Olga Savary: David

David

Noch dier zijnd noch god / noch van de wortel hebbend de kracht / noch van de steen de eeuwigheid, / legt de dichter in de woorden / die kracht van niets: / zijn slinger is het gedicht.

Uit: Poëzie is een gebaar, Novib Den Haag, Poetry International Rotterdam, 1995; vertaling August Willemsen

25JP2-07.inddbron foto: jornaldopovo.com.br

Olga Savary (1933, Belém, Brazilié)

Advertenties

Ed Leeflang: Adriaen Coorte

COORTE, Adriaen, Drie perzikken op een stenen richel met vlinder, 1693-95Adriaen Coorte

De schilder van asperges en frambozen / heeft ook citroen en klapbes uitgekozen / om lof te spreken van de stof. / Hij legt ze neer en beeldt ze af. / Dat biedt wie ziet de starre orde / en koppigheid te leven met het / het duurzame alsof. / Wat eetbaar en verderfelijk is als / mensen, is voor een oponthoud met / moedwil afgezonderd en boven de / amechtige natuur gesteld. Het moest en / zou daaraan voorbij; eer het onduidelijk / restant zou worden op de etensborden / of de belt.

Uit: Bewoond als ik ben, Arbeiderspers Amsterdam, 1981

ed leeflang, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Ed Leeflang (1929-2008, Amsterdam)

Het is niet ongebruikelijk om de stilstand te zien als kenmerk bij uitstek van de poëzie. De dingen worden stilgezet, gestuit in hun beweging. Ze worden als het ware bevroren, vastgeprikt in de onwrikbare formulering van het gedicht. Die stilstand is dan een beeld van de overwinning op de tijd en dus op het verhaal. Verhalen over wat er gebeurt met dingen en met mensen lopen onafwendbaar uit op verval, dood en verdwijnen. Het gedicht isoleert uit dat verhaal een moment en verleent er duurzaamheid aan. Zoals de schilder van een stilleven binnen de lijst van zijn schilderij verhindert dat de bloemen verwelken en de vruchten gaan rotten.

Uit: De dichter is een koe. Over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

“God is wreed en gaat streng met ons om”

‘God is wreed, en hoe meer we hem gehoorzamen, hoe strenger hij met ons omgaat. Hij is machtiger dan de machtigen, met de nagel van zijn pink kan hij hen van kant maken, maar hij doet het niet. Alleen de zwakken richt hij graag ten gronde. De zwakte van een mens prikkelt zijn kracht, en gehoorzaamheid wekt zijn toorn op. Hij is een grote, wrede ispravnik (russisch voor officier van justitie). Gehoorzaam je zijn wetten, dan zegt hij dat je ze alleen in je eigen voordeel gehoorzaamt. En overtreed je ook maar één enkel gebod, dan vervolgt hij je met honderd straffen. Wil je hem omkopen, dan rekent hij met je af. En ga je rechtschapen met hem om, dan loert hij op een kans om jou om te kopen. In heel Rusland is er geen boosaardiger ispravnik!’

‘Denk eens, Mendel,’ begon Rottenberg, ‘denk eens aan Job. Hem is hetzelfde overkomen als jou. Hj zat op de naakte aarde, met as op zijn hoofd, en zijn wonden deden zoveel pijn dat hij als een dier over de grond rolde. Ook hij lasterde God. En toch was het alleen een beproeving geweest. Wat weten wij, Mendel, van wat daarboven gebeurt? Misschien is de satan voor God verschenen en heeft hij net als toen gezegd: er moet een rechtvaardige worden verleid. En de Heer zei toen: probeer het eens met Mendel, mijn knecht.’

Uit: Job, roman over een eenvoudige man – Joseph Roth, Atlas Amsterdam, 2007; vertaling Wilfred Oranje

roth, grunberg.combron foto: arnongrunberg.com

Joseph Roth (1894-1939, Brody, Oekraïne)

Gerrit Kouwenaar: nu

nu

Er is geen jezus veranderd / terwijl de geur / van brandend vlees zich verdikt / tot luchtige woorden en welvaart, veroudert / de taal, sneller dan ooit

ik dacht aan darmen plus deze rood / kleurige modder die de eigennamen vermengde / tot grondsop voor zonen, toen ik / uw veertjes uiteenschoof

de meisjes gaan gretiger open, onze kleuters / belikken de maan, in een hangmat / van napalm verdedig ik / het kwetsbare thuisfront –

Uit: 100 Gedichten, Querido Amsterdam, 1969

kouwenaar, Hollandse Hoogte, vk.nlbeeld: Hollandse Hoogte; bron foto: volkskrant .nl

Gerrit Kouwenaar ( 1923-2014, Amsterdam)

Jan Campert: sonnetten voor Cynara 14

Sonnetten voor Cynara 14

Rebel, mijn hart, gekerkerd en geknecht, / die aan de tralies van den al-dag rukt, / weest om uw tijdlijk lot geenszins bedrukt, / al zijn de kluisters hard, de muren hecht.

Want in den aanvang werd het u voorzegd, / dat het aan enkelen steeds is gelukt / het juk te breken, dat hun schouders drukt, / laat dus niet af maar vecht en vecht en vecht.

Breekt uit en blaast de doove sintels aan, / die zijn verdoken onder ’t rookend puin; / vaart storm-gelijk over den lagen tuin, / die Holland heet; slaat dood’lijk toe en snel / opdat het kwaad schrikk’lijk zal ondergaan, / o hart, mijn hart, o bloedroode rebel.

jan campert, literatuurpleinbron foto: literatuurplein.nl

Jan Campert (1902-1943, Spijkenisse)

Uit: Verzamelde gedichten, Stols Den Haag, 1947

Herman de Coninck: je truitjes en je witte en rode…

Je truitjes

Je truitjes en je witte en rode / sjaals en je kousen en je slipjes / (met liefde gemaakt, zei de reclame) / en je brassières (er steekt poëzie in / die dingen, vooral als jij ze draagt) – / ze slingeren rond in dit gedicht / als op je kamer.

Kom er maar in lezer, maak het je / gemakkelijk, struikel niet over de / zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, / gaat u zitten.

(Intussen zoenen wij even in deze / zin tussen haakjes, zo ziet de lezer / ons niet.) Hoe vindt u het / dit is een raam om naar de werkelijkheid / te kijken, alles wat u daar ziet / bestaat. Is het niet helemaal / als in een gedicht?

Uit: Onbegonnen werk, Gedichten 1964-1982, Manteau Antwerpen, 1984

de coninck, demorgen.bebron foto: demorgen.be

Herman de Coninck (1944-1997, Belgisch)

Roger M.J. de Neef: rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde

Rivieren, zij zijn de bloedsomloop van de aarde. / Ook al sluiten zij de ogen, / Zij openen het land als verse lakens / En rusten nooit.

Rivieren, zij verwijderen zich van hun oorsprong, / Keren nooit terug en blijven aan zich zelve gelijk. / Meerdere malen leggen zij het oor te luisteren en / Horen hoe de vissen hun bolle buiken / Berijden en bereizen.

Rivieren vieren weleens feest of praten met de lucht. / Zij rapen de winden op en winden zich op / Zij vermenigvuldigen het voedsel / En in hun lenden landen de zo levendige steden.

Rivieren zijn minnaars, / Met hun laatste monden / Werpen zij zich in zee.

Uit: De vertelkunst van de bloemen, Manteau Antwerpen, 1985

De-Neef, schrijversgewijs.bebron foto: schrijversbewijs.be

Roger M.J. de Neef (1941, Belgisch)

Middellandse Zee: Istanboul

Istanboul

Hagia-Sophia-Istanboel, getbybusbron foto: getbybus.com

Roept de man van de minaret / het simpel gebed: / Allah, Inschallah, / sterren die vallen / schachten van straten, / hopeloos verlaten / dool ik rond / als een hond / door de stad.

Ik wist niet waarheen ik ging / blind achter bittere herinnering / eis tein boulan.

Een vrouw in een donkere straat / ik ben met haar meegegaan; / zal zij mijn taal verstaan / zal zij weten wat mij dreef, wat ik deed? / Zal zij weten welk gruwelijk leed / mij herwaarts dreef naar de stad?

Eis tein boulein / waar armen en rijken zijn / ver van wat ik had en liefhad.

O alles is doelloos en wreed. / Ik weet nauwelijks nog hoe ik heet. / Ik ben zwervende, zwervende, / ik ben stervende, dervende, / maar ik ben dag en nacht wervende / naar een hart dat mijn smart heeft gekend.

Louis de Bourbon (1908-1975, Renkum)

Uit: Verzamelde gedichten, Orion Brugge, 1974

García Márquez keert terug naar zijn dorp en herinnert zich de anime

De anime is bij ons een soort weldoende geest die zijn beschermelingen op benarde momenten te hulp schiet; wanneer men dan ook van iemand zegt dat hij ‘animes’ heeft, bedoelt men dat hij door een of andere mysterieuze persoon of kracht wordt beschermd.

De animes van Aracataca (geboortedorp van Márquez) waren iets heel anders: minuscule wezentjes van amper een duim groot die op de bodem van waterkruiken leefden. Soms verwarde men ze met de bortselwormpjes, ook wel sarapicos genoemd, die in werkelijkheid de larven van de muskieten waren die onder in het drinkwater wriemelden. Maar de echte kenners verwarden ze niet: de animes waren in staat om uit hun natuurlijke schuilplaats te ontsnappen, zelfs als de waterkruik goed was afgesloten, en ze vermaakten zich door allerlei kattekwaad in huis uit te halen. Het waren ondeugende maar vriendelijke geesten die de melk  verzuurden, de ogen van de kinderen van kleur lieten veranderen, de sloten deden roesten of verwarde dromen opriepen. Maar bij tijden raakten ze om duistere redenen uit hun humeur en dan bekogelden ze het huis waar ze woonden met stenen. Ik leerde ze kennen in het huis van don Antonio Daconte, een Italiaanse emigrant die indrukwekkende nieuwigheden in Aracataca introduceerde: de stomme film, de biljartzaal, de verhuur van fietsen, de grammofoon en de eerste radio. Op een avond ging het gerucht in het dorp dat de animes stenen gooiden naar het huis van don Antonio Daconte, en het hele dorp liep uit. In tegenstelling tot wat je zou denken, was het geen gruwelijk schouwspel maar een uitgelaten feest, waarbij hoe dan ook geen ruit heel bleef. Je zag niet wie de stenen gooide, want ze kwamen van alle kanten aan vliegen en hadden de magische eigenschap niemand te raken, maar rechtsstreeks op hun doelwit af te gaan: dingen van glas. Lang na die fantastische avond hielden wij kinderen vast aan de gewoonte het huis van don Antonio Daconte binnen te sluipen en het deksel van de waterkruik in de eetkamer op te lichten om te kijken naar de kalme en bijna doorzichtige animes die zich onder in de kruik verveelden.

Uit: Terug naar mijn dorp; uit: De zee van mijn verloren verhalen, Meilenhoff Amsterdam, 1992; vertaling Francine Mendelaar en Wieke Westra 

garcia marquze, smithsonian magazinebron foto: smithsonianmag.com

Gabriel García Márquez (1927-2014, Colombiaans)

Gabriel García Márquez over de boekhandelaar

Een zonder meer ongunstige factor voor de leesgewoonte is dat de laatste goed geïnformeerde en goed informerende boekhandelaren al een tijdje dood zijn en dat boekwinkels steeds minder het centrum van namiddagbijeenkomsten zijn. Je had je eigen boekhandelaar zoals je je eigen huisarts en je eigen tandenborstel had. De professionele boekhandelaar was iemand die zelf in zijn zaak stond, zoals de tandarts in zijn behandelkamer, en door alleen maar de catalogus te lezen wist hij in welke boeken elk van zijn klanten geïnteresseerd was. Zelden vergiste hij zich. Je ging dus naar de bijeenkomst van zes uur en dan lag daar al een stapeltje nieuwe uitgaven klaar dat voldoende was om je een maand lang tot diep in de nacht aangenaam bezig te houden. Tegenwoordig zijn de boekwinkels grote, opzichtige fabrieken van pas verschenen boeken, die vervaardigd zijn om in één klap verkocht te worden en als tijdverdrijf te lezen om ze daarna in de prullenbak te gooien. Zelfs het herlezen van boeken is een moeizaam genot, want je gaat naar de boekwinkel om een boek aan te schaffen dat twee jaar geleden opgang maakte en niemand weet er iets over te zeggen. Als er één plaats is waar je kunt zien hoe de wereld veranderd is, dan is dat niet op een lanceerbasis voor satellieten, maar in de boekwinkel op de hoek. Als hij er nog is.

Uit: Welk boek lees je?, 1983; uit: De zee van mijn verloren verhalen, Meulenhoff Amsterdam, 1997; vertaling Francine Mendelaar en Mieke Westra

garcia marquez, culturetripbron foto: theculturetrip.com

Gabriel García Márquez (1927-2014, Colombiaans)