Marguerite Duras laat de pijn van de oorlog voelen

Schrijfster Marguerite Duras (1914-1996, Vietnam) was tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in de verzetsorganisatie die geleid werd door François Mitterand, de latere president van Frankrijk. Over die oorlogstijd gaan haar verhalen in De pijn.

Zelf schreef ze daarover: ‘De pijn is een van de belangrijkste dingen uit mijn leven. Het woord ‘geschrift’ past eigenlijk niet. Ik stond tegenover regelmatig volgeschreven bladzijden in een klein, buitengewoon regelmatig en rustig handschrift.

Ik stond tegenover een reusachtige wanorde van gedachten en gevoelens waar ik niet aan heb durven komen en bij de aanblik waarvan de literatuur me met schaamte vervulde.’

Wij zitten aan de kant van de wereld waar de doden zich ophopen in een onontwarbaar massagraf. Dat gebeurt in Europa. Daar is het waar men joden verbrandt, miljoenen. Daar is het waar men ze beweent. Het verbaasde Amerika ziet de reusachtige crematoria van Europa roken. Ik voel me gedwongen te denken aan die oude vrouw met grijze haren die klagend op bericht wacht over die in de dood zo eenzame zoon, zestien jaar, op de Quai des Arts. De mijne, misschien heeft iemand hem gezien zoals ik hem daar heb gezien, in een greppel, terwijl zijn handen voor de laatste keer wenkten en zijn ogen al niet meer zagen. Iemand die nooit zal weten wie die man voor mij was, en van wie ik nooit zal weten wie hij is. Wij behoren tot Europa, daar gebeurt het, in Europa, waar we samen opgesloten zitten tegenover de rest van de wereld. Rondom ons dezelfde oceanen, dezelfde invasies, dezelfde oorlogen. Wij behoren tot het ras van degenen die in de crematoria verbrand worden, van de vergasten in Maidanek, wij behoren tot het ras van de nazi’s. De gelijkmakende functie van de crematoria van Buchenwald, van de honger, van de massagraven van Bergen-Belsen, in de kuilen ligt een deel van ons, die zo volkomen identieke skeletten maken deel uit van één Europese familie. Het is niet op een van de Soenda-eilanden of in een gebied van de Stille Oceaan dat deze gebeurtenissen plaatshadden, het is op ons grondgebied, dat van Europa.

(..)

Als deze nazi-misdaad niet op wereldschaal wordt uitgemeten, als zij niet op collectieve schaal wordt verstaan, heeft men de concentratiekampgevangene van Belsen, die eenzaam stierf met een collectieve ziel en een klassebewustzijn, hetzelfde als waarmee hij op een bepaalde nacht, op een bepaalde plaats in Europa, zonder leider, zonder uniform, zonder getuigen, een schroefbout van de rails loswrikte, verraden. Als men de nazi-gruwelen tot een Duitse en niet tot een collectieve aangelegenheid maakt, brengt men de man van Belsen terug tot de proporties van een streekbewoner. Het enige antwoord dat men op deze misdaad kan geven is er een misdaad van ons allen van te maken. Erin te delen. Net als bij de idee van gelijkheid, van broederschap. Om het te kunnen verdragen, om de gedachte eraan te kunnen dulden, delen in de misdaad.

Uit: De pijn, Van Gennep Amsterdam, 1985

marguerite-duras__seagullbooks.orgbron foto: seagullbooks.org

Marguerite Duras (1914-1996, Gia Dinh, Vietnam)

Laura Starink verwoordt Duitse dilemma’s

duitse wortels, rd.nlbron foto: rd.nl

Die oorlog (maakt het uit welke?) brengt het slechtste in de mens los en boven. Het is ook een onuitputtelijke bron om over te schrijven. Het laat mij (en ons, vermoed ik) niet los. Er is een oneindige honger naar verhalen van mensen die het (aan den lijve) hebben meegemaakt. Gewone mensen, niet de uitzonderingen: de helden en de meedogenloze slachters. Niet de extremen, maar de dagelijkse gang. Komen zij (de gewonen, gemiddelden, het midden) wel aan bod in de geschiedenis?

Gelukkig wel, zoals in het boek Duitse wortels van ex-NRC-correspondente in Moskou, Laura Starink. Zij schreef haar familegeschiedenis (die van haar Duitse moeder) op over het leven in de oorlog in Silezië (Duits-Poolse grensgebied). Daarin komen de dilemma’s aan bod. Over de invloed van de nazi’s op dat dagelijkse leven. Over wat je kon weten over wat er gebeurde met de joden. Over wat je kon doen tegen een strak militair georganiseerde samenleving waarin velen werden uitgesloten en geweld aan de orde van de dag was. Waar buren verraad konden plegen en iedereen verdacht was die niet de nationaal-socialistische zaak aktief steunde. Een schrijnend vorbeeld uit dat boek:

In de roman Gleiwitz van Horst Bienek zegt een van de personages, een treinmachinst met de naam Franz, in de loop van 1944 onverwachts tegen zijn vrouw dat hij zich vrijwillig heeft aangemeld voor de Wehrmacht. Ben je nou helemaal gek geworden, zegt Anna, zijn vrouw. De oorlog loopt op zijn einde, dankzij je baan heb je het front al die jaren weten te vermijden en nu zou je je alsnog aanmelden om te sneuvelen in Rusland? Franz legt haar zijn vreemde besluit uit. Hij rijdt al een half jaar veewagons vol joden naar Auschwitz. Bij aankomst in Birkenau zijn velen al dood. Franz kan er niet van slapen. ‘Ze sterven daar als vliegen. Elkde dag worden er mensen verbrand. Soms kun je het ruiken.’ Er is iets bij Franz geknapt toen hij in een van de wagons joodse bekenden zag uit Gleiwitz, die een dag eerder vanuit de Gestapogevangenis in Kattowitz op de trein waren gezet. Vraag dan overplaatsing aan, stelt Anna voor. Dat heb ik geprobeerd, zegt Franz, maar dat staan ze niet toe. Ik had nooit partijlid moeten worden. Als ik niet naar het front ga, moet ik die treinen blijven rijden. ‘Sieh nicht hin, Franzek, sagte sie. Überall ist heute Elend.’

Uit: Duitse wortels. Mijn familie, de oorlog en Silezië, Olympus Amsterdam, 2013

Laura Starink (1954)