Bijna iedere dag muziek: Errol Garner

https://youtu.be/5lMy-5xIFao

De Honda startte vlot, hij deed een bandje van Errol Garner in zijn casetteradio. Voor een optreden luisterde hij altijd naar Errol Garner, zoals die de intro’s van zijn nummers speelde, concertant, breed, en dan stevig swingend daar zogenaamd eenvoudig de melodie van het nummer uit liet voortkomen, dat vond hij nog steeds een inspiratie van de bovenste plank. Errol was heel lang erg uit de mode geweest. Als hij op partijen à la Errol speelde, kreeg hij toch altijd verzoeken om meer. En tegenwoordig hoorde je hem wel weer eens op de radio. Zoals met alles, ook Errol kwam weer terug.

uit: an der Musik – Marjan Berk; uit: Koninginnedag, Atlas Amsterdam, 1993

Errol Garner (1921-1977, USA)

Bijna iedere dag muziek: Jo Stafford en Andrew Sisters

De twintigste eeuw, het eerste deel daarvan, bracht muziek en herinneringen. Het is de muziek van mijn grootouders. Over de manier waarop we muziek koppelen aan gebeurtenissen en er zo herinneringen van maken, die onlosmakelijk aan elkaar geklonken zijn, zo lijkt het, gaan de volgende fragmenten.

https://youtu.be/4VkxJkenIyI

In het standaardwerk The Spanish Civil War van Hugh Thomas (1931-2017, Brits) komt een passage voor die me bij lezing meer dan alle opsommingen van feiten en gebeurtenissen het gevoel gaf persoonlijke getuige te zijn geweest van de stemming in Madrid bij het begin van de burgeroorlog in juli 1936. De geciteerde waarnemer – Borkenau, Cornford? In die dikke pil van Thomas kan ik de paragraaf waar het hier om gaat niet meer terugvinden, ik moet het uit mijn geheugen diepen – vertelt over het straatbeeld in het hete Madrid in de roes van de revolutie en het behoud van de stad voor de republiek. Naast vele treffende bijzonderheden zegt hij dat uit op de straathoeken opgehangen luidsprekers voortdurend, tussen de nieuwsberichten door, de toen juist uitgekomen plaat ‘Bei mir bist du schön’ van de Andrew Sisters werd gedraaid. Dit kleine detail wierp voor mij een verhelderend en verdiepend licht op de sfeerbeschrijving. Muziek geeft die dimensie, ook in de herinnering. Bepaalde gebeurtenissen worden, meestal bij toeval, begeleid door een of andere melodie, die dan de herinnering aan die gebeurtenis gaat beheersen of zelfs overheersen.

Eeen tweede voorbeeld aangedragen door de schrijver van deze fragmenten Bob den Uyl (1930-1992, Rotterdam). Het gaat over een eerste liefde, die fataal afloopt. Ze zegt de verkering op en verdwijnt.

https://youtu.be/5Pi7mxbbMyk

Waar het nu om gaat is het feit dat tijdens die kortdurende omgang met haar de song The Tennessee Waltz, gezongen door Jo Stafford (1917-2008, USA), de grote hit was. Langzamerhand vereenzelvigde ik deze plaat met mijn verloren liefde, zodat deze tenslotte de plaats ervan innam. Toen ik alweer over de breuk heen was, werd ik toch door bijzonder pijnlijke herinneringen, verlangens en een hol gevoel in de maagstreek getroffen als dit nummer in mijn omgeving werd afgedraaid; de verdere dag of avond hulde ik me dan in een broeierig stilzwijgen. Gelukkig raakte de plaat na enige tijd uit de belangstelling, maar een jaar of zo geleden hoorde ik hem weer een enkele keer, wanneer hij op de heersende golven van het jeugdsentiment ten gehore werd gebracht. Het merkwaardige is nu dat ik tot op heden toe nog steeds een gevoelige steek door mijn hart krijg als ik Jo Stafford The Tennessee Waltz hoor zingen, terwijl ik noch het meisje in kwestie niet meer zou herkennen al zou ik bij herhaling over haar struikelen.

uit: vreemde verschijnselen, Querido Amsterdam, 1978

Bijna iedere dag muziek: Campert en Jazz

Remco Campert was een fervent jazz-liefhebber. De deze week overleden dichter/schrijver wijdde gedichten aan grootheden uit de jazz van de jaren 50-60. Charlie ‘Bird’ Parker, Chet Baker en Eric Dolphy waren een aantal van de jazz-musici die Campert bezong in muzikale gedichten. In deze aflevering van Bijna daarom een paar strofen en een compleet gedicht gewijd aan de musen van de dichter die zo bepalend is geweest voor mijn kijk op de dichtkunst.

https://youtu.be/pdLTKfYVCb0

over Charlie Parker, bijgenaamd Vogel

Je blies in de je handen en er was muziek

.. Hij maakte mijn jeugd, / mijn best seizoen, mijn maand april, / mijn zuiver en begrepen woord, rust en onrust / nauwkeurig afgewogen in mijn handen

een schreeuw als een roos als je goed luistert liefde luister je / goed nee het hoeft niet meer want

ondergesneeuwd ondergesneeuwd ondergesneeuwd

.. Vogel in zijn as gedoken, klein, huiverend, treurend, / terwijl meningen en machinaties / moorden doorgaan.

over Chet Baker

Zijn stem is een zachte regen / als de kleine voeten van het vreemde meisje / op het mollige tapijt,

of de muziek die klinkt / ’s avonds van eilanden in de Moldau, / waar volleybalnetten gespannen zijn.

Voor in zijn mond zingt aarzelend de liefde.

.. Zijn stem is poëzie, zoals de gladgeslepen kiezelsteen, / de gebroken lijn van potlood op papier, / je ogen die ik liefheb,

kus mij.

over Eric Dolphy

Het staat vast / dat alle mensen sterven / maar van alle mensen het eerst / de jazzmusici

sommige blijven in amerika / en sterven

(auto’s en overdoses)

sommige komen naar Europa / en sterven

(Europeanen en overdoses)

een pakje kleren in Parijs, in Berlijn / een hospitaalbed

en natuurlijk eerst niet weten / wie het was, wie het was

wie het had kunnen zijn

en z’n saxofoon / wat is ermee gebeurd?

die zal over een jaar of wat / wel opduiken op een veiling

naast een elektrische klok / en een vleesmes

en god weet dit gedicht

uit: alle bundels gedichten 1976, Bezige Bij Amsterdam

Bijna iedere dag muziek: de platenzaak

In mijn jeugd begon de ontdekking van muziek met de invloed van de grotere broer(s) en de komst van een platenzaak naar het dorp/de stad. Mooi beschreven in een verhaal van Rien Vroegindeweij (1944, Middelharnis).

https://youtu.be/BjU-T2UBcIs

Met de komst van de gebroeders Kerdul kreeg ons saaie dorpsbestaan een bijna grootsteedse allure. De gebroeders kwamen dan ook uit de stad. (..) Ze leken in het geheel niet op elkaar en al gauw ging het gerucht dat het ‘gebr’ op de winkelruit, waarachter ze aan het eind van de jaren vijftig een platenzaak vestigden, een dekmantel was voor een vorm van familieband die in ons dorp weliswaar niet verboden, maar hoegenaamd onbekend was.

(..) Op warme zomerdagen stond de deur van hun winkel wagenwijd open en schetterden de nieuwste tophits door de anders zo rustige winkelstraat. De winkeliers protesteerden tegen dit goddeloos gekrijs, dat regelrecht uit de hel scheen op te stijgen, maar toen bleek dat de muziek de kopers naar hun deel van de winkelstraat trok, prezen ze de dikke om zijn moderne verkooptechniek.

(..) De Kerduls hadden veel jazz. Niet dat ze er verstand van hadden, maar omdat ze er brood in zagen. Een plaat van Johnny Griffin, waarop met iedere omwenteling een slepend geluid terugkwam, werd als beschadigd voor de helft van de prijs verkocht. Nieuw voor ons was de bar waar we met een koptelefoon de platen mochten beluisteren. Daar brachten mijn vriend Bennie en ik voortaan onze vrije middagen door, tikkend met onze suède schoenen op de koperen stang, die onderaan de bar langs liep.

Ik kocht nooit een plaat: ik had niet eens een eigen kamer, laat staan een pick-up. (..) Bij mijn vriend Bennie, die overal op kon spelen, luisterden we naar de platen die hij bij de Kerduls had gekocht of die zijn aanstaande zwager uit de stad had meegebracht.

De dikke nam het mij niet kwalijk dat ik nooit een plaat kocht, want hij had heel goed door dat ik Bennie vaak tot kopen aanspoorde. Dan gaf de dikke mij een vette, geniepige knipoog, waarop ik met een strak gezicht reageerde. Ik beschouwde de platencollectie van mijn vriend ook een beetje als de mijne.

fragment uit: jazz – Rien Vroegindeweij; uit: Maestro, muziek!, Novella Bussum, 1994

Bijna iedere dag muziek: Chet Baker

https://youtu.be/27398omqBGM

Zeker door zijn ongelukkige einde (val uit een hotelraam in Amsterdam) zou je Chet Baker (1929-1988, Yale, USA) verwachten bij de sectie De val, maar ik gun hem een plekje bij contemplatie. Hij was dan wel een junk, gesproken werd over 6 gram heroïne per dag, maar ergens straalt toch nog levensvreugde door in zijn muziek, of in ieder geval: een liefde voor muziek as such.

(..) Dat hij in de jaren vijftig de James Dean van de jazz werd genoemd, begon ik. Het sloeg destijds terug op zijn ravissante kuif, en zijn jongensachtige voorkomen. ‘Ha! Ik ben hem één keer tegengekomen op straat in New York, heb vier minuten met hem gesproken en dat is alles wat ik van hem weet.’

Dat James Dean-voorkomen mocht dan lang vervlogen zijn – Chets ogen stonden ver weg, en alleen de punt van zijn neus was zonder grove kreukels, wat wel te danken zal zijn aan de plastische chirugie die erop werd toegepast nadat twee junkies hem in 1968 compleet in elkaar hadden geslagen -, zijn trompetspel bleek tijdens het optreden nog steeds even lyrisch. Hij volbracht zijn delicate melodielijnen zonder krassen of haperingen, waardoor ze van een introspectieve schoonheid waren. En als hij zong klonk zijn stem onwerkelijk onschuldig, kinderlijk bijna. My..funny..Valentine..

Een ontroerend silhouet, zo’n gebogen gestalte op een barkruk die, soms bijna wankelend, de prachtigste muziek maakte. ‘Ik prefereer te spelen in kleine clubs. Twee, driehonderd mensen, een redelijke akoestiek en iedereen bovenop het podium. Dan voel ik mij thuis.’

Muziek, legde hij uit, was het enige wat hem nog hier hield. ‘De rest van de wereld is verder zo fucked up. Ik heb zonder werk gezeten, ik ben verslaafd geweest, ik heb in de kelders van New York gewoond. Maar that’s life. Zolang als ik nog kan werken en er mensen blijven komen om naar mij te luisteren, it’s cool.’

Ellende als levenselixer. ‘Het is vooral de zakelijke kant van de jazz die ik haat. De platenmaatschappijen, de clubeigenaren, iedereen besteelt je in dit vak. Ze zijn niet geïnteresseerd in de muziek, maar in het geld dat daarmee te verdienen is.’

uit: drie akkoorden en de waarheid – Rob van Scheers, De Kring Utrecht, 2014

https://youtu.be/GBIjK9K62pQ

Bijna iedere dag Muziek: Arooj Aftab

Arooj Aftab (36) groeide op in de Pakistaanse stad Lahore. Daar raakte ze betoverd door de menselijke stem, de eeuwenoude muziek uit de regio en de Perzische dichtkunst van de ghazel. Daarnaast waren de jazz van Billie Holiday en de Amerikaanse r&b van grote invloed. In 2005 verkaste Aftab met haar ouders naar New York. Ze meldde zich aan bij de Berkeley-universiteit, waar ze muziekproductie en jazz studeerde. Ondertussen bouwde ze aan haar magische mengmuziek, die nu tot ons komt met het album Vulture Prince.

Is het jazz, folk of neoklassiek, of iets dat we vroeger ‘wereldmuziek’ noemden? En hoe kan die donkere en hypnotiserende stem, met haar een feilloos en bedachtzaam vibrato dat je soms de keel dichtknijpt, daar zo makkelijk doorheen stromen, in antieke en onmiskenbaar Perzische klankkleuren en melodielijnen?

Aftab bewerkte eeuwenoude soefipoëzie tot zeven hallucinante muziekstukken, begeleid door vooral harp, viool, gitaar en een flard elektronica. Haar liederen zijn beklemmend en ontroerend mooi, en je hoeft het Urdu niet machtig te zijn om te voelen waarover het gaat; over eeuwigheid die het alledaagse overstijgt, over liefde, overgave en mystiek. In het diepgrondige en spirituele nummer Saans Lo zingt zij over de desolate wereld waarin we zijn terechtgekomen en de noodzaak om elkaar beet te pakken en te blijven ademhalen.

Arooj Aftab knoopt eeuwen aan dichtkunst en muziek aan elkaar, en zweeft langs alle denkbare genres. Vulture Prince is een album dat ons leert dat we troost kunnen vinden als we diep in de ziel graven en onder het oppervlak van de dagelijkse bak ellende weten te kijken.

bron: Jaarlijst album top 40, Robert van Gijsel en Merlijn Kerkhof, 25 december 2021, devolkskrant.nl

Bijna iedere dag muziek: Dizzy Gillespie

Over de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog leeft het idee dat het dorre jaren waren in Nederland, glansloze jaren waarin ons land terugverlangde naar de veilige vooroorlogse neutraliteit, grauwe jaren waarin fietsers in eindeloze stoeten over straten vol natte sneeuw altijd maar op weg waren naar hun geestdodende werk.

Ik heb die jaren – de jaren voor en tijdens 1950 – heel anders beleefd. Voor mij waren het jaren vol avontuur. De wereld ging open. Elke dag bracht iets nieuws. Ik ontdekte de kunst.

(..)

In 1946 werd ik, zeventien jaar oud, voorgoed wakker gekust door de kunst. Ik zag toen in het Stedelijk Museum van Amsterdam Mondriaan’s Victory Boogie Woogie – of misschien zag het meesterwerk mij. Het was iets heel anders dan die bloem in de vaas. Oog in oog met het schilderij ervoer ik voor het eerst de schok van herkenning, een schok die zo hevig was dat hij de tranen van ontroering in mijn netvlies joeg en me definitief verloste van mijn puberale lethargie. Duizelig, verblind door het licht van de kunst, verliet ik het museum.

Alles kwam tegelijk in die jaren. De film, niet de zoetsappige Duitse rolprenten die tijdens de oorlog werden vertoond, maar de Franse cinema: Cocteau, Autant-Lara, het surrealisme van Būnuel. En Rome, Open Stad van Rosselini.

In mijn moeders boekenklast vond ik de gedichten van Paul van Ostaijen en bij de kiosk op het Leidseplein kocht ik Reflex, het orgaan van de experimentele schilders en dichters, waarin ik Luceberts Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia las. En ik sloot de jazz in mijn hart, geen boogie woogie maar bebop, muziek die voor mij geschreven leek. Things to come heette een opwindend nummer van Dizzy Gillespie en die dingen waren er nu. Mijn leven kon niet victorieuzer beginnen.

fragmenten uit: v is victory, Remco Campert; uit: XXste eeuw; Waanders Zwolle, 2008

Bijna iedere dag muziek: Erroll Garner

Op een dag reisde ik met mijn vader naar Den Haag, waar ik een grammofoon van een oud-tante zou krijgen. Het was zo’n ouderwetse opwindgrammofoon. Er hoorde een paars vilt gevoerd doosje met koperen glanzende naalden bij. Ik was de koning te rijk. Ik herinnerde me de naam van de pianist die ik die middag bij Louis had gehoord. Erroll Garner. ‘Play Piano Play’ heette het nummer.

Achter de Sint-Bavo was een grammofoonplatenwinkel. ‘Play Piano Play’ hadden ze daar niet, maar wel een andere plaat waarop “My Heart Stood Still‘ en ‘Music, Maestro Please‘ stonden. Met een kloppend hart legde ik thuisgekomen de plaat op de draaitafel, wond de machine op en zette de zware kop voorzichtig in de eerste groef. Licht geruis en daar was het: de onweerstaanbare ritmisch stuwende onderhand van de Amerikaanse pianist. Ik kon er maar niet genoeg van krijgen. Maar toen ik de plaat voor de derde keer wilde draaien, voltrok zich een drama. De naald bleef steken! Een nieuwe naald bracht geen soelaas. Het schellak van de na-oorlogse 78-toerenplaat bleek niet bestand tegen de loodzware kop uit de jaren twintig.

Mijn moeder speelde intussen iedere dag haar vaste repertoire. Ik vond Mozart plotseling onverdraaglijk. Nee, dan Erroll Garner, dat was pas levende muziek.

uit: Je speelt niet wat er staat, Bernlef; uit: muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

https://youtu.be/_9HzoyWO_j8

Bijna iedere dag muziek: Bill Evans

De aanleiding was meervoudig. Een uitgebreid artikel in het Engelstalige Uncut Magazine en de aankondiging van Tony Bennett om te stoppen met optreden. Verbindende factor: jazzpianist en componist Bill Evans (1929-1980, Plainfield, USA). Evans werkte samen met Bennett aan een aantal albums van de crooner.

Op 6-jarige leeftijd zat de enigszins schuchterige Bill al achter de piano. Schoolde zich in de klassieken en speelde viool en fluit. Hij behaalde zijn diploma’s als muzikant en mocht les geven. Na zijn diensttijd begaf hij zich in het muzkantenbestaan in New York waar zijn spel snel naam maakte. In 1956 kwam New Jazz Conceptions uit met daarop Waltz for Debby. Het duurde twee jaar voor de volgende kwam. ‘Ik had niets nieuws te melden’, aldus de verlegen pianist. Ondertussen waren zijn typische piano-geluid en zijn vloeibare ideeën opgevallen bij anderen, waaronder Miles Davis. In 1958 vroeg Davis hem mee te gaan op torunee. In de toenmalige Davis-band speelden grootheden als John Coltrane en Cannonball Adderly. In die tijd werd ook de jazz-klassieker Kind of Blue van Davis opgenomen waarop we Evans horen spelen. Na een jaar touren en het vestigen van een grote naam in de jazz-scene, begon Evans met zijn eigen trio. Bassist Scott LaFaro en drummer Paul Motian waren zijn kompanen in wat de beste tijd van Evans zou blijken te zijn. LaFaro kwam twee jaar later bij een auto-ongeluk om het leven. Iets wat Evans zo aangreep dat hij zich een poosje terugtrok uit het volle licht. Daarna volgen successen, drugsgebruik, een rustloze natuur en drama’s in de persoonlijke sfeer elkaar in snel tempo op. In 1980 sterft hij, veel te jong, aan complicaties van aandoeningen aan longen en lever.

Bill Evans stond open voor nieuwe muzikale ideeën in de jazz-scene maar bleef tergelijkertijd trouw aan zijn eigen compositorische beginselen. Voor hem waren de pure songstructuur en de jazzgeschiedenis de kurken waarop hij dreef. Tot op latere leeftijd ontwikkelde hij zich in zijn composities, op zoek naar de ideale song. Daarbij ook gebruikmakend van de overdub-techniek als hij vond dat 1 piano onvoldoende was om zijn ideeën te tonen. Evans is een jazz-icoon geworden, voorbeeld voor navolgers en bron van inspiratie voor creatieve muzikanten.

Bob den Uyl ziet een jongetje met vuurwerk

De ik-persoon in Het jongentje met het waterhoofd van schrijver Bob den Uyl (1930-1992, Rotterdam) is bang. Bang de straat op te gaan. Maar het moet want er moet gebeld worden. Dat kon toen in een telefooncel. Op de hoek van de straat. Om niet al te angstig te zijn, zoekt hij afleiding. Afleiding in gedachten en in wat aan zijn oog voorbij trekt. Aangekomen bij de telefooncel:

Er staan twee jonge meisjes in de cel, gewichtig staat de één met de hoorn in haar handen. De ander kijkt leeg door het glas, probeert mee te luisteren. Buiten staat een jongetje, een broertje misschien, geluidloos voor de twee in de cel te roepen. Ik heb vuurwerk gekocht, voor één gulden tien! Japanse kanonslag en rotjes en keukenmeiden, en nog meer! Zijn hoofd is te groot voor het kleine lijfje. De twee meisjes veinzen hem niet te zien. Hij begint met zijn vuisten op het glas te slaan, probeert de deur open te trekken, Karst, Hazel, kom nou – hoor nou! Het meeluisterende meisje gebaart dat hij weg moet gaan, zij doet de deur op een kier en roept ga naar huis. De geestdrift van de jongen is niet te breken, hij blijft staan wachten tot Karst en Hazel er uit komen en blij zullen zijn over zijn aankopen. Hij haalt een voetzoeker uit zijn zak en kijkt er bewonderend naar. Hij trilt van opwinding. Met blije ogen kijkt hij naar je op. Hij hoort al de klap die zijn vuurwerk zal gaan geven, zijn eigen klap. Jammer dat zijn hoofd te groot is, of zijn lichaam te klein. Je zou hem willen beschermen tegen zijn kwetsbare vreugde, de paar knallen die zo gauw voorbij zijn, zijn ontzag voor zijn grote uitgave van meer dan een gulden. En vooral tegen zijn zussen, met hun krenkende onverschilligheid voor hem. Zij zijn al groot, zij kunnen al opbellen. Als het een beetje wil kunnen ze al kinderen krijgen. Je gaat de meisjes in hun ogen kijken, ze doen wat lacherig, maar ze bellen af. Ze komen naar buiten en lopen weg zonder op het jongetje te letten. Hij danst erachteraan, probeert de aandacht te trekken. Maar dat zijn grote mensen, kereltje, jij bent nog te klein, hun aandacht nog niet waard. Ze hebben grote problemen, daar heb jij nog geen idee van in je waterhoofd. Je kijkt ze na, de hoorn is nog warm. Het jongetje blijft eindelijk staan, kijkt in zijn hand. Dan gaat hij even op de stoep zitten, staat weer op en holt weg, zijn handen op zijn zakken.

fragment uit: Het jongetje met het waterhoofd; uit: Vogels kijken, Querido Amsterdam, 1975

den uyl, bob; vandaagenmorgen.nlbron beeld: vandaagenmorgen.nl

Bob den Uyl (1930-1992, Rotterdam)