Verwant: drie liedjes voor Tamar

voor tamar

Je ogen zijn nog warm, als bedden

Drie liedjes voor Tamar

De regen praat zachtjes, / je kunt nu gaan slapen.

Naast mijn bed het vleugelgeruis van een krant, / andere engelen zijn er niet.

Ik zal vroeg opstaan en de komende dag / omkopen om goed voor ons te zijn.

Je hart speelt bloedtikkertje / in je aderen.

Je ogen zijn nog warm, als bedden, / de tijd heeft erin gelegen.

Je dijen twee zoete dagen van gisteren, / ik kom bij je.

Alle honderdvijftig psalmen / brullen tegelijk.

Mijn ogen willen samenstromen / als twee meren naast elkaar.

Om elkaar te vertellen / wat ze hebben gezien.

Mijn bloed heeft veel verwanten, / die er nooit bij op visite gaan.

Maar gaan ze dood, / dan is mijn bloed de erfgenaam.

Yehuda Amichai (1924 – 2000), Israëlisch

Uit: Nieuw Wereldtijdschrift 1-1988, vertaling Tamar Herzberg

Meisje Poëzie: Bloody Mary

bonnie-and-clyde

Bloody Mary

En het gedicht is een gangstermeisje / achterin een Amerikaanse auto, / haar ogen toegeknepen als een trekker, heur haar / als blonde kogelregens stromend in haar nek. / Laten we haar Mary noemen, Bloody Mary / en uit haar mond vloeien woorden als sap uit een tomaat / die verminkt in een slaatje ligt. / Ze weet dat spraakkunst een taalsmeris is / en hoort z’n sirene op kilometers afstand / dankzij de antennes op haar oorbellen. / De wielen rijden haar van een vraagteken / naar een punt. Straks

zal ze het portier openen / en in de berm staan als een metafoor voor / hoer.

Ronny Someck, Israëlisch, 1995

Uit: 26-e Poetry International 1995, Rotterdam, vertaling Eiso Toonder

Ravikovitch: trots

zeehond-op-een-rots

Trots

Zelfs rotsen breken, weet je, / en niet uit ouderdom. / Jaren liggen ze op hun rug in de hitte en de kou, / zo veel jaren, / het geeft haast een indruk van rust. / Ze komen niet van hun plaats, / de barsten blijven zo verborgen. / Een soort trots. / Jarenlang liggen ze te wachten. / Degene die hen zou breken / is er nog niet. / Intussen tiert het mos, / de zeewieren warrelen, de zee spoelt aan en terug, / en het lijkt of ze roerloos zijn. / Tot een zeehondje zich aan de rotsen komt schurken, / hij komt en gaat weer weg. / En ineens is de steen gescheurd. / Ik heb je toch gezegd, / als rotsen breken komt het onverwachts. / En mensen helemaal.

Dahlia Ravikovitch (1936 – 2005), Israëlisch, vertaling Shulamith Bamberger

Liefde: weer een liefde ten einde

Weer een liefde ten einde

Weer een liefde ten einde, als een goed citrusseizoen / of een periode van opgravingen waarbij uit de diepte / ontroerde dingen zijn opgehaald die liever waren vergeten.

Weer een liefde ten einde. En zoals wanneer een groot / huis is gesloopt en het puin afgevoerd, zo sta je op de lege / vierkante bouwplaats en je zegt: wat was dat een klein / stukje grond, waar dat huis op stond / met al die verdiepingen en mensen.

En heel uit de verte van de dalen komt het geluid / van één enkele tractor aan het werk, / en heel uit de verte van vroeger het getik / van een vork die, op een porseleinen bord, voor het kind / eigeel met suiker roert en schuimig klopt / en tikt en tikt.

1988, Yehuda Amichai, Israël

Uit: Een grote rust, Meulenhoff, Amsterdam, 1988, vertaling Tamir Herzberg

yehuda-amichai

Yehuda Amichai (1924 – 2000) Israëlisch dichter. Amichai wordt in Israël en ver daarbuiten beschouwd als Israël’s belangrijkste moderne dichter. Was één van de eersten die in alledaags Hebreeuws zijn gedichten schreef. Zijn werk werd zowel in zijn eigen land als internationaal gewaardeerd met tal van prijzen.

Liefde: De legende van Hadji Baba

De legende van Hadji Baba

the_adventures_of_hajji_baba__72259-1395924552-1280-1280

De man Hadji Baba was zijn hele leven verliefd. Men zegt van hem / dat hij liefhad en liefhad. De ene vrouw na de andere. De vrouwen / vergaven Hadji Baba alles.

Hadji Baba leefde lang. Als hij in de tuinen zat, / op hoge leeftijd al, zeiden alle vrouwen van de stam: / Kijk daar, Hadji Baba. Dat is Hadji Baba. Altijd verliefd./ Hadji Baba.

En Hadji Baba was gelukkig met zijn lot. Ja, zelfs op zijn oude dag / placht hij te glimlachen in zijn baard. Het is haast niet te geloven. / In feite verraste hij iedereen. Hoe is het mogelijk? vroegen de oude / mannen verwonderd en schudden het hoofd. Maar het is een feit. / Zelfs de brutaalste jongelui durfden het niet te ontkennen.

Hadji Baba, fluisterden de vrouwen ’s nachts in hun bed, / terwijl de wind trompetterde in de wildernis. Hadji Baba, terwijl de jakhalzen / rondrenden met hun staarten omhoog naar de sterren.

Hadji Baba. Men zegt dat hij liefhad en liefhad. / Als de hoogbejaarde grijsaards die zich hem herinneren zijn naam noemen, / zuchten ze diep.

1988, Nathan Zach (1930)

Nathan Zach, geboren in Berlijn, verhuisde in 1936 naar wat toen Palestina was. Publiceerde in 1955 zijn eerste bundel gedichten Shirim Rishonim. Vertaalde veel Duitse toneelstukken naar het Hebreeuws.

De legende van Hadji Baba is uit: Aan de oever der wijde zee, Meulenhoff, Amsterdam, 1988, vertaling Tamir Herzberg