Poëzie im Frage: het gedicht is het ontbrokene

We zouden het best kunnen stellen met de dingen afzonderlijk. Met betogen, analyses en studies over alles wat er zoal in de wereld en het leven voorhanden is, en daarnaast met het beleven ervan. We hebben onze handen al vol met liefhebben en sterven, en wie daar nog meer over wil weten kan heel goed terecht in het werk van filosofen, biologen, sociologen, psychologen, fysici, historici en journalisten. Dan hebben we ze allebei, meemaken en verstaan, gevoelens en inzichten. Ze respecteren elkaars domein. En dan komt de dichter en die wringt zich tussen die twee in, terwijl er eigenlijk helemaal geen stoel meer vrij was. Hij stoort zich nauwelijks aan de boze blikken en aan het gemor van zijn buren. Het gedicht is een indringer in een geordende wereld. Het gedraagt zich onfatsoenlijk omdat het emoties en irrationaliteit binnenbrengt in het territorium van het inzicht. Het verstoort de helderheid daarvan, het spreekt met een dikke tong, waardoor de woorden soms wat verschuiven of op andere woorden gaan lijken. Het klinkt de begrijper als dronkemanstaal in de oren of als hysterisch gejammer. Hij vindt dat gênant. Het gedraagt zich echter even onfatsoenlijk tegenover wie gewoon maar wil leven. Ook dat domein dringt het binnen met zijn behoefte om te noemen, om er nog eens woorden bovenop te leggen. Dat stoort die mensen, zij vinden het gebrek aan inleving en respect.

Maar het gedicht gedraagt zich alsof het welkom is, zelfs alsof het onmisbaar is. Alsof er werkelijk ‘honger is naar heelhuids weten’, zoals Lucebert schreef:

ik ben een stem die geen stem geeft / aan wat al reeds een stem heeft / maar die op een pijnlijk zwijgen / het voorbeeld van een woord legt.

We kunnen dat wel missen. Soms missen we dat. Het gedicht is het ontbrokene.

Uit: De dichter is een koe, over poëzie, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

youtube, Brems, Hugobron foto: youtube.com

Hugo Brems (1944, Heverlee, België)