Patrick Chamoiseau: ‘waarom de dichter nooit volwassen wordt’

Je verlaat de kindertijd niet, je drukt hem diep in jezelf weg. Je maakt je er niet van los, je verdringt hem. Het is geen proces van verbetering dat naar de volwassenheid voert, maar het langzame afzetten van een korst rond een gevoelige staat die altijd het principe blijft stellen van wat je bent. Je verlaat de kindertijd niet, je begint te geloven in de werkelijkheid, of dat wat de werkelijkheid genoemd wordt. De werkelijkheid is stevig, stabiel, vaak als langs een winkelhaak getrokken – en gemakkelijk. De werkelijkheid (die het kind ruimschoots om zich heen waarneemt) is een complexe en ongemakkelijke ontploffing van mogelijkheden en onmogelijkheden. Groot worden is niet langer de kracht hebben de waarneming ervan te aanvaarden. Of het is het tussen die waarneming en jezelf oprichten van een schild, een mentale bolster. Daarom wordt de dichter nooit volwassen, of maar een klein beetje.

Uit: Creoolse kindertijd – Patrick Chamoiseau, Ambo Baarn, 1993; vertaling Ernst van Altena

thenational.ae, chamoiseaubron foto: thenational.ae

Patrick Chamoiseau (1953, Fort de France, Martinique)

Creoolse kindertijd is een autobiografisch verhaal door Patrick Chamoiseau op schrift gesteld. Het is mijn kennismaking met een wereld die ik niet ken. Die mij vreemd is. En de kennismaking was aangenaam. Het is de beschrijving van het dagelijks leven op het Caraïbisch eiland Martinique, gedomineerd door overleven. Het is een leven in armoede waar mensen dicht op elkaar leven, elkaar na staan. Het is het leven waar men bezig is met eten, drinken, kleding, naar school gaan en werken als dat mogelijk is. Maar ook leven onder de dreiging van geweld en de komst van die dreigende, rampzalige orkaan, die gaat komen. Chamoiseau vertelt over die werkelijkheid met de blik van de dichter. Hij zet die werkelijkheid naar zijn hand waarbij de magie en het mysterie van wat je wel en niet onthoudt een voorname rol speelt. Vanuit je geheugen kun je veel terughalen, maar veel ook niet. Wat haal je terug? Dat de dichter andere aspecten belicht en de werkelijkheid anders beleeft, is in dit boek nadrukkelijk de kracht. Ik las het met groot plezier.

L’atalante: (sur)realistische filmklassieker

L’Atalante werd in 1934 gemaakt door regisseur Jean Vigo. Het is de enige lange speelfilm die Vigo maakte. Enkele weken na de première overleed de Franse filmmaker aan de gevolgen van tbc. Het merendeel van de filmopnamen vond plaats in slechte weersomstandigheden langs de kanalen rond Parijs.

Het verhaal: een jonge binnenschipper, Jean, neemt zijn jonge bruid Juliette mee op zijn boot, die de naam Atalante draagt. De sleur van het alledaagse leven op het schip wordt onderbroken door magische momenten. De film kent sterke personages, zowel hoofd- als bijrollen zijn uitstekend bezet (door bijvoorbeeld Michel Simon).

De setting en de plot zijn realistisch maar de film heeft ook surrealistische trekjes. Er wordt door Vigo verwezen naar het onderbewuste en naar de droomtheorieën van Sigmund Freud. Maar er zijn ook verwijzingen naar de omverwerping van de morele en sociale codes van de burger.

De film werd in eerste instantie slecht ontvangen; aangepast en van een andere titel voorzien. In 1945 werd de film in zijn oorspronkelijke vorm hersteld en sindsdien geldt L’Atalante als een klassieker. Hieronder een droomscene uit de film en een trailer.

Bronnen: Film – Ronald Bergan, Unieboek Houten, 2007; Criterion Collection; BFI

Pépé le Moko: het begin van veel filmplezier

De Franse film Pépé le Moko (1937) is een klassieker. Om een aantal redenen: het is de eerste gangsterthriller die van invloed zou zijn op latere (Amerikaanse) soortgelijke films. Het is het begin van wat we de film noir (ingrediënten: de hardboiled detective tussen de femme fatale en de goede (huwende) vrouw) zijn gaan noemen. En het is het eerste filmverhikel waardoor acteur Jean Gabin (1904-1976, Frans) zich internationaal in de kijker speelde. Gabin zou met zijn onderkoelde acteerprestatie latere Amerikaanse grootheden als Humphrey Bogart, Edward G. Robinson en Robert Mitchum beiïnvloeden.

Het verhaal in het kort: Een van moord verdachte gangster duikt onder in de kasbah van Algiers, tot hij verliefd wordt op een frivole Parijse toeriste. Om haar terug te zien komt hij uit zijn schuilplaats en wordt gearresteerd.

De film is een sfeervolle milieutekening en kent een reeks knap gespeelde bijrollen. Het camerwerk is dynamisch en de locatie (de Algerijnse kasbah) is met stijl benut als voorname bijdrage aan sfeer en stemming. Regisseur Julien Duvivier schreef ook het scenario naar de roman van schrijver Roger d’Ashelbe.

Kat Bébert met baasje Céline gevangen gezet

email mascheroni - mascheroni -

bron foto: ilgiornale.it

De beroemdste kat in de literatuur is Bébert. De kat van de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961).

In het oeuvre van de schrijver treedt Bébert op als trouwe metgezel. In juni 1944, na de landing van de geallieerden in Normandië, vluchtte Céline met zijn geliefde, de ballerina Lucette Almansor, via Duitsland naar Denemarken. Door zijn antisemitische pamfletten (lijvige boekwerken) die hij schreef tussen 1937 en 1941 zou hij als collaborateur en landverrader in Frankrijk ter dood zijn veroordeeld.

In de Duitse trilogie vertelt de schrijver op onnavolgbare wijze in associatief, hallucinerend en fulminerend proza over zijn avontuurlijke reis. De kat Bébert droeg hij bij zich in een weitas aan zijn riem. Gedurende zijn ballingschapsjaren in Denemarken was de kat (op de achttien maanden in de gevangenis na) naast Lucette elke dag in zijn gezelschap.

Tijdens de arrestatie van de schrijver en zijn vrouw in Kopenhagen, vluchtte Bébert via een openstaand dakraampje  naar buiten. “Louis werd in een cel opgesloten,” vertelde Lucette later, “ik in een andere op de vrouwenafdeling, ook Bébert werd weer gevangen en aan het dierenasiel, aan een dierenkliniek toevertrouwd, in een kooi.” Welk een solidariteit: alle drie de bak in.

Uit: Niet aaien! – Nico Keuning, 19 oktober 2015,  volzin.nu

Proust over de beperkingen van het boeken lezen

Inderdaad is een van de mooiste en bijzonderste eigenschappen van goede boeken (die ons inzicht verschaft in de essentiële, zij het beperkte rol die lezen in ons geestelijk leven kan spelen) dat ze voor de auteur kunnen gelden als ‘conclusies’ en voor de lezer als ‘aansporingen’. We voelen heel wel aan dat onze eigen wijsheid begint waar die van de auteur ophoudt, en we zouden wensen dat hij ons antwoorden verschaft terwijl hij ons slechts verlangens kan bieden (…) Dat is de waarde en tegelijkertijd de tekortkoming van het lezen. Wanneer we het tot een discipline maken kennen we een te grote rol toe aan wat slechts een aansporing is. Lezen staat op de drempel van het geestelijk leven; het kan ons er binnenleiden, maar vormt er niet het wezen van.

proust, newyorkreviewofbooks

Marcel Proust met tennisracket omringd door zijn familie tijdens een vakantie, circa 1892; bron foto: nybooks.com

Marcel Proust (1871 – 1922, Frans)

Uit: Hoe Proust je leven kan veranderen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 1997

Ontmoeting Proust en Joyce: ‘non’

Alain de Botton (1969, Brits) is filosoof en schrijver. Die twee kenmerken van zijn identiteit brengt hij op interessante wijze samen in het boek Hoe Proust je leven kan veranderen.

In het boek Op zoek naar de verloren tijd houdt de Franse schrijver Marcel Proust (1871 – 1922, Frans) zich met veel kwesties van het dagelijks leven bezig, onder andere met hoe je gelukkig kunt worden. De Botton heeft al die beschrijvingen van Proust bij elkaar geveegd en er zijn commentaar op gegeven. Leerzaam en vermakelijk. Een aanrader.

In het hoofdstuk over vriendschap lees ik een passage over de ontmoeting tussen twee literaire grootheden uit het begin van de 20-ste eeuw: Proust en James Joyce.

‘In 1922 waren beide schrijvers te gast op een galadiner in de Ritz voor Stravinsky, Diaghilev en leden van het Russisch ballet, ter ere van de première van Stravinsky’s Le Renard. Joyce verscheen te laat en zonder smoking. Proust hield de hele avond zijn bontjas aan en wat er gebeurde toen ze aan elkaar waren voorgesteld heeft Joyce later aan een vriend verteld:

“Ons gesprek bestond louter en alleen uit het woord ‘non’. Proust vroeg me of ik de een of andere hertog kende. Ik antwoordde ‘non’. Onze gastvrouw vroeg Proust of hij een bepaalde passage uit Ulysses had gelezen en Proust antwoordde ‘non’. Enzovoort.”

Na het eten stapte Proust met zijn gastvrouw en gastheer, Violet en Sydney Schiff, in zijn taxi, en zonder toestemming te vragen stapte ook Joyce in. Het eerste wat hij deed was het raampje openzetten en het tweede een sigaret opsteken – voor Proust niet minder dan levensbedreigende handelingen. Gedurende de rit observeerde Joyce Proust zonder een woord te zeggen, terwijl Proust aan één stuk door praatte, maar niet eenmaal het woord tot Joyce richtte. Bij Prousts appartement in de rue Hamelin aangekomen nam Proust Sydney Schiff terzijde en zei: ‘Wilt u Monsieur Joyce vragen zich door mijn taxi thuis te laten brengen.’ Hetgeen geschiedde. De beide mannen zouden elkaar nooit meer ontmoeten.

schiff violet and sydney

Uit: Hoe Proust je leven kan veranderen – Alain de Botton, Atlas Amsterdam, 1997

Jules Renard: een jager met spijt

Hunting With 'The Fox' by Renard, Jules; Henri de Toulouse-Lautrec

bron foto: klinebooks.com

Het hert

Ik stapte het bos binnen langs één eind van de laan, toen hij van het andere eind aankwam.

Ik dacht eerst dat er een vreemd personage op me afkwam met een plant op zijn hoofd.

Dan kreeg ik het kleine dwergboompje in de gaten, met zijn gespreide bladerloze takken.

Eindelijk tekende het hert zich duidelijk voor me af en bleven we allebei staan.

Ik zei: ‘Kom dichterbij. Wees niet bang. Ik heb wel een geweer, maar dat is enkel om me een houding te geven, om al die mannen te imiteren die zich au sérieux nemen. Ik gebruik het nooit en ik laat de patronen thuis in de kast.’

Het hert luisterde en besnoof mijn woorden van alle kanten. Zodra ik zweeg, aarzelde hij geen ogenblik meer: zijn poten bewogen als stengels die een briesje voor elkaar en weer van elkaar weg doet buigen. Hij nam de vlucht.

‘Wat jammer1’ riep ik hem na. ‘Ik droomde er al van dat we samen verder zouden gaan. Ik zou jou de kruiden en grasjes waarvan je houdt geven, en jij, langzaam voortstappend, jij zou mijn geweer dragen op je gewei.’

Jules_Renard_wikipediaJules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, Meulenhoff Amsterdam, 1970; vertaling Cees Buddingh’, tekeningen Peter de Vos

Jules Renard jaagt op beelden

De beeldenjager

(citaten)

In alle vroegte springt hij uit bed, en gaat niet op pad eer zijn geest helder is, zijn hart zuiver en zijn lichaam luchtig als een zomerpak. Proviand neemt hij niet mee. Hij drinkt onderweg de frisse lucht wel en snuift de gezonde geuren wel op. Zijn geweer laat hij thuis, als hij zijn ogen maar openhoudt, is dat voldoende. Zijn ogen zijn de netten waarin de beelden vanzelf verstrikt zullen raken.

Het eerste dat hij vangt is dat van de weg die zijn botten laat zien, zijn gladde kiezelstenen en de opengebarsten aderen van zijn wagensporen, tussen twee hagen vol bramen en wilde pruimen.

Dan vangt hij het beeld van de rivier. Zij heeft blanke ellebogen en slaapt onder de streling der wilgen. Als een vis er even uit opspringt, schittert zij alsof iemand er een zilverstuk in wierp, en zodra er een fijn regentje valt, heeft de rivier kippenvel.

(..)

Daarna stapt hij het bos in. Hij wist niet dat hij zulke fijne zintuigen had. Al spoedig met geuren doordrenkt, ontgaat hem ook het zwakke geritsel niet, en om met de bomen van gedachten te kunnen wisselen, verweven zijn zenuwen zich met de nerven der bladeren.

Maar al gauw wordt hij zo doortrild, dat het hem haast onpasselijk maakt, hij neemt te veel op, het broeit in hem en gist, hij wordt bang, laat het bos achter zich en volgt van verre de boeren die weer terugkeren naar het dorp.

(..)

Eindelijk, thuis gekomen, zijn hoofd zwaar en vol, dooft hij zijn lamp en voor hij inslaapt telt hij, een hele tijd lang, vol welbehagen zijn beelden.

Gedwee laten zij zich herboren worden al naar zijn herinnering het wil. Het ene wekt het andere weer, en onophoudelijk voegen nieuw aangekomenen zich bij de glinsterende schare, zoals patrijzen die heel de dag zijn vervolgd en vaneen gehouden, ’s avonds, beschut voor het gevaar, elkaar zingend toeroepen bijeen te komen in de holten der voren.

Jules_Renard wikipedia

bron foto: wikipedia

Jules Renard (1864 – 1910, Frans)

Uit: Natuurlijke historietjes, vertaald door Cees Buddingh’; geïllustreerd door Peter Vos, Meulenhoff Amsterdam, 1970