veel lessen uit het verleden en de geschiedenis te trekken, maar bewaar me voor dat deel waarin ik zelf rondliep, waaraan ik bijdroeg door bij voorbeeld harteklop, bloedneus, zondagmiddagverveling. Het is bevroren, het staat onder een stolp, en er is een moratorium voor afgekondigd tot aan mijn sterfuur. Probeer het te ontdooien, tik ertegen – en de ontbinding treedt in. Om niet ten prooi te vallen aan de Ontzetting kijk ik naar deze foto als naar een schaakbord, een anatomische les, een oude veldkaart. Het is duidelijk een kiekje van een radiodistributietoestel (‘draadomroep’). Een man die mijn vader moet zijn staat zich te scheren (‘Philips-eitje’) in de buurt van het enige stopcontact. Of slaat hij een borrel achterover? Zijn crapaud wacht in elk geval tot hij klaar is. Een vrouw die mijn moeder moet zijn zit bij een box. Een jongen die ik moet zijn leest in een Prisma-woordenboek. Engels-Nederlands? Nederlands-Engels? Hij is een jaar of tien en heeft geen jongere broers of zusjes. De box is voor het dochtertje van een zuster van zijn moeder. Zijn moeder verzorgt het kind tijdelijk, omdat haar zuster – zijn tante – in het gesticht zit (Het Groot Graffel, Warnsveld). So what?

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert & Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995

Jufs lieveling: Les Écoliers van Robert Doisneau

robert-doisneau-1956-les écoliers

Les écoliers van Doisneau is genomen vanuit het enige juiste standpunt: dat van de onderwijzer of de onderwijzeres. Hoewel onzichtbaar is die (vooruit, laat ik het erop houden dat het een juffrouw is, het kan haast niet anders) de spil waar het hele leerproces om draait, het vanzelfsprekende centrum van de aandacht van deze jongens, al heeft ze op dit moment, nu ze hen aan het werk heeft gezet, even een beetje rust. Nu zijn de rollen omgekeerd en mag zij kijken.

Daarom is de foto niet op haar gericht, maar op dat ene jongetje dicht bij haar lessenaar, het jongetje met dat blonde, wat verwarde haar en die hemelse blik. En dat is logisch: hij is de beste van de klas. En de geheime lieveling van de juf. Het kost haar moeite haar ogen van hem af te houden.

Weet die jongen dat? Doet hij misschien speciaal voor haar zo zijn best? Zeker is dat hij nu in beslag wordt genomen door iets anders. Als het waar is dat hij ook wil laten zien hoeveel hij van de juffrouw houdt, dan in elk geval op de enige niet banale manier, de indirecte, namelijk door het antwoord te vinden op het vraagstuk dat zij zojuist – als een queeste naar het hart van een felbegeerde ervaring – heeft opgegeven.

Hij kijkt omhoog, nergens naar, althans naar niets in het bijzonder. Hij wil niet worden afgeleid, hij wil denken. Maar met de ogen open, anders gaat hij dromen en kan hij het goede antwoord plus de mogelijke rest wel vergeten. Die blik naar het plafond bevrijdt hem een ogenblik uit het hier en nu waar alle andere leerlingen, licht pathetisch geformuleerd, de gevangene van zijn: de een kijkt om, de ander af, een derde zit gespannen over zijn lei en een vierde verwacht het antwoord van de juf. Het is wel duidelijk waarom uitgerekend hij jufs lieveling is.

Uit: Een zoen van de juffrouw; uit: De ontdekking van de wereld – Cyrille Offermans; Bezige Bij Amsterdam, 2000

Robert Doisneau (1912 – 1994, Frans)

Cyrille Offermans (1945)

Eva Gerlach: voor mijn moeder

eva gerlach_1cf9_Fotor

Voor mijn moeder

We liepen op een soort van veld, een ander / had van onze bezittingen bezit / genomen zagen wij van boven af, / stoelen naast het leeggehaalde huis.

Waar denk je aan zei ik en jij / Zwanen in het dakraam, twee, daarzo / hangend / zolang het raam duurt, hun grote / onaffe lijven. Waaraan / jij dan. O geen idee.

Uit: De gevoelige plaat, Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995