Kenneth Eugene Peters schildert het karaktervolle

kenneth eugene peters2kenneth eugene peters4kenneth eugene peters6kenneth eugene peters8

De schilderijen van Kenneth Eugene Peters (USA) zijn geworteld in de Amerikaanse realistische traditie. Vorm en licht spelen de hoofdrol in zijn werk. Peters fascinatie gaat uit naar het schemerlicht aan het einde van de dag. Het schemerlicht dat stemming en sfeer bepaalt in zijn werk. De Amerikaanse kunstenaar werkt het liefst met olieverf op canvas.

Zijn belangstelling gaat vooral uit naar architectuur. Hij onderzoekt in zijn schilderijen het verschil tussen ‘thuis’ en ‘een plek hebben’. ‘We zoeken allemaal een plek die we thuis gaan noemen; een plek die bescherming biedt tegen de buitenwereld en waar wij bepalen wie we binnenlaten,’ zegt hij over zijn speciale gevoel bij architectuur. Het feit dat mensen generaties lang een huis bewonen, zorgt ook voor verwondering bij Peters. ‘Elke generatie laat zijn sporen achter, voegt iets toe aan het huis; verandert het karakter.’

De laatste tijd concentreert Peters zich meer op landschappen. Tijdens zijn reizen door het land maakt hij schetsen en foto’s die later de basis vormen voor zijn schilderijen.

kenneth eugene peterskenneth eugene peters3kenneth eugene peters5kenneth eugene peters7

Bijna iedere dag muziek: the Rolling Stones

De Rolling Stones, wat voor zinnigs kun je daar nog over verhalen? Ze gaan al (te) lang mee en hebben op zijn minst drie generaties aangesproken. Tijdloze muziek? Invloedrijk zeker. Niet dat ze super inspirerend waren op alle momenten. Mijn voorkeur gaat uit naar de periode Exile On Main Street en Sticky Fingers. Platen die ik eindeloos heb gedraaid en die enorme indruk achterlieten. Dus bij deze wat van mijn favorieten destijds.

Generatie(s): tante Marie

Tante Marie

Tante Marie / had een queue de Paris / en ze reed in een rijtuig met paarden. / Tante Marie / zei: ‘Ah, c’est la vie’ / tegen heren met snorren en baarden.

Tante Marie / had zó veel fantasie, / ze borduurde zo fraai en zo netjes. / Ze zat voor het raam / en borduurde de naam / van haar echtgenoot op de servetjes.

Maar zij zag door de hor / een gitzwarte snor / met gitzwarte ogen daarboven. / Tante Marie / zei: ‘Ah, mon ami!’ / en zij liet hem in één der alkoven.

Maar als haar man / weer thuiskwam, ja dan / zat Tante Marie o zo netjes / rechtop voor ’t raam / en borduurde zijn naam / in rood op de linnen servetjes.

Tante Marie / zei: ‘Ah, c’est la vie!’ / en ze heeft hem drie zoons mogen baren. / De jongste der drie / leek op Tante Marie, / behalve zijn gitzwarte haren.

En als ik hem zie / op de fotografie / die mijn brave familie mij stuurde, / dan denk ik: Mais oui! / c’etait la vie / de ma tante Marie / met haar queue de Paris / die zo fantasie-vol borduurde!

anniemgschmidt, famme.nl

bron foto: famme.nl

Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995)

Uit: Tot hier toe, Querido Amsterdam, 1986

Generatie(s): knapenmin

Knapenmin

Als kind begeerde ik mijn tante Saar. / Haar torso was ’t centrum van gedachten, / welke mijn ouders niet van mij verwachtten, / want och, ik was een knaap van dertien jaar.

Soms, als zij bij ons op visite zat, / haar weelde door een zomerjurk ontspannen, / bleek één verlangen maar niet uit te bannen: / mijn kinderhand te leggen op haar boezemschat.

O, als zij bukte om iets op te beuren! / Hoe scherp zagen mij jongensogen dát. / Maar let eens op: te zelden valt er wat / en zelfs een kind mag er niet steeds om zeuren.

Soms deed mijn blik haar in gepeins vervallen. / Dan sprong ik schutterig naar buiten, / toonde een kindertronie voor de ruiten / en riep: ‘O lieve tante, komt u ballen?’

Carmiggelt g.verkuil

Simon Carmiggelt in 1970. foto: G. Verkuil; bron foto: literatuurmuseum.nl

Karel Bralleput (pseudoniem van Simon Carmiggelt 1913 – 1987)

Uit: De gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 1977

Generatie(s): twee

Twee

Kijk eens naar deze man en deze vrouw / en hoe hij stuntelt om zijn veel te sterke / gevoelens aan geen mens te laten merken. / Wat zij in hem zag zie je niet zo gauw.

Maar raadhuiszalen evenmin als kerken / noch hemelbedden telen zoveel trouw. / Twee lichamen die warm bij elke kou / ook nog twee zielen liggen te verwerken.

Dit hardop lezend hoor ik hoe een floers / zich zachtjes om mijn strottenhoofd komt leggen / terwijl ik toch niets treurigs heb te zeggen. / Wees maar jaloers, wees maar gerust jaloers. / Zoveel geluk wil ik met niemand ruilen. / Pas op hoor of ik maak je aan het huilen.

Uit: De tweede ronde (literair tijdschrift), 1984

Lachen in een leeuwKees Stip houdt in Ouwehands Dierenpark een vers dier in zijn armen. bron foto: 4umi.com

Kees Stip (1913 – 2001)

Generatie(s): echtpaar in de trein

Echtpaar in de trein

Voor ’t verre reisdoel kant en klaar / zit ik dus tegenover haar. / De trein maakt zijn vertrouwd geluid / en zij rijdt vóór, ik achteruit.

We zien dezelfde dingen wel, / maar ik heel traag en zij heel snel. / Zij kijkt tegen de toekomst aan, / ik zie wat is voorbij gegaan.

Zi is de huwelijkse staat: / de vrouw ziet wat gebeuren gaat, / terwijl de man die naast haar leeft, / slechts merkt wat zijn beslag al heeft.

Van nieuw begin naar nieuw begin / rijdt zij de wijde toekomst in, / en ik rij het verleden uit. / En beiden aan dezelfde ruit.

willem wilmink, tubantia

bron foto: tubantia.nl

Willem Wilmink (1936 – 2003)

Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, Prometheus Amsterdam, 1986

Generatie(s): thuiskomst

Thuiskomst

Het liefst zou ik de landerige stad / waar ik als kind mijn leven heb gesleten / uit mijn geheugen wegdoen, en vergeten / wat ik in al die jaren niet vergat.

Maar kijk, ik weet van elke straat, elk pad, / van elke hoek, elk gat, nog hoe ze heten. / Al wat geweest is heeft in mijn geweten / als evenzoveel wroeging postgevat.

Het rijtjeshuis waar nu mijn ouders wonen / ligt aan een onverzoenlijk nieuwbouwplein, / maar het is zaak mijn wanhoop niet te tonen:

ik ga naar binnen, en ik word weer klein, / en zeg, als alle goede, grote zonen, / dat ik gelukkig ben weer thuis te zijn.

jp rawie

foto: Bert Nienhuis; bron: kb.nl

Jean Pierre Rawie (1951)

Uit: Onmogelijk geluk, Bert Bakker Amsterdam, 1992

Generatie(s): zoon

Mijn zoon

Mijn zoon stormt door het huis, / een roffel op de trap. Hij is / zichzelf een motor. Het lied / dat in hem leeft ontsnapt hem / soms. Ik hoor hem zingen / op de gang en zwijg.

’s Nachts is hij bang. Hij twijfelt / aan zichzelf, aan ons, de wereld. / Ik neem hem in mijn arm / en zonder spreken vaag ik / de oorlog weg en kinderkanker, / mijn eigen dood, het monster van de tijd.

Ik lieg hem voor en red hem / tot wij beiden slapen in gestolen veiligheid.

Anna Enquist

bron foto: Sneeker Nieuwsblad

Anna Enquist (1945)

Uit: Soldatenliederen, 1991

Generatie: jong seun

in de teil

(bron foto: Bunt Blogt)

Jong seun

Die seun klim druipend uit die bad, / sy hele lyf is gaaf en glad

en heel tot in die holte van / syn nael waaroor ’n seepbel span.

Strak ledemate, ribbekas / hoekig en hard soos ’n kuras,

handdoek in hand staan hy bereid, / gerig en toegerus tot die stryd.

Toch, onvolkome afgerond, / hoe sal die lewe hem nog wond:

in sy Achilleskern vind / hy geen beskutting – Man of kind:

geheg aan die benedebuik / waar blink haarrankies reeds ontluik

dewaar, teer soos ’n ooglid, sag / soos murg, hang weerloos die geslag.

Elisabeth Eybers (1915 – 2007), Zuid-Afrikaans

Uit: Versamelde Gedigte, 1990

Generatie: moeder

Moeder bron- klein-eyckenstein.nl

… zijzelf was als de zee…; bron foto: klein-eyckenstein.nl

Moeder

Zijzelf was als de zee, maar zonder stormen. / Even blootshoofds en met een brede voet. / Rijzend en dalend op haar vloed, / als kleine vogels op haar schoot gezeten, / konden wij lange tijd haarzelf vergeten, / rustend en rondziend en behoed. / Haar stem was donker en wat hees / als schoven schelpjes langs elkander, / haar hand was warm en stroef als zand. / En altijd droeg zij om haar bruine hals / dezelfde ketting met een ronde maansteen, / waar in een neevlig blauw een kleine gele maan scheen. / Voorgoed doordrongen door haar kalm geruis / waren wij steeds op reis en altijd thuis.

M. Vasalis (1909 – 1998)

Uit: Vergezichten en gezichten, 1954