Babel probeert gerust te stellen

isaac_babel; web.stanford.edubron beeld: web.stanford.edu

Isaak Babel (1894-1941) was een Rus. Joods en geboren en getogen in Odessa. Wereldberoemd werd hij met zijn boek Rode ruiterij, een verslag van de gruwelen tijdens de Russische Revolutie. In Verhalen uit Odessa staan veel autobiografische korte verhalen. Soms over de oorlog, soms over zijn jeugd. De oorlog is een terugkerend verschijnsel in de meeste verhalen. Bruut geweld, zinloze wreedheid zijn kwesties waarover Babel zijn licht liet schijnen op een haast analytische wijze. Zoals:

‘Te uwer informatie,’ zei ik, toen ik Jelizaweta Aleksejewna in de gang tegenkwam, ‘te uwer informatie kan ik u mededelen dat ik rechten heb gestudeerd en tot de zogenaamde intellektuelen behoor…’

In verstarring bleef ze voor mij staan en liet haar armen langs haar in een ouderwetse japon geklede lichaam zakken, een japon die haar als aangegoten om de slanke leest zat. Haar lichtblauwe, van tranen glinsterende ogen keken mij zonder  te knipperen recht in het gezicht.

Twee dagen later hadden wij vriendschap gesloten. De angst en onzekerheid, waarin het gezin van de onderwijzer leefde, een gezin van brave en zwakke mensen, kende geen grenzen. De Poolse ambtenaren hadden hun wijs gemaakt dat Rusland in rook en barbaarsheid was ondergegaan, gelijk indertijd Rome. Er kwam iets van een kinderlijke, schichtige blijdschap over hen, toen ik over Lenin vertelde, over Moskou, waarin de toekomst zich zo luid aankondigde, over het Kunsttheater. ’s Avonds kregen we bezoek van een stel tweeëntwintigjarige bolsjewistische generaals met ongekamde, rossige baardjes. We rookten Moskouse sigaretten, we aten het avondmaal dat Jelizaweta Aleksejewna van het legerproviand had toebereid en zongen studentenliederen. Voorovergebogen in zijn leunstoel was de verlamde, oude man een en al oor en zijn Tiroolse hoedje trilde op de maat van ons lied mee. De oude man leefde al die dagen in een soort overgave aan een stormachtige, impulsieve, vage verwachting, en probeerde, om geen schaduw over zijn geluk te laten vallen, net te doen of hij geen erg had in de bloeddorstige bluf en de luidruchtige bonhomie waarmee wij in die dagen alle wereldproblemen plachten op te lossen.

uit: de kus; uit: Verhalen uit Odessa, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

Isaak Babel (1894-1941, Odessa, Rus)

Babel: schrijven moet met gevoel voor de natuur

Soviet writer isaac babel, who was executed in 1940 or 1941, with his grandson.bron beeld: thecharnelhouse.org

‘Dat dacht ik wel,’ zei Nikititsj, ‘dat je iets aan het schrijven was, daar stond je gezicht ook naar… Dat is alles waar je oog voor hebt…’

Hij las mijn geschrijf, trok zijn schouders op, haalde zijn hand weer door zijn stugge, grijze haren en liep op zijn zolder heen en weer.

‘Eén ding mogen we wel aannemen,’ zei hij op langgerekte toon, met een pauze tussen elk woord, ‘dat er een vonk van het goddelijk vuur in je zit…’

We gingen naar buiten. De oude man bleef staan, liet zijn stok met kracht op het trottoir neerkomen en keek mij aan.

‘Waar mankeert het jou aan?… Jong zijn is niet erg, dat gaat met de jaren wel over… Waar het aan je mankeert is gevoel voor de natuur.’

Hij wees me met zijn stok op een boom met een roodachtige stam en een lage bladerkroon.

‘Wat is dat voor een boom?’

Ik wist het niet.

‘Wat groeit er aan die heester daar?’

Ook dat wist ik niet. We staken het plantsoentje over bij de Aleksander-boulevard. De oude baas prikte met zijn stok naar alle bomen, pakte me bij mijn schouder toen er een vogel overvloog en dwong me de verschillende stemmen apart te beluisteren.

‘Wat is dat voor een vogel die daar zingt?’

Ik stond met mijn mond vol tanden. De namen van bomen en vogels, hun onderscheiding in soorten, waar de vogels heen vlogen, uit welke windstreek de zon opkwam, wanneer de ochtenddauw het sterkst was – dit alles was voor mij een gesloten boek.

‘En jij durft je aan het schrijven te zetten?… De mens die niet net als een steen of een dier in de natuur weet te leven, zal zijn hele leven lang geen twee regels schrijven die de moeite van het lezen waard zijn… Jouw beschrijving van landschappen lijkt op toneelcoulissen. Wel alle deksels, waar hebben je ouders al deze veertien jaren hun hersens gehad?…’

uit: verhalen uit Odessa – Isaak Babel; Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

Isaak Babel (1894-1940, Odessa, Oekraïne)

Josepha Mendels: zusje Ada lijdt aan haar benen

josepha mendels; tagesspiegel.deJosepha Mendels met Tony van Verre. foto: Rob Bogaerts bron beeld: tagesspiegel.de

‘Bondig, flitsend en suggestief’, zo wordt de stijl van schrijfster en actrice Josepha Mendels (1902-1995, Groningen) omschreven achterop de bundel Alle verhalen. De grand old lady van de Nederlandse literatuur noemde schrijfster Hermine de Graaf haar. En ze kreeg ooit de Anna Bijns-prijs. Maar wie leest haar nog?

Ik kwam haar naam tegen in een boekje over schrijvers die zich bewegen in de Joodse traditie. En zoals dat gaat, vervolgens dring zich haar werk op in het eerste de beste bezoek aan de boekwinkel/boekenbeurs.  De eerste kennismaking is een plezierige en zorgt voor een verlangen naar meer.

In de verhalenbundel, die een heel schrijversleven omvat, vertelt Mendels over haar familie: vader, moeder en de zussen Edith en Ada. De bondige omschrijving van Ada raakte me:

‘Mama, waarom heb ik geen benen meer?’

‘Die horen niet op een familieportret.’

Ze gaat op de divan liggen, trekt haar knieën op: ‘En deze dan?’

‘Die zijn levend.’

‘Als ze er niet op staan zijn ze dus dood?’

‘Misschien.’

‘Waar heeft de fotograaf ze dan gelaten?’

‘Hij heeft ze niet ontwikkeld.’

‘Heeft hij ze ook niet aangeraakt?’

‘Maar hij raakt ze nooit aan. Ik weet niet hoe ik je ontwikkelen kan uitleggen. Het is een woord van zijn beroep.’

‘Dan weet u ook niet eens wat hij met mijn benen heeft gedaan, of hij ze wel of niet ontwikkeld heeft, maar waarom zie je ze dan niet op die foto onder het tafeltje?’

‘Dat is het juist, een familieportret moet fatsoenlijk blijven.’

‘U wilt het mij niet vertellen, u zegt ontwikkeld maar bedoelt omwikkeld, ik zal u zeggen wat hij met mijn benen heeft gedaan. Eerts heeft hij die aan elkaar gebonden en van boven naar beneden geverfd, een rood en blauw en het andere helemaal geel, toen heeft hij ze in zijn bed gelegd om te laten drogen en op ’t laatst heeft hij de touwtjes doorgeknipt en is op de drie kleuren tegelijk gaan liggen. Hij heeft ze dus niet ontwikkeld, maar omwikkeld.’

Mama antwoordt niet, ze loopt de gang in en fluistert iets tegen Grossmutti die juist uit Hamburg een serie te deftige kleren voor haar drie kleindochters heeft meegebracht. Ze lachen allebei met die vervelende grote-mensenlach waarvan Ada een prop in haar keel krijgt. Ze kende toen het woord beledigend nog niet maar heeft het met die prop doorgeslikt en haar leven lang tot en met haar deportatie – ze was toen drieënveertig – hieronder geleden.

uit: alle verhalen, Meulenhoff Amsterdam, 1988

Josepha Mendels (1902-1995, Groningen)

Rogi Wieg vertelt een joods parabel

Rogi_Wieg; vpro.nlbron beeld: vpro.nl

Ik lees de bundel Alle verhalen van Rogi Wieg (1962-2015). Het eerste verhaal gaat over een hoofdpersoon die eerst Arabier was: ‘Ik was nog een kleine jongen en riep dat ik voor de Arabieren was en dat die rot-joden het onderspit moesten delven.’ Zijn joodse moeder liet sissend weten dat hij zelf joods was. ‘Het was de eerste keer dat ik het hoorde.’ In het verhaal onderzoekt de hoofdpersoon zijn joodse identiteit. Hij haalt herinneringen op aan zijn Hongaarse grootouders, ouders en zijn geliefde, die naar Israël vertrok. Hij ging niet mee: ‘Ik houd van Europa, ik ben een aangepaste jood die niet van woestijnen en lage, witte huizen houdt. Mijn verlangen gaat uit naar Wenen en Boedapest, naar Praag, niet naar Tel Aviv met zijn schitterende zee.’

Onderdeel van het verhaal is een parabel die veelzeggend de effecten van de Holocaust beschrijft.

Kohn en Grün zijn na de oorlog naar Zuid-Amerika gegaan. Beiden hebben ze in een concentratiekamp gezeten en zijn ziek. In Zuid-Amerika wonen ze in een armenhuis. Ze slapen in één bed.

Op een nacht wordt Kohn wakker en merkt dat Grün niet naast hem ligt. Hij valt weer in slaap. De volgende nacht wordt Kohn weer wakker; Grün ligt niet naast hem. Kohn besluit wakker te blijven en op zijn vriend te wachten. Maar hij valt in slaap.

De nacht daarop wordt Kohn opnieuw wakker. Grün is er niet. Kohn blijft wakker en ziet dat Grün pas tegen de ochtend thuiskomt. Kohn besluit de volgende nacht niet in slaap te vallen; hij wil weten wat Grün ’s nachts uitvoert.

Midden in de nacht staat Grün voorzichtig op. Hij kleedt zich zachtjes aan en pakt een pannetje van onder het bed. Grün gaat de straat op. Kohn volgt hem. Ze lopen door vele straten, de zon begint al op te komen. Dan komen ze bij een put. Wanneer Grün het deksel van de put wil oplichten, schreeuwt Kohn: ‘Hé, wat doe je daar?’

Geschrokken draait Grün zich om en zegt: ‘Wat doe jij hier? Je moet stil zijn.’ Kohn loopt naar Grün toe en vraagt: ‘Waarom?’ Grün kijkt hem aan en zegt: ‘Hier in deze put zit Mengele. Iedere nacht kom ik hem eten brengen, want hij heeft beloofd dat hij me dan de volgende keer zal sparen.’

uit: alle verhalen, Rainbowpocket Amsterdam, 1999

Rogi Wieg (1962-2015, Delft)

Isaak Babel over een traumatische jeugdherinnering: de pogrom

babel, isaak; io.wp.combron beeld: enlacejudio.com

We mogen de Rus Isaak Babel bedanken als het gaat om het precies verwoorden van al het leed dat mensen wordt aangedaan in tijden van (burger)oorlog en uitsluiting. Babel verhaalt over zijn ervaringen met de Revolutie in Rusland (Rode ruiterij) en in Verhalen uit Odessa verwoordt hij zijn jeugdervaringen als joods kind.

In het korte verhaal De geschiedenis van mijn duiventil (opgedragen aan schrijver Maksim Gorki) doet hij hartverscheurend verslag van zijn confrontatie met de pogrom. Het is 1904. De hoofdpersoon (Babel zelf) is negen jaar, zit voor het toelatingsexamen voor de voorbereidende klas voor het gymnasium en wil graag een duiventil met duiven als beloning. Die wordt hem beloofd door zijn vader.

Babel is het kind waarop de familie hoopt dat het met hem wel gaat lukken. De rest van de familie is niet of nauwelijks geslaagd in het leven. Geen talent, geen geluk of geen moed. Babel zelf wil er wel voor gaan, talentvol als hij is. Als hij alles over Peter de Grote moet leren, leest hij niet alleen de geschiedenisboeken, maar ook alles wat Poejskin daarover in dichtvorm heeft geschreven. Dat levert hem de bescherming van zijn onderwijzer op, want pesten ligt op de loer. Het lukt de kleine Babel om zich te plaatsen voor het gymnasium (inmidddels is het 1905). Een feest volgt. Grootvader Schojl gaat de beloofde duiventil bouwen. Babel zelf mag op de markt duiven kopen.

Tsaar Nicolaas kondigt aan de Russen een grondwet te gaan geven. Het wordt onrustig op straat. De angst voor dreiging en gevaar sluipt binnen. Moeder Babel verbiedt de jongeling de straat op te gaan om duiven te kopen. Maar Babeltje ontsnapt. Op de markt ontmoet hij duivenmelker Iwan en daar koopt hij zijn duiven. Speciale belangstelling gaat uit naar een paar Krjoekow-duiven, maar die passen niet binnen het budget. Na een poosje loven en bieden:

Tegen twaalf uur, of kort na twaalfen, stak een man in viltlaarzen het plein over. Hij liep met verende tred op zijn extra verdikte benen voort, in zijn verweerde gezicht gloeiden een paar levendige ogen.

‘Iwan,’ zei hij, toen hij langs de vogelhandelaar liep, ‘pak je boeltje maar liever bij mekaar, in de stad is de Jerusalemse adel bezig zijn grondwet in ontvangst te nemen. In de Rybnajastraat hebben ze grootvader Babel zo toegetakeld dat-ie voor dood is blijven liggen.’

Iwan kan het niet geloven, maar kiest eieren voor zijn geld. Isaak mag zijn duiven ontvangen voor de laagste prijs en de markt loopt snel leeg.

Op de markt was al geen mens meer te bekennen en niet ver weg knetterden geweerschoten.

Op weg naar huis ontmoet de jonge Isaak de gehandicapte Makarenko, die samen met zijn vrouw Katjoesja tussen de achtergelaten spullen op de markt naar iets bruikbaars zoekt. Zijn oog valt op de zak waarin Babel zijn duiven heeft gestopt.

‘Wat heb je daar in die buidel?’ vroeg hij, terwijl hij de zak beetpakte die mijn hart verwarmde.

Met zijn dikke hand graaide de invalide tussen mijn duiven en hij kreeg het wijfje van de kersenrode duiven te pakken. Met stijve pootjes lag de vogel op zijn handpalm.

‘Duiven,’ zei Makarenko en hij reed met knarsende wielen dichter op mij toe. ‘Duiven,’ herhaalde hij en hij gaf mij een klap op mijn wang.

Hij sloeg mij met volle vuist, waarin hij de duif geklemd hield. Het gewatteerde achterwerk van Katjoesja tolde voor mijn ogen rond en ik tuimelde in mijn nieuwe schooljas tegen de grond.

‘Uitroeien moesten ze dat zaad van hun,’ zei Katjoesja, terwijl ze zich van de mutsen oprichtte. ‘Ik kan dat zaad van hun niet zien en die stinkende mannen van hun…’

Ze zei nog iets over ons zaad, maar ik verstond al niets meer. Ik lag op de grond en de ingewanden van de vermorzelde vogel dropen van mijn slapen af. Ze dropen in kronkels langs mijn wangen, spatten uiteen en verblindden mij. Tere duivedarmen kropen langs mijn voorhoofd en ik sloot mijn nog overgebleven, en nog niet dichtgelopen oog om de wereld om mij heen niet meer te zien. Die wereld was benepen en verschrikkelijk.

(..)

Klein was mijn wereld en verschrikkelijk. Ik sloot mijn ogen om haar niet meer te hoeven zien en drukte mij tegen de aarde aan die in sussende stilte onder mij lag. Deze platgetreden aarde had niets weg van ons leven en van de examens die ons in het leven te wachten stonden. Ergens ver weg over die aarde reed de rampspoed op een groot paard voort, maar het stampen van de hoeven verzwakte, loste zich op en een stilte, de bittere stilte die soms over kinderen komt in hun verdriet, wiste eensklaps de grens uit tussen mijn lichaam en een aarde die zich nergens heen bewoog. De aarde rook naar klamme diepten, naar het graf, naar bloemen. Ik snoof die geur van haar op en begon te huilen, maar zonder een spoor van angst.

Onderweg naar huis ziet hij dat de pogrom is begonnen.

Het huis was leeg. De witte voordeur stond open, het gras bij de duiventil was platgetrapt. Alleen Koezjma was op de binnenplaats achtergebleven. Koezjma onze concierge, zat in de schuur. Hij was bezig de dode Schojl af te leggen.

(..)

‘Hier zie je, hoe het volk met onze opa heeft huisgehouden…’

‘Wat heeft-ie ze allemaal de huid volgescholden,’ zei hij met een glimlach en liet zijn blik liefdevol over de dode glijden. ‘Als hij door een troep Tartaren was overvallen, zou hij die Tartaren op de vlucht hebben gejaagd, maar dit waren Russen, samen met hun vrouwen, Grootrussen, en die Russen kunnen er moeilijk toe besluiten de mens te ontzien… ik ken ze, die Russen…’

Aan de hand van concierge Koezjma gaat de jonge Isaak naar zijn voor de pogrom ondergedoken ouders.

fragmenten uit: de geschiedenis van mijn duiventil; uit: Verhalen uit Odessa, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer 

Isaak Babel (1894-1941, Odessa, Rus)

 

Isaak Babel toont aan dat Jezus ook maar een mens is

isaak-babel; abc.esbron beeld: abc.es

Isaak Babel (1894-1940, Odessa, Rus) schreef De zonde van Jezus. Arina is kamermeisje, Sergoja, portier in een hotel. Ze leven in zonde met elkaar. Resultaat een tweeling. Maar Sergoja moet in militaire dienst, vier jaar lang. Arina weet niet of ze zolang kan wachten zonder andere relaties. Ze heeft nog tal van andere belangstellenden. Sergoja woest en geeft haar een pak rammel. Arina gaat haar licht opsteken bij Jezus.

Dus kwam de vrouw bij Jezus Christus en zei: ‘Zo en zo is de toestand, Here Jezus. Ik ben vrouw Arina uit hotel Madrid en Louvre op de Twerskaja. Als kamermeisje in een hotel loop je met je rokken omhoog. Wie er z’n tenten ook opslaat, hij is je heer en meester, om het even, of-ie een jood is of wie ook. En dan scharrelt hier op aarde nog een knecht van je rond, de duvelstoejager Sergoja. Verleden jaar met Palmzondag heb ik hem een tweeling gebaard…’

En zij beschreef de hele toedracht aan de Heer.

‘En wat, als Sergoja nou eens helemaal niet in dienst ging?’ opperde de Heiland.

‘De veldwachter zou hem gauw genoeg bij z’n lurven hebben…’

‘O ja, de veldwachter.’ De Heer boog het hoofd. ‘Aan die had ik niet gedacht… Maar luister, wat als je eens een rein leven ging leiden?…’

‘Vier jaren lang?’, antwoordde de vrouw. ‘Als je naar jou luistert, dan zouden alle mensen hun dierlijke instinkten moeten opzouten; dat mag een stokpaardje van je zijn, maar waar moet het jonge goed dan vandaan komen? Nee, geef me liever een verstandige raad…’

Het bloed steeg de Heer naar de wangen, de vrouw had een tere snaar bij hem aangeraakt, maar hij zei niets. Je eigen oor kun je niet kussen – zelfs God weet dat.

fragment uit: de zonde van Jezus; uit: Verhalen uit Odessa, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

Joseph Roth zag Onze Lieve Heer in Rusland

Joseph Roth (1894-1939, Oostenrijk) was schrijver en journalist en reisde wel eens om zijn horizon te verbreden. Bijvoorbeeld in 1926 toen Rusland het reisdoel was. Hij deed van zijn ervaringen verslag in de Frakfurter Allgemeine Zeitung. Vooraf: hij voelde zich in Rusland meer dan ooit Europeaan. En… hij ontmoette er Onze Lieve Heer.

‘Vandaag sprak ik met Onze Lieve Heer. Hij leeft in Rusland als God in Frankrijk.’

(..)

‘Ik was vandaag in het Instituut voor het culturele contact met het buitenland,’ zei God. ‘Zij hebben Mij rondgeleid. Ik moest het Kremlin zien, men toonde Mij ontruimde kerken. Een Engelse tolk vertaalde alles voor Mij. Ik interesseer Mij niet voor bouwstijlen en sarcofagen van dode tsaren. Ik moet de mensen zeer komisch voorgekomen zijn. Een vlieg zoemde, een groene, Spaanse vlieg zoemde in een kamer. ‘Vertaalt u Mij,’ zei ik tegen de gids, ‘ wat die vlieg zegt.’ ‘Stomme Amerikaan,’ zei de tolk tegen de gids, in het Russisch – en tegen Mij: ‘De wetenschap is bij ons nog niet zo ver. De taal van de vliegen kennen wij niet.’ Aan de baard van de gids hing een broodkruimel. ‘Ik heb net ontbeten,’ zei Ik.  De tolk vertaalde het. Weet u: ik heb Mij altijd voor de heel kleine dingen geïnteresseerd. Men liet Mij het mausoleum van Lenin zien, maar voor de ingang lag een verroeste spijker. Ik pakte hem op en vroeg: ‘wat denkt u, waar komt die spijker vandaan?’ En ze wisten niet wat ze tegen Mij moesten zeggen. Ik loop een kerk binnen en geef de bedelaars een aalmoes, om niet op te vallen. De gelovigen zingen heel mooi. De pope heeft een diepe, mooie basstem. Ik zie de voet van een neerknielende man en een gat in zijn schoenzool. ‘Waar heeft hij dat gat erin gelopen?’ vraag ik mijn begeleider. Hij weet het niet.

Hij weet hoe de bliksem ontstaat, maar Ik heb dat immers nooit verheimelijkt. Ziet u, de kleine dingen weten de mensen altijd nog niet, hoewel ze niet meer aan Mij geloven. In Mijn naam, u zult het nauwelijks geloven hoe blij Ik ben ontslagen te zijn uit dit complex van staat, regering, industrie en politiek. Men vergt niet meer van Mij voor de gezondheid van de opperste staatslieden te zorgen, voor de moraal van de kinderen, voor de coalitie tussen de generaals en de chemie, Ik zegen geen gasmaskers, zelfs de Witte Gardisten hebben ingezien dat Ik hen niet meer kan helpen. Ik woon in het Savoy-hotel, betaal twintig roebel per dag en laat Mij verloochenen. Nu ga ik naar het theater van Meyerhold, daar staat een stuk op het programma, waarin Ik gelasterd word. Ik hoef immers niet meer te straffen, u gelooft werkelijk niet wat voor mooie avond het wordt!

uit: reis door Rusland, Lubberhuizen Amsterdam, 1994; vertaling Koos van Weringh

joseph-roth; derstandard.atbron beeld:derstandard.at

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oostenrijk)

Het Parijs van Gisèle Freund

freund gisele; parijsfreund gisele; parijs2freund gisele; parijs3

Gisèle Freund (1908-2000, Berlijn) geboren in Duitsland, vluchtte in 1933 naar Frankrijk om te ontkomen aan de Nazi’s. Ze was joods, socialiste en lesbisch en vreesde voor haar leven nadat een van haar vrienden was gearresteerd en vermoord. Freund hield van fotografie en maakte veel en vaak foto’s. Ze vestigde zich in Parijs, werd fotojournalist en werd geroemd om haar portretten.

In 1936 rondde ze haar opleidingen (sociologie en kunsten) af aan de Sorbonne. In 1947 sloot ze zich aan bij Magnum Photos, het internationale fotografencollectief. Met haar aansprekende portretten van avantgarde-kunstenaars als Simone de Beauvoir, Frida Kahlo, en André Malraux, vestigde ze haar naam in het toenmalige Frankrijk. Dat leidde tot opdrachten van onder andere Francois Mitterand. Het leverde haar ook de titel Chevalier de la Légion d’honneur op, Frankrijks hoogste onderscheiding.

bron: blogs.getty.edu

freund gisele; parijs4freund gisele; parijs5freund gisele; parijs6

Lisetta Carmi wierp licht op het Sardijnse leven

Carmi, lisetta; sardinie6Lisetta Carmi. Voci allegre nel buio. Fotografie in Sardegna 196Carmi, lisetta; sardinie2

De Italiaanse Lisetta Carmi (1924, Genua) was 18 jaar werkzaam als fotograaf (van 1960 tot 1979). In die periode legde ze het alledaagse leven vast van gemeenschappen in de verdrukking. Dat kon de oorspronkelijke Sardijnse bevolking zijn, maar ook de lhbt-gemeenschap in haar thuisland. Carmi is een vrouw met veel facetten. Ze kwam uit een joods intellectueel gezin, was succesvol als concertpianiste en docent. Ging fotograferen met een scherpe en levenslustige blik. Ontmoette een goeroe, stichtte een ashram in Puglia en is inmiddels 97. Haar foto’s krijgen steeds weer waardering van nieuwe generaties omdat ze sociale taboes niet uit de weg ging. De laatste jaren werden tentoonstellingen gehouden van haar werk. In 2010 is er een film over haar leven en werk gemaakt die succesvol was op het filmfestival in Venetië.

Carmi, lisetta; sardinieCarmi, lisetta; sardinie3

Van Sonderen: woede

*

woede – achter haar jas gaat schuil / moeder van wie wij niet los kunnen komen

zij knoopt de houtjes aan de touwtjes / wij slaan een ander kind in het gezicht

een andere vrouw moet boeten voor die binding / verkeerde boosheid barst uit onze mond

de pijn die zij verhult wordt niet gekend / het niet-gekende, naamloos, drijft ons voort

spuwend van trut, slet, stom klerewijf / waar wordt bedoeld: neem me weer op in je nabije lijf.

Uit: Dit maakt ons ademloos bij haar geluid, Sijthoff Amsterdam, 1986; samenstelling Maaike Meijer en Annettje Dia Huizinga

van sonderen, eva; youtube.combron beeld: youtube.com

Eva van Sonderen (1948, Amsterdam)