Jeroen Brouwers kondigt het onvermijdelijke aan

Uit: Bittere bloemen

418144_(3922456290)

Sybille von Cleve geschilderd door Lucas Cranach de oudere. Een geschilderd miniatuur van Cranach speelt een rol in Bittere Bloemen

De hemel is bespikkeld met ballonnetjes opeens, uitgelaten buitelend, zilverig in de zon, en kinderen smijten met boogbewegingen van hun armen zeepbelletjes om zich heen uit van die plastic ringetjes aan steeltjes die ze eerst in het sop hebben gedoopt, terwijl Juultje driekwart eeuw geleden bellen blies uit een aarden pijpje, dat brak als je het uit je handen liet vallen, hij heeft er nog verdriet van. Al die feestballonnen, hier en daar deinen ze in sappige trossen, als druiven, kersen, bessen, denkt hij uitgeloogd van dorst, en al die om hem heen dansende en uiteenknappende zeepblaasjes zijn gevuld met lucht. Hij zweeft weg in onaanwezig water vol luchtbelletjes, – water dat hij dus niet kan drinken, omdat het er niet is, en lucht uit uiteenspattende belletjes die hij niet kan opsnorkelen. Zijn hoofd is omwikkeld met plakband, alle openingen afgesloten, en terwijl hij vanuit een of andere afstand waarneemt hoe hij kwijtraakt, alles wordt wit, steeds witter, beseft hij nog in verre vaagte dat er uit het plafond vingers, handen, armen tevoorschijn komen, die aan hem beginnen te sjorren. Voeten, knieën, benen. Hoofden, stemmen.

‘Kunt u mij horen professor? Professor?’

Nee, horen doet hij niets meer. Zie je niet dat ik dood ben?

Jeroen Brouwers (1940)

Uit: Bittere Bloemen, Atlas Amsterdam, Antwerpen, 2011

Middellandse Zee: Aix en Provence

LUBERON-MARKET-AND-VILLAGES-588f083494139

Luberon in de buurt van Aix en Provence, bron foto: ParisCityVision

Aix en Provence

Er wiegelt een processie langs / met pompelmoezen op het hoofd; / ze laten straks hun vrolijkste gedachten daarin gisten.

de stoet verdwijnt, het kermen / van twee mirlitons blijft hangen, / als angst, als een handvol rode / krabben uit de méditerranée

er hangt een lichte barbarie / over ’t stilaan donkerende plein – / ginds in de vensters wordt een nieuwe / generatie kaarsen opgestoken –

nu brandt in de kapel het strovuur / met een zoet bekend parfum / en als de doorsnee van een meikever / is deze dag diepzwart geworden.

Wilfred Smit (1933 – 1972)

Uit: Verzameld werk, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 1983

Y = Yo La Tengo

Yo La Tengo is Spaans voor Ik heb ‘t! En toch: Yo La Tengo is een op en top Amerikaanse band. Sterker nog: het is The Velvet Underground 2.0. Lou Reed en Moe Tucker heten in deze band: Ira Kaplan en Georgia Hubley. Maar toch: Yo La Tengo is vooral een band die avontuur koppelt aan onafhankelijkheid, creatieve ambitie en: enthousiasme! Dat maakt de band het lieverdje van veel critici en een bescheiden publiek.

Die vergelijking met The velvet Underground heeft vooral te maken met het laveren tussen uitersten: je hoort bij YLT lieflijke, zacht gespeelde melodieuze liedjes waarbij Ira en Georgia beurtelings de leadvocalen voor hun rekening nemen. Maar ook feedback-driven noise rock waarbij Kaplan zich kan uitleven op de gitaar. Dat levert spannende en onvoorspelbare muziek op.

YLT is voor veel Indie-bands een lichtend voorbeeld. Nee, een instituut. De band wordt gewaardeerd om haar eigenzinnigheid en het gebrek aan interesse voor de rock-bizniz.

Klassiek meesterwerk van de band: I Can Hear the Heart Beating as One. Daar is de band op haar top. De stemmingen veranderen per nummer maar subtiel. Ondertussen speelt de band het hele palet aan curieuze stijlen dat ze zich heeft eigen gemaakt. Met een prachtplaat als gevolg!

S: the Smiths

The Smiths: een typische Britse band (standplaats Manchester) die in de jaren ’80 koos voor een rock-geluid, nummers van drie minuten, die niet teruggrepen naar gitaarrock die wel al kenden. The Smiths brachten iets nieuws tot stand.

The Smiths was het resultaat, de optelsom, van twee bepalende leden: gitarist Johnny Marr en zanger Morrissey. Beiden wentelden zich in de doe-het-zelf-houding van de punk, maar brachten ook pop, meisjesgroepen en rockabilly als invloeden mee. Terwijl Johnny Marr eruit zag als een nette versie van Keith Richards en zijn opgestapelde en gelaagde gitaarriffs opnam in de studio, bepaalde zanger Morrissey het beeld en de teksten. Morrissey wilde geen rock-zanger zijn, probeerde te croonen, was een liefhebber van de romantische poëzie van Oscar Wilde en had een hekel aan iedereen. Het succes van The Smiths en hun vernieuwende kracht zat in de botsing van die twee karakters. Dat werkte een aantal jaren en (5) albums perfect en daarna konden de twee elkaar niet meer luchten of zien. Morrissey ging solo verder.

This Charming Man was mijn eerste kennismaking met de Britse band en ik was overdonderd. Een gitaargeluid dat ik niet eerder hoorde of kende, een zanger met een stem die als een handschoen paste bij de muziek. Een hoes die verwees naar een filmstill. Die merkwaardige zanger die tegen alle heilige huisje aanschopte, openlijk voor zijn homoseksualiteit uitkwam en niet vies was van meningen, die niet altijd goed vielen.

Terwijl Morrissey zich verloor in politieke debatten waarbij Thatcher het moest ontgelden, trok Johhny Marr zich steeds meer terug in de studio, zocht samenwerking met andere artiesten en probeerde zijn muzikale horizon te verbreden. Dat wekte ergernis bij Morrissey. Na een ernstig auto-ongeluk kwam Marr een poosje buiten de band en had tijd om na te denken. Zijn conclusie: hij wilde niet verder met The Smiths. Er was een eind gekomen aan een prachtige muzikale tweestrijd, die de mooiste Britse gitaarpop uit de jaren 80 opleverde.