Malamud: durf te leven

malamud, bernard; tabletmag.combron foto: tabletmag.com

Etta staat op het Romeinse kerkhof bij het graf van haar pas geleden, jong gestorven man Armando. Daar ontmoet ze Cesare. Ook hij stond bij het graf van zijn echtgenote. ‘Op een dag toen ik op mijn werk zat, haastte ze zich naar een afspraak met een minnaar en werd op slag gedood door een taxi op de Piazza Bologna.’ ‘Rouwen valt niet mee,’ zei Cesare. ‘Als de mensen dat eens wisten, werd er minder gestorven.’

Tussen Cesare en Etta ontstaat een vertrouwensband. Dat vertrouwen leidt er toe dat Etta haar hart lucht over de dood van haar man. Etta en haar man namen een nichtje uit Perugia in huis. Haar man begon een affaire met het nichtje. Tot groot verdriet van Etta. Na een flinke ruzie belooft haar man beterschap. Het nichtje vertrekt weer naar Perugia en alles lijkt weer normaal. Maar manlief krijgt het nichtje niet meer uit zijn hoofd. Op weg naar Perugia om haar op te halen, verongelukt hij.

Tussen Cesare en Etta groeit langzaam een verhouding. Cesare wil verder en een nieuw liefdesavontuur. Etta rouwt nog en twijfelt.

‘Signora,’ zei hij, ‘waar uw man ook is, u helpt hem niet door uzelf deze straf op te leggen. Het beste helpt u hem door uw normale leven te hervatten. Anders zal hij dubbel blijven lijden, eerst voor iets waaraan hij schuld had, en dan nog eens vanwege de onredelijke last die uw ontkenning van het leven hem oplegt.’

‘Ik boet voor mijn zonden, ik straf hem niet.’ Ze was te ontdaan om meer te zeggen, overwoog zonder een woord naar huis te lopen en dan de deur in zijn gezicht dicht te slaan; maar ze hoorde zichzelf haastig zeggen: ‘Als we iets zouden beginnen, zou het overspel zijn. We zouden de doden verraden.’

‘Waarom draait u toch alles om?’

Cesare was onder een boom blijven staan en sprong haast op bij zijn woorden. ‘Zij… zij hebben ons verraden. Excuseert u mij, signora, maar eigenlijk was mijn vrouw een beest. Uw man was een beest. We rouwden omdat we ze haten. Laten we de waardigheid hebben dat onder ogen te zien.’

‘Hou op,’ kreunde ze, haastig doorlopend. ‘Hou erover op, ik wil het niet horen.’

‘Etta,’ zei Cesare hartstochtelijk en liep achter haar aan, ‘dit is mijn laatste woord, daarna nagel ik mijn tong aan mijn kaak. Bedenk één ding. Als Onze Lieve Heer zelf Armando op dit moment uit de dood liet opstaan om zijn leven op aarde te hervatten, dan lag hij vannacht bij zijn nichtje in bed.’

Uit: Durf te leven, Bernard Malamud; uit: De verhalen, Meulenhoff Amsterdam, 1986; vertaling Dorinde van Oort

Bernard Malamud (1914-1986, New York, USA)

Maurits Mok: julinacht

mok, maurits, nl.wikipedia.orgMaurits (Mozes) Kok; bron foto: nl.wikipedia.org

Julinacht

Julinacht die in de bomen woelde. / Stoeten paarden renden door de bladeren. / Verticale kracht stond om ons heen. / Wij zeiden, het is zomer en ik wist, / dit komt niet weer, dit gaat / met ons verloren. Ook de bomen / zouden hun vergaarde eeuwen afstaan, / tot in hun wortels wankelen en terwijl / zij nog grijpgebaren in de ruimte maakten / prijsgegeven worden aan de dood.

Uit: Laat getijde, BZZTÔH Den Haag, 1985

Maurits Mok (1907-1989, Haarlem)

Romain Gary en Jean Seberg: turbulente levens eindigden dramatisch

gary & seberg, pinterest

bron foto: pinterest.at

Schrijver Romain Gary (eigenlijke naam Roman Kacew) werd geboren in Vilnius, Litouwen. Als jongen werd hij op jonge leeftijd in de steek gelaten door zijn vader.  Hij voelde dat als afwijzing, als een ontkenning van zijn bestaan. Gary hield er zelfverachting aan over. Zijn moeder Mina, Russisch van geboorte en met een Poolse jood getrouwd, leefde in het joods getto van Vilnius. Mina moest met Roman veel en vaak op de vlucht voor pogroms. Maar altijd weer die enorme overlevingsdrang en de hoop dat het met haar zoon goed zou komen. Zij hoopte dat haar zoon zou slagen als ambassadeur voor Frankrijk. Roman zelf zag dat anders. Hij wilde vliegenier worden (wat hij deed). Daarna was het adagio: schrijver. Ook dat lukte. Hij won met zijn schrijven zelfs tweemaal een Prix Goncourt.

In het leven van bekende schrijvers duiken soms bekende actrices op. In het geval van Gary was dat niet anders. Rond 1960 ontmoetten Gary en de Amerikaans-Franse actrice Jean Seberg elkaar. Dankzij Seberg werd Gary wereldberoemd. Maar actrice en schrijver werden er niet gelukkig van. Beiden pleegde zelfmoord.

Hoe vaak hij het ook probeerde, Romain Gary kwam zijn zelfverachting niet te boven. Uit angst voor de ouderdom en de aftakeling maakte hij op zesenzestigjarige leeftijd een einde aan zijn leven. Op 2 december 1980 legde hij bij hem thuis, in de rue du Bac in het zevende arrondissement van Parijs, een handdoek op het kussen, ging op bed liggen, stak een revolver in zijn mond en haalde de trekker over.

Vijftien maanden eerder was in Parijs in een Renault 5 het stoffelijk overschot van Jean Seberg gevonden. Na zeven zelfmoordpogingen was de achtste haar fataal geworden. De actrice stierf aan een overdosis slaappillen, kalmerende middelen en drank.

De auto van Jean stond op enkele honderden meters van de ru du Bac geparkeerd.

Op het bed waar Romain Gary de trekker overhaalde, werd een brief gevonden.

“D-day

Geen enkel verband met Jean Seberg. De liefhebbers van gebroken harten wordt verzocht zich elders te vervoegen.

Men kan dit natuurlijk toeschrijven aan een depressie. Maar dan moet men toegeven dat deze al duurt vanaf het moment dat ik volwassen werd en dat deze me toegestaan heeft een literair oeuvre tot stand te brengen.

Dus, waarm? Misschien moet het antwoord gezocht worden in de titel van mijn autobiografische boek De nacht zal kalm zijn en in de laatste woorden  van mijn laatste roman: ‘Want beter kan het niet gezegd worden.” Ik heb me eindelijk volledig uitgedrukt.

Romain Gary”

Zo eindigde het leven van een man die aan de hel van Vilnius was ontsnapt, die twee wereldoorlogen had overleefd, de Eerste in het Oosten, de Tweede in het Westen… Met een paar haastig geformuleerde zinnen, lelijke zinnen, die schreeuwen van eenzaamheid.

Uit: Baltische zielen – Jan Brokken, Atlascontact Amsterdam, 2010

Romain Gary (Roman Kacew) 1914-1980, Vilnius, Litouwen

Osip Mandelstam: wij leven…

Wij leven en hebben geen voet aan de grond, / Wij spreken alleen met een blad voor de mond,

En waar wij vertrouwelijk raken, / Komt de man in het Kremlin ter sprake.

Zijn vingers zijn dik en als wormen zo vet, / En onder zijn woorden wordt alles geplet.

Zijn kakkerlakkensnorren smalen, / Zijn laarzenschachten stralen.

Om hem heen het gespuis dat beweegt op zijn wens, / Dunhalzige leiders, half monster, half mens.

Zij hinneken, blaffen, miauwen, / En hij alleen trekt aan de touwen.

Als hoefijzers smeedt hij bevel op bevel: / Jij moet zus, jij moet zo, jij moet niet, jij moet wel!

Hangop is zijn lievelingseten, / En breed de borst der Osseten.

Uit: De meisjes van Zanzibar, samengesteld door Karel van het Reve en Joep Schreurs, Plantage Leiden, 1999

mandelstam, osip,Mugshot van Mandelstam gemaakt bij zijn arrestatie nadat hij Stalin in bijgaand gedicht had beledigd. bron foto: wsj.com

Osip Mandelstam (1891-1938, Warschau, Polen)

Isaak Babel en de pikante vrouw

Een situatieschets: stel je voor je bent redacteur bij een (literair) tijdschrift en aan de deur verschijnen kandidaten voor een functie. In dit geval zijn het er 9. In onderstaand fragment gaat het om de tweede kandidaat die een gooi doet naar… ja, wat eigenlijk?

Nummer twee is een juffrouw, mager, verlegen en heel mooi. Ze komt al voor de derde keer. Haar poëzie is niet voor de druk bestemd. Ze wil weten – en dat is alles wat ze wil – of het voor haar de moeite waard is met schrijven door te gaan. De redacteur spreekt haar vriendelijk toe. Af en toe ziet hij haar op de Newski Prospekt, in gezelschap van een lange meneer die dan soms heel omstandig een half dozijn appelen voor haar koopt. Die omslachtigheid geeft te denken. De gedichten leggen er getuigenis van af. Zij behelzen de ongekunstelde geschiedenis van haar leven.

Wil je mijn lichaam, -schrijft het meisje – neem het dan, mijn vriend, mijn vijand, maar – waar vindt mijn ziel haar droom?

De redacteur denkt na. Dat lichaam krijgt die meneer straks wel. Alles wijst erop. Kijk maar eens naar die verwarde, hulpeloze blik in die mooie ogen van je. Je ziel zal haar droom minder gauw vinden, maar als vrouw zul je pikant zijn.

In haar gedichten beschrijft het meisje, het ‘waanzinnig-schrikwekkende’, of het ‘waanzinnig-verrukkelijke’ leven, plus een aantal kleine onaangenaamheden en verder nog klanken, klanken, klanken om mij heen, die mij dronken maken, klanken zonder eind…

Je kunt er zeker van zijn dat, als de solide heer zijn werk tot een goed einde heeft gebracht, het meisje zal ophouden met het verzen schrijven en een vroedvrouw zal raadplegen.

Uit: Mijn blocnote; uit: Miniaturen, verspreide verhalen en dagboekbladen, Moussault Amsterdam, 1970; vertaling Charles B. Timmer

Babel, Isaak, groene.nlbron foto: groene.nl

Isaak Babel (1894-1940, Odessa, Oekraïne)

Ivan Klíma en de eeuwenoude simpelheid van de profeet

Ik had er nooit aan getwijfeld dat alle profeten een flinke dosis dwaasheid in zich moeten hebben gehad. Alleen al omdat een normaal mens zich op voorwerpen richt en een profeet op visioenen.

Soms gebeurt het echter dat een profeet de massa met zich meekrijgt, waarna die zich dan voor enkele ogenblikken aan zijn visioenen vergaapt. En omdat een normaal mens zich onder andere daardoor van een dwaas onderscheidt dat hij ook iets wil realiseren, begint de massa zo’n visioen te verwezenlijken. Uiteraard eindigt alles weer met een terugkeer naar de wereld van de dingen, en wel met een nog hartstochtelijker idolisering  van die dingen en ten slotte zelfs met steniging van de profeten.

Dat is de eeuwige kringloop, de strijd tussen het stoffelijke en geestelijke, tussen het aards op dingen gericht zijn en dromerige simpelheid, tussen het verlangen om dingen te bezitten en om een verzoening tot stand te brengen met wat bovenmenselijk is.

Mij ligt die eeuwenoude simpelheid van profeten na aan het hart. Ik sta daarachter, ook al weet ik dat profeten veroordeeld zijn tot spot, smaad en steeds hernieuwd gemis aan begrip. Toch waren zij het die al in het verste verleden begrepen hebben wat tegenwoordig ook minder helderzienden beginnen door te krijgen, namelijk dat het waanzinnige verlangen om dingen te bezitten en de wereld te bedwingen, in plaats dat men zichzelf bedwingt, de mens steeds verder afbrengt van de levensbronnen.

Uit: Praagse ochtenden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1990; vertaling Kees Mercks

klima, ivan, irishtimes.combron foto: irishtimes.com

Ivan Klíma (1931, Praag, Tsjechië)

Verpale: Jaklien

Jaklien

In het huis alwaar ik woonde toen / hield ik de ramen goed gesloten / Geld had ik niet, en aldus van / het plezier verstoken / droomde ik ervan dat je bij me was.

Oud zonlicht viel door de ruiten / en wat op tafel stond / bleef onaangeroerd. / Alzo, dacht ik, wordt het verleden:

zonder veel omhaal / en met altijd warme kleren.

Uit: Polder en andere gedichten, Ertvelde, 1975

Eriek Verpale, Vlaams schrijver (1995)

bron foto: wikipedia.org

Eriek Verpale (1952-2015, Zelzate, België)

Eriek Verpale: innamorati

Innamorati

Hoe één mens zo soms / van een ander, en dat maar eens. / Hoe iemand in zijn leven van altijd / maar één vrouw, van haar. / Hoe ik, oud, van jou dus.

Hoe een man van geen andere vrouw / dit verdragen kan: een rimpel al, / kwaaltjes, zelfs de muren / van een andere man. En dat je / kunt weggaan, doodgaan, opgaan / in rook, zo simpel. Maar het niet doet. / Er woedt nog oorlog.

Want hoe een mens in zijn leven / maar één keer. Hoe een man van / altijd maar één vrouw het meisje, / de poppetjes in haar ogen, het haar / op haar benen en in volle zomer / toch snipverkouden.

Hoe ik, trage dwaas, / juist dààrom. En in al mijn winters.

eriek verpale, wikipedia.orgDe jiddische grootmoeder Zulma, die de jonge Eriek onder haar hoede nam en hem leerde lezen en wegwijs maakte in de joodse cultuur.

foto: Michiel Hendrickx; bron foto: wikipedia.org

Eriek Verpale (1952-2015, Zelzate, België)

Vroman: zoals water

Zoals water

Ik had, zo meen ik, vele eeuwen / een huis op de stille oceaan, / kon soms het schateren der meeuwen / voortspelend en weg horen gaan.

In de eerste honderd jaar / steeg het waterhelder water, / wies de moezelwijn uit de kelder, / en van daar, honderd jaar later,

steeg het over mijn tafelblad, / fonkelde op duizenden manieren / in de zon en alle papieren / die ik om mij heen had drijven / dreven naar de horizon.

Honderd jaar later bewoog mijn haar / en er was nooit meer wind.

Vreemd dat ik mij nu weer in leven vind / na nogmaals honderd jaar, / met wijn en werk en de tijd die klimt / uit de kelder en van daar.

Uit: Gedichten, vroeger en latere, Querido Amsterdam, 1949

vroman, leo b-boorsma, literatuurmuseum.nlVroman geschilderd door B. Boorsma; bron illustratie: literatuurmuseum.nl

Leo Vroman (1915-2014, Gouda)

Grunberg: ‘ik wek vertrouwen op’

U neemt alles zo letterlijk. Als ik zeg dat ik voor altijd bij u wil blijven, denkt u dat ik u aan het verleiden ben. Als ik schrijf dat uw ogen veel ellende hebben gezien, vraagt u zich af hoe lang ik uw ogen heb bestudeerd en waarop ik dat baseer. Liefste, ik werk met woorden, niet met ogen. Ik wek vertrouwen op, u wekt begeerte op, bij sommigen. Zo heeft iedereen wat.

Als ik ergens tabak van heb, dan zijn het wel mensen die mij begeren om mijn hersenen. Ik wens niet meer om mijn hersenen te worden begeerd. Ik heb geen levenswijsheid in de aanbieding, ik ben geen boeddha, ik weet niets. Laat dit misverstand voor eens en voor altijd uit de weg zijn geruimd. Nog liever word ik begeerd om de restanten van mijn geld.

Uit: Omdat ik u begeer, brieven 2001-2007, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 2007

vn.nl, grunbergbron foto: vn.nl

Arnon Grunberg (1971, Amsterdam)