John Berryman: 4

4

Haar stevige & lekker lichaam vullend / met de kip-paprika, keek ze me aan / twee maal./ Wee van de belangstelling hongerde ik terug / en slechts het feit van echtgenoot & nog vier lui / weerhield me om haar te bespringen

me voor haar voetjes neer te werpen, roepend / ‘Jij bent het geilste stuk in jaren duister / dat Henry’s blinde ogen / ooit zagen, Schittering!’ Ik lepelde / (wanhopig) mijn spumoni; – Heer Bones: zit vol / de weveld, met voedvame meifjes.

– Zwart haar, Latijns gelaat, karbonkels neer… / Die pummel naast haar smult… wat voor mirakelen / broedt ze eigenlijk op, daarzo? / Het restaurant gonst of ze op Mars zit. / Waar ging het mis? Er moest een wet zijn tegen Henry. – Die is er, meneer Bones.

john berryman, newsweek.comJohn Berryman (met bril en baard) in zijn meest geliefde omgeving: de kroeg. bron foto: newsweek.com

John Berryman (1914 – 1972, USA)

Uit: The Dream Songs, Farrar, Straus and Giroux Inc New York, 1969; vertaling Rob Schouten

Daniël Billiet: het gerucht

Het gerucht

ik weet niet hoe of dit komt / maar overal hoor ik het sterven

ik hoor hoe het behang vergeelt / hoe rimpels groeien op moeders gezicht

en hoe de warmte steeds langer en / droever gaat slapen in jouw blik

nog leg ik mijn oren te luisteren / en hoor het bos sterven in de bomen

op elk blad staat geschreven hoe / het groen sterft in het bruin

steeds verder spits ik de oren / maar van geboorte hoor ik slechts het sterven

ik weet niet hoe of dit alles komt / maar dit bekomt me niet zo best

want als elk geluid uitsterft / hoor ik het sterven van eigen oren

daniel billiet, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Daniël Billiet (1950, Vlaams-Belgisch)

Uit: Het is hopeloos, maar voor de rest gaat alles goed, Orion-Colibrant Brugge, 1978

Prachtzin van Gerard Reve

Werther Nieland is het verhaal. Gerard Reve publiceerde de novelle in 1949. Het is een voorbode van wat nog komen gaat. Er heerst al humor, een sombere sfeer en een unieke stijl. En Reve benoemt vooral het zwijgen. Seksualiteit en krankzinnigheid lezen we tussen de regels door.

En dan die prachtige zin:

Op de lege slaapkamer bleef ik lang voor het raam staan. Uit de dennetakken regenden schaars enige naalden. ‘De stilte zeilt als een schip,’ dacht ik.

reve-we are public.nl

bron foto: wearepublic.nl

Gerard Reve (1923 – 2006)

Uit: Werther Nieland, LJ Veen Amsterdam, 1949

Charlotte Mutsaers over het belang van pootjes

Ik word blij van Charlotte Mutsaers. Ze is oorspronkelijk, uniek en heeft humor. Ze behoort tot de weinige auteurs die je op andere gedachten brengt. En dat is al heel wat.

Een voorbeeld:

Waar zijn de pootjes gebleven? Ooit droeg alles pootjes: het bed, het bad, de kachel, de kast, de radio, de fruitschaal, de televisie, het fornuis, de suikerpot, de wekker. Vandaar dat het in oude huizen ’s nachts een drukte van belang was. Nu is alles even plat vanonder als een naakte slak. Al die rechthoeken en blokken lijken wel aan hun ondergrond vastgekleefd. Er kan geen lucht meer onderdoor. Nooit worden er nog jasjes voor de wekker gebreid of voor de kruik. De hooikist werd opgeheven. De dingen staan in de kou en voor je het weet zijn de poten onder je stoel weggezaagd.

Uit: Kersebloed, Bezige Bij Amsterdam, 2009

Herman Melville beschrijft zijn eigen ellendige leven

 

Herman_Melvillebron foto: daily.jstor.org

Herman Melville kennen wij, lezers, als de schrijver van het klassieke meesterwerk Moby Dick. Melville (1919 – 1891, USA) moest na de vroege dood van zijn vader de kost verdienen. Hij zwierf op zee, keerde terug op het land en ging schrijven. Zijn beroemdste werk zou Moby Dick worden. Een boek dat bij het verschijnen in 1851 neergesabeld werd door de kritiek en niet veel lezers vond. Tot grote teleurstelling van Melville. Reden voor de schrijver zich terug te trekken en uiteindelijk anoniem en eenzaam te sterven.

In 1853 verscheen (anoniem) De klerk Bartleby. Een kort verhaal over de klerk Bartleby die aan de slag gaat als kopiist op een juristenkantoor, hartje Wall Street. In het begin werkt Bartleby hard en naar tevredenheid van zijn baas. Maar op een zekere dag besluit Bartleby geen opdrachten meer uit te voeren. Hij wordt niet ontslagen, maar draagt verder niet meer bij aan de productie van het kantoor. Als een onwelwillende schim houdt hij de gemoederen bezig van zijn baas en zijn collega’s. Na verhuizing van het kantoor en opsluiting van Bartleby in het gevang, neemt zijn leven een dramatische wending. De klerk die liever niet meer kiest, zijn leven passief ondergaat, staat symbool voor wat Melville overkwam na het mislukken van Moby Dick.

Melville zelf omschreef het zo in dit korte maar krachtige verhaal:

Toch was ik er niet helemaal gerust op en uiterst nieuwsgierig keerde ik ten slotte naar de deur van mijn kantoor terug. Ik stak zonder problemen mijn sleutel in het slot, opende deur en ging naar binnen. Bartleby was nergens te bekennen. Ik keek gespannen rond, gluurde achter zijn scherm, maar het was zonneklaar dat hij vertrokken was. Toen ik de plek nauwgezet onderzocht, rees bij mij het vermoeden dat Bartleby gedurende een onbepaalde periode in mijn kantoor gegeten, geslapen en zich aan- en uitgekleed moest hebben, en dat alles ook nog zonder bord, bed of spiegel. De kussens van de zitting van een wrakke, oude sofa in een hoek droegen de vage afdruk van een magere, op de rug liggende vorm. Onder zijn bureau vond ik een opgerolde deken, onder het lege haardrooster een doos zwarte schoensmeer en een borstel, op een stoel een blikken kom met zeep en een rafelige handdoek, in een krant wat kruimels van de gemberkoekjes en een stukje kaas. Nu is het echt duidelijk, dacht ik, dat Bartleby hier zijn intrek heeft genomen, en er in zijn eentje een vrijgezellenbestaan leidt. Onmiddellijk werd ik bevangen door de gedachte: wat een eenzaam, ellendig leven zonder vrienden komt hieruit naar voren. Hij is straatarm, maar zijn eenzaamheid is nog afschuwelijker! Stel je eens voor. Een zondag, Wall Street is zo verlaten als Petra en ’s nachts is het er totaal uitgestorven. Ook dit gebouw dat op een doordeweekse dag zindert van leven en activiteit, weergalmt hol en leeg als het eenmaal nacht is, en is de godganse zondag verlaten. En hier neemt Bartleby zijn intrek, als enige toeschouwer van een eenzaamheid, een ruimte die hij dichtbevolkt heeft meegemaakt – een onschuldig soort Marius in andere gedaante die te midden van de ruïnes van Carthago zit te peinzen!

Herman Melville (1819 – 1891), Amerikaans

Uit: De klerk Bartleby, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2017

Drs.P en de bedreigingen voor het kannibalisme

Op kannibalisme

kannibalisme

bron illustratie: dreamstime.com

Het oerwoud wordt onttakeld en begaan / Om westerse beschaving in te luiden / Wat dus het luiden van de doodsklok is / Voor eeuwenoude pittoreske zeden

Voor kannibalen is er niets meer aan

Want typhus, AIDS en dat soort narigheden / Bederven het genoegen van de dis / Wat baren keukenmeesterschap en kruiden? / Steeds vaker laten zij het eten staan

Drs.P (Heinz Polzer, 1919 – 2015)

Uit: Boeiende lectuur, Ars Scribendi Harmelen, 1994

Als je partner niet deugt… (volgens Annie Proulx)

annie proulx,

E. Annie Proulx, bron foto: the Sunday Times

Hoofdpersoon Quoyle verliest zijn vrouw Petal bij een ongeluk. Met de dood van deze meedogenloze veroveraarster begint het verhaal van Scheepsberichten. Proulx‘ roman beschrijft de verhuizing van de gedesillusioneerde Quoyle en zijn dochters naar de streek waar hun voorouders vandaan komen. Daar, in een klein vissersdorpje waar de elementen vrij spel hebben, vindt de goeiige Quoyle binnen een jaar wat hem sinds zijn vroege jeugd is onthouden: respect en liefde. Hij wordt hoofdredacteur van de plaatselijke krant waar hij als compilator van de scheepsberichten is begonnen, en krijgt een relatie met de jongbestorven weduwe Wavey die, als een van de eersten in Quoyle’s leven, niet afgeschrikt wordt door zijn ‘onvermogen om er normaal uit te zien’.

Deels uit: nrc.nl/verleid-met-zeehondevinnetaart-het-milde-absurdisme-door Pieter Steinz (1995)

Hij zou het zeggen. ‘Petal ging vreemd. Ze viel op andere mannen’, zei Quoyle. In het midden latend hoezeer ze op andere mannen viel, en op hoeveel andere mannen. Maar Wavey begreep het wel, ze siste. Had ze niet al vermoed dat er een vuiltje aan de lucht was? Zoals Quoyle over zijn liefde praatte, maar nooit over de vrouw? Nu kon ze zelf ook wel een van haar geheime laatjes opentrekken.

‘Weet je’, zei ze. ‘Herold.’ Dacht aan Herold, die, stinkend naar sigaretten, rum en ander vlees, tegen de ochtend aan kwam struikelen en zich naakt tussen de lakens liet glijden, zijn schaamhaar nog plakkerig van zijn drukke nacht. ‘Het is maar kutsap, wijf,’ had hij gezegd, ‘en hou nou je bek.’ Ze ademde diep uit en zei nogmaals: ‘Herold.’

‘Mmm’, zei Quoyle.

‘Herold’, zei Wavey, ‘was een rokkenjager. Hij beschouwde mijn lichaam als een soort trog. Waar hij, na hen, nog eens kwam slurpen en slobberen. Het voelde alsof hij in me braakte, als hij klaarkwam. En dat heb ik nog nooit tegen iemand gezegd, alleen tegen jou.’

Een lange stilte. Quoyle schraapte zijn keel. Kon hij haar aankijken? Bijna.

‘Ik weet nu iets dat ik een jaar geleden nog niet wist’, zei Quoyle. ‘Petal deugde niet. En misschien dat ik daarom van haar hield.’

‘Ja’, zei Wavey, ‘met Herold was het net zo. Net alsof je het gevoel hebt dat dat het enige is wat je verdient. En hoe erger het wordt, hoe meer je ervan overtuigd raakt dat het je verdiende loon is, want anders zou het wel anders zijn. Snap je wat ik bedoel?’

E. Annie Proulx (1935, USA)

Uit: Scheepsberichten, De Geus Breda, 1993; vertaling Regina Willemse

De vrouw verschijnt in vier gedaanten

A_Whaleship Clifford_Warren_Ashley

De rode draad in Scheepberichten is het knopenboek van Ashley. Clifford W. Ashley was een Amerikaans schilder, schrijver, zeeman en knopen-expert. Zijn schilderijen gaan over het leven van de zeeman, zoals hierboven het schilderij van een walvisvaarder die in het dok ligt.

Quoyle is de hoofdpersoon uit E. Annie Proulx‘ roman Scheepsberichten. Wavey Prowse is de vrouw waarvoor hij gaat vallen. Dit is de fase in de roman waarin de liefde ontluikt maar nog twijfelachtig is.

Quoyle in gedachten bij William Ankle. ‘Wat betekende dat nou, wat je vader zei over de rijzige, stille vrouw? Je zei het over Wavey Prowse. Iets wat je vader altijd zei. Een gedicht of gezegde.’

‘Oh, dat? Even denken. Hij zei altijd dat er vier vrouwen in het hart van iedere man huisden. De Maagd in het Veld, de Demonische Minnares, de Kloeke Vrouw en de Rijzige, Stille Vrouw. Gewoon iets wat hij zei. Ik weet niet wat het betekent. Ik weet niet waar hij het vandaan had.’

‘Ben je nooit getrouwd geweest, Billy?’

‘Tussen ons gezegd en gezwegen, ik leed aan een nogal persoonlijke aandoening en wilde niet dat iemand dat wist.’

Quoyles hand naar zijn kin.

‘In de helft van die gevallen,’ zei Billy, ‘die seksgevallen die Nutbeem en Tert Card spuien, weet ik niet wat ze bedoelen. Wat de lol ervan is.’ Wat hij wist was dat vrouwen gevormd waren als bladeren en dat mannen vielen.

E. Annie Proulx (1935, Amerikaans)

Uit: Scheepsberichten – E.Annie Proulx, De Geus Breda, 1993

Schrijven – Beheersen – Genieten

Waarom is Vladimir Nabokov zo’n grote schrijver? Als ik werk van Nabokov lees, word ik me van van alles bewust. Hoe de schrijver de werkelijkheid naar zijn hand zet. Hoe hij me manipuleert. Hoe hij er humor aan toevoegt. Hoe hij me laat voelen dat ik lees. Dat hij betekenis geeft aan de werkelijkheid die hij gekozen heeft. Dat hij me vaak op het verkeerde been zet. Dat hij preekt zonder dat het op preken lijkt. Zoiets.

Schrijven is voor mij: een eigen werkelijkheid scheppen in fraaie bewoordingen, die je als lezer laat binnentreden zonder het idee dat die werkelijkheid niet ‘echt’ of ‘waar’ zou zijn. Nabokov voegt daar een eigen laag aan toe: je doen beseffen dat hij dit voor je doet. Ik voel me voortdurend gemanipuleerd zonder dat het me ergert.

Nabokov beheerst het (ambachtelijk) schrijven tot in de finesses. Dan begint ook het genieten. Hij zet het schrijven naar zijn hand; geeft er op geheel eigen wijze en met een geheel eigen stem vorm en inhoud aan. Daarom is hij groots.

Ik moest hieraan denken toen ik een korte anekdotische tekst over Nabokov las, geschreven door Henk Hofland. Het is een tekst die geheel op Nabokov-wijze je als lezer manipuleert:

playing biljardHet was in New York

Nabokov en een vriend zaten in een café. Schemerige ruimte, links de tapkast, rechts tafels en stoelen. In het midden het biljart onder een lage lamp.

Ze speelden een partijtje, weldra gingen ze op in hun bedrijvigheid.

Achter in de ruimte werd langzaam een deur geopend. Er verscheen een jongen van een jaar of vijf. Hij bleef staan en keek naar de spelers.

Het was Nabokovs beurt, maar hij was verdiept in iets anders, verloren in het tafereel van het kind in de deuropening.

Hé Vladimir, je staat te suffen!

Ik sta niet te suffen, zei Nabokov. Ik kijk naar iemand die kijkt naar iets wat hij zich over veertig jaar zal herinneren.

Uit: Bemande essays – Henk J. A. Hofland, Bezige Bij Amsterdam, 2011