Kat Bébert met baasje Céline gevangen gezet

email mascheroni - mascheroni -

bron foto: ilgiornale.it

De beroemdste kat in de literatuur is Bébert. De kat van de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961).

In het oeuvre van de schrijver treedt Bébert op als trouwe metgezel. In juni 1944, na de landing van de geallieerden in Normandië, vluchtte Céline met zijn geliefde, de ballerina Lucette Almansor, via Duitsland naar Denemarken. Door zijn antisemitische pamfletten (lijvige boekwerken) die hij schreef tussen 1937 en 1941 zou hij als collaborateur en landverrader in Frankrijk ter dood zijn veroordeeld.

In de Duitse trilogie vertelt de schrijver op onnavolgbare wijze in associatief, hallucinerend en fulminerend proza over zijn avontuurlijke reis. De kat Bébert droeg hij bij zich in een weitas aan zijn riem. Gedurende zijn ballingschapsjaren in Denemarken was de kat (op de achttien maanden in de gevangenis na) naast Lucette elke dag in zijn gezelschap.

Tijdens de arrestatie van de schrijver en zijn vrouw in Kopenhagen, vluchtte Bébert via een openstaand dakraampje  naar buiten. “Louis werd in een cel opgesloten,” vertelde Lucette later, “ik in een andere op de vrouwenafdeling, ook Bébert werd weer gevangen en aan het dierenasiel, aan een dierenkliniek toevertrouwd, in een kooi.” Welk een solidariteit: alle drie de bak in.

Uit: Niet aaien! – Nico Keuning, 19 oktober 2015,  volzin.nu

Proust over de beperkingen van het boeken lezen

Inderdaad is een van de mooiste en bijzonderste eigenschappen van goede boeken (die ons inzicht verschaft in de essentiële, zij het beperkte rol die lezen in ons geestelijk leven kan spelen) dat ze voor de auteur kunnen gelden als ‘conclusies’ en voor de lezer als ‘aansporingen’. We voelen heel wel aan dat onze eigen wijsheid begint waar die van de auteur ophoudt, en we zouden wensen dat hij ons antwoorden verschaft terwijl hij ons slechts verlangens kan bieden (…) Dat is de waarde en tegelijkertijd de tekortkoming van het lezen. Wanneer we het tot een discipline maken kennen we een te grote rol toe aan wat slechts een aansporing is. Lezen staat op de drempel van het geestelijk leven; het kan ons er binnenleiden, maar vormt er niet het wezen van.

proust, newyorkreviewofbooks

Marcel Proust met tennisracket omringd door zijn familie tijdens een vakantie, circa 1892; bron foto: nybooks.com

Marcel Proust (1871 – 1922, Frans)

Uit: Hoe Proust je leven kan veranderen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 1997

Ontmoeting Proust en Joyce: ‘non’

Alain de Botton (1969, Brits) is filosoof en schrijver. Die twee kenmerken van zijn identiteit brengt hij op interessante wijze samen in het boek Hoe Proust je leven kan veranderen.

In het boek Op zoek naar de verloren tijd houdt de Franse schrijver Marcel Proust (1871 – 1922, Frans) zich met veel kwesties van het dagelijks leven bezig, onder andere met hoe je gelukkig kunt worden. De Botton heeft al die beschrijvingen van Proust bij elkaar geveegd en er zijn commentaar op gegeven. Leerzaam en vermakelijk. Een aanrader.

In het hoofdstuk over vriendschap lees ik een passage over de ontmoeting tussen twee literaire grootheden uit het begin van de 20-ste eeuw: Proust en James Joyce.

‘In 1922 waren beide schrijvers te gast op een galadiner in de Ritz voor Stravinsky, Diaghilev en leden van het Russisch ballet, ter ere van de première van Stravinsky’s Le Renard. Joyce verscheen te laat en zonder smoking. Proust hield de hele avond zijn bontjas aan en wat er gebeurde toen ze aan elkaar waren voorgesteld heeft Joyce later aan een vriend verteld:

“Ons gesprek bestond louter en alleen uit het woord ‘non’. Proust vroeg me of ik de een of andere hertog kende. Ik antwoordde ‘non’. Onze gastvrouw vroeg Proust of hij een bepaalde passage uit Ulysses had gelezen en Proust antwoordde ‘non’. Enzovoort.”

Na het eten stapte Proust met zijn gastvrouw en gastheer, Violet en Sydney Schiff, in zijn taxi, en zonder toestemming te vragen stapte ook Joyce in. Het eerste wat hij deed was het raampje openzetten en het tweede een sigaret opsteken – voor Proust niet minder dan levensbedreigende handelingen. Gedurende de rit observeerde Joyce Proust zonder een woord te zeggen, terwijl Proust aan één stuk door praatte, maar niet eenmaal het woord tot Joyce richtte. Bij Prousts appartement in de rue Hamelin aangekomen nam Proust Sydney Schiff terzijde en zei: ‘Wilt u Monsieur Joyce vragen zich door mijn taxi thuis te laten brengen.’ Hetgeen geschiedde. De beide mannen zouden elkaar nooit meer ontmoeten.

schiff violet and sydney

Uit: Hoe Proust je leven kan veranderen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 1997

Jules Renard: een jager met spijt

Hunting With 'The Fox' by Renard, Jules; Henri de Toulouse-Lautrec

bron foto: klinebooks.com

Het hert

Ik stapte het bos binnen langs één eind van de laan, toen hij van het andere eind aankwam.

Ik dacht eerst dat er een vreemd personage op me afkwam met een plant op zijn hoofd.

Dan kreeg ik het kleine dwergboompje in de gaten, met zijn gespreide bladerloze takken.

Eindelijk tekende het hert zich duidelijk voor me af en bleven we allebei staan.

Ik zei: ‘Kom dichterbij. Wees niet bang. Ik heb wel een geweer, maar dat is enkel om me een houding te geven, om al die mannen te imiteren die zich au sérieux nemen. Ik gebruik het nooit en ik laat de patronen thuis in de kast.’

Het hert luisterde en besnoof mijn woorden van alle kanten. Zodra ik zweeg, aarzelde hij geen ogenblik meer: zijn poten bewogen als stengels die een briesje voor elkaar en weer van elkaar weg doet buigen. Hij nam de vlucht.

‘Wat jammer1’ riep ik hem na. ‘Ik droomde er al van dat we samen verder zouden gaan. Ik zou jou de kruiden en grasjes waarvan je houdt geven, en jij, langzaam voortstappend, jij zou mijn geweer dragen op je gewei.’

Jules_Renard_wikipediaJules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, Meulenhoff Amsterdam, 1970; vertaling Cees Buddingh’, tekeningen Peter de Vos

Jules Renard jaagt op beelden

De beeldenjager

(citaten)

In alle vroegte springt hij uit bed, en gaat niet op pad eer zijn geest helder is, zijn hart zuiver en zijn lichaam luchtig als een zomerpak. Proviand neemt hij niet mee. Hij drinkt onderweg de frisse lucht wel en snuift de gezonde geuren wel op. Zijn geweer laat hij thuis, als hij zijn ogen maar openhoudt, is dat voldoende. Zijn ogen zijn de netten waarin de beelden vanzelf verstrikt zullen raken.

Het eerste dat hij vangt is dat van de weg die zijn botten laat zien, zijn gladde kiezelstenen en de opengebarsten aderen van zijn wagensporen, tussen twee hagen vol bramen en wilde pruimen.

Dan vangt hij het beeld van de rivier. Zij heeft blanke ellebogen en slaapt onder de streling der wilgen. Als een vis er even uit opspringt, schittert zij alsof iemand er een zilverstuk in wierp, en zodra er een fijn regentje valt, heeft de rivier kippenvel.

(..)

Daarna stapt hij het bos in. Hij wist niet dat hij zulke fijne zintuigen had. Al spoedig met geuren doordrenkt, ontgaat hem ook het zwakke geritsel niet, en om met de bomen van gedachten te kunnen wisselen, verweven zijn zenuwen zich met de nerven der bladeren.

Maar al gauw wordt hij zo doortrild, dat het hem haast onpasselijk maakt, hij neemt te veel op, het broeit in hem en gist, hij wordt bang, laat het bos achter zich en volgt van verre de boeren die weer terugkeren naar het dorp.

(..)

Eindelijk, thuis gekomen, zijn hoofd zwaar en vol, dooft hij zijn lamp en voor hij inslaapt telt hij, een hele tijd lang, vol welbehagen zijn beelden.

Gedwee laten zij zich herboren worden al naar zijn herinnering het wil. Het ene wekt het andere weer, en onophoudelijk voegen nieuw aangekomenen zich bij de glinsterende schare, zoals patrijzen die heel de dag zijn vervolgd en vaneen gehouden, ’s avonds, beschut voor het gevaar, elkaar zingend toeroepen bijeen te komen in de holten der voren.

Jules_Renard wikipedia

bron foto: wikipedia

Jules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, vertaald door Cees Buddingh’; geïllustreerd door Peter Vos, Meulenhoff Amsterdam, 1970

Félix Valloton gaat intiem

Félix Édouard Vallotton (1865 – 1925, Zwitsers-Frans) was van oorsprong Zwitsers en kunstschilder. In 1900 liet hij zich tot Frans staatsburger naturaliseren.

Met een artikel in het Franse tijdschrift L’Art et l’Idée werd de aandacht op het werk van Vallotton gevestigd. Hij vestigde zijn naam als illustrator en houtgraveur en zou nog aan vele tijdschriften en ander publicaties meewerken. Vallotton was degene die de techniek van de houtgravure opnieuw leven ingeblazen heeft. Vallotton zou ook jaren met deze techniek blijven werken; een groot deel van zijn inkomsten kwam van zijn gravures.

Bevriend als hij was met Édouard Vuillard, Pierre Bonnard en Maurice Denis kwam Vallotton welhaast vanzelfsprekend ook in de jonge kunstenaarsgroep Les Nabis terecht. Aan de eerste tentoonstelling van de Nabis werkte Vallotton mee.

Met de uitwerking van de serie Intimités was Vallotton op de top van zijn artistieke loopbaan aangekomen.

Intimités was een indrukwekkend werk en werd bij publicatie meer gewaardeerd dan het schilderwerk van Valloton. Het werk omvat 10 houtsnedes, voornamelijk zwart met weinig, maar scherpe witte lijnen. Vallotton deed een poging om de emoties van de Parijse bourgeoisie te verbeelden. Het is een portret van de strijd tussen man en vrouw in theatrale scenes en suggestieve titels. Dat Valloton nogal cynisch was over de liefde, bleek uit deze serie. De afgebeelde vrouwen lijken oppervlakkig, berekenend, wreed, onverzadigbaar en triomferend over de man.

Bronnen: wikipedia; tumblr.austinkleon.com

felix-edouard-vallotton-intimites 5felix-edouard-vallotton-intimites 4felix-edouard-vallotton-intimites 3felix-edouard-vallotton-intimites 2felix-edouard-vallotton-intimites 1

Gavarni illustreerde het Parijse leven

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

paul garvani 3

paul garvani 5Paul Gavarni (1804 – 1866, Frans) was tekenaar en graficus en illustreerde vooral het Parijse leven van zijn tijd. Preciezer gezegd hij tekende en graveerde de eigentijdse zeden. Dat deed hij met vaste hand en met een fijn gevoel voor de verbeelding.

Gavarni werkte mee aan verschillende tijdschriften en illustreerde boeken onder andere van Balzac.

paul garvani 6

paul garvani 4

paul garvani 2In de jaren 1847 tot 1851 verbleef de Franse graficus in Londen. Daar raakte hij onder de indruk van het lompenproletariaat. Hij wijdde veel tekeningen aan de uitzichtloosheid van de armen. Na terugkeer uit Londen begon een uiterst productieve tijd. Vele series litho’s en duizenden tekeningen en aquarellen verschenen van zijn hand. Daaruit een keuze.

Odilon Redon’s obsessie: de duistere wereld van het onbestemde

odilon redon 5

odilon redon 4

Odilon Redon (1840 – 1916, Frans) mag je in één adem noemen met James Ensor (1860 – 1946, Belgisch). Dat heeft te maken met het symbolisme, dat beiden in hun kunstwerken lieten zien. Redon en Ensor schetsten hun droomwereld en vermengden bewust in hun werk de zintuigelijke prikkels. Het werk was bedoeld voor ogen, oren en het hart.

odilon redon 3

Redon zocht zijn heil in de ongebreidelde fantasie en in hallucinaties. ‘Alles komt voort’, schrijft hij, ‘uit de onderworpenheid en het onbewuste.’ De Fransman werd geobsedeerd door ‘de duistere wereld van het onbestemde’.

Ensor en Redon vertolkten in verschillende technieken (ets, litho, gravure, tekening, pastel) vreemde visoenen en dromen waarin de mens wordt vervormd. Dat riep uiteenlopende reacties op: de dichter/schrijver J.K. Huysmans bewonderde Redon: ‘hij schijnt te hebben gemediteerd over het troostrijke aforisme van Edgar Allen Poe: alle zekerheid ligt in de dromen.’

Ook dichter en criticus Stéphane Mallarmé kende het werk van de Fransman en was er enthousiast over: ‘U roert in onze stilten het gevederte van de droom en de nacht. Alles boeit mij en in de eerste plaats hetgeen voortkomt uit uw eigen dromen. De fantasie heeft diepten die overeenkomen met bepaalde zwarten, lithograaf en demon, en u weet het, Redon, ik ben jaloers op uw onderschriften.’

Uit: Meesters der prentkunst in de 20-ste eeuw – Adhémar en Cogniat, Gaade Den Haag, 1964

Fromentin strijdt in Egypte tegen de tijd en het verlies

fromentin de Nijl 6fromentin de Nijl 3Eugène Fromentin (1820-1876, Frans) was een dubbeltalent: hij schilderde en schreef. De schilderijen laten met name oosterse taferelen zien. De boeken die hij schreef waren romans en (reis)dagboeken. Er zijn lieden die beweren dat hij even perfect als Flaubert kon schrijven (Alain-Fourniers). Als Fromentin’s meesterwerk geldt Dominique dat uit 1862 dateert.

fromentin de Nijl 5fromentin de Nijl 2Hans Warren (1921-2001, Zeeuw) was een liefhebber van de reisdagboeken die Fromentin bijhield van zijn tochten in Afrika. Vooral het dagboek dat hij schreef in 1869. De Fransman was als officier van het Légion d’Honneur uitgenodigd als lid van een Frans delegatie voor de feesten bij de opening van het Suez-kanaal.

fromentin de Nijl 4Fromentin, Eugene, 1820-1876; The Banks of the NileVoyage en Égypte behoort, zeker voor iemand die zelf een hartstochtelijk dagboekschrijver is, tot de aangrijpendste journalen die er bestaan. Het toont de worsteling van de mens, de kunstenaar, tegen de tijd en zijn onherroepelijk verliezen. Fromentin, die zoveel van Afrika hield, vond Egypte prachtig. Hij werd overstelpt door indrukken, alles had hij in geschrift en in beeld willen vastleggen. Maar: ‘Het is te laat, ik ben te oud, het gaat te snel.’ Je ziet hem vechten, het notitieboekje op de knie: hoe houd ik het vast. ‘Durven’: de Nijl chocoladebruin schilderen met felblauwe reflexen, het helle groen (‘verdure éclatante’), die honderden details, een jongenslijk dat voorbijdrijft en men laat het drijven, de hebbelijkheid om op alles te schieten, op grote gieren, pelikanen, kraaien, gelukkig bijna altijd mis. Alleen een krokodil is raak, het blijkt dan ook een buffel ‘waarvan men enkel de ruggengraat zag’. Zijn diepe teleurstelling, depressie zelfs als er geen brieven van thuis komen – ze moeten zijn zoekgeraakt. De hitte maakt hem ziek, hij verveelt en ergert zich, maar wordt telkens meegesleept door de schoonheid die hem omringt en die hij, beseft hij, nooit terug zal zien. Geen schets, geen regel mogelijk.

Uit: Binnenste buiten – Hans Warren over dagboeken, Bert Bakker Amsterdam, 1989