Eijkelboom Dicht de Dag

Pictures in your head

Beweging zit er niet in: / het zijn stills uit een movie, / meestal stom, / soms met geluid, / kreten van vogels bijvoorbeeld, / zelden een stem. / Ze komen terug, steeds vaker. / Er komen er ook wel bij.

Duizenden plaatjes in / een o zo zwaartillend hoofd. / Je zit er maar mee / op de achterste rij / van je eigen theater.

uit: wat blijft komt nooit terug – Jan Eijkelboom, Arbeiderspers Amsterdam, 1979

jan eijkelboom; pzc.nlbron beeld: pzc.nl

Jan Eijkelboom (1926-2008, Dordrecht)

Raymond Radiguet Dicht de Dag

raymond-radiguet, booknode.comDe jong gestorven schrijver Raymond Radiguet, die bekend werd met zijn verfilmde roman Le diable au corps; bron beeld: booknode.com

Schrijver en dichter J.Bernlef (1937-2012) werkte mee aan het legendarische tijdschrift Barbarber. In dat periodiek vertelde hij over zijn ontdekkingen op poëzie-gebied. ‘Poëzie die lichtvoetig moest zijn en niet mocht bezwijken onder de loden last van de Kunst.’

Eén van die ontdekkingen was het werk van de fransman Raymond Radiguet (1903-1923), schrijver, dichter en journalist.

Neuzend in de voorraadkasten Frans kwam ik een boekje tegen uit 1925, Les joues en feu, van Raymond Radiguet, die ik alleen als prozaschrijver kende. De gedichtjes van Radiguet vormen een elegant terzijde bij zijn prozawerk, maar houden zich met hetzelfde onderwerp bezig: het moment waarop jeugdige onschuld definitief verloren gaat.

Een ansichtkaart: de kaden van Parijs

Men heeft de schepen vervangen / Door boekenkisten. Bladerend / In goedkope boeken lees ik / Over het bestaan van nog fraaiere oevers.

Lieve vriend, laat ons subiet het anker lichten; / Inktpot, treurig als de zee. / Alsjeblieft, schrijf niet meer met inkt: / De woorden die je opvist zijn zo bitter als gal.

Spaarpot

Kindje, spoedig zul je kunnen lezen, / We zullen je overladen met cadeaus. / Een zware spaarpot / zal je lichtste last zijn.

uit: alfabet op de rug gezien – J.Bernlef, Querido Amsterdam, 1995

Éric Fottorino beschrijft een andere blik

Overzichtelijk belooft het te worden: Breekbaar lichaam van schrijver Éric Fottorino. Weinig personages, hun indrukken van omgeving en omstandigheden, hun geschiedenis en hoe die bij elkaar komt in dit verhaal. Hun stemmen komen allemaal aan bod. Zoals die van Clara, die op de vlucht is en in het Noorse Bergen terechtkomt.

Ik wist niets van hanzesteden, ze waren mij net zo vreemd als de sprookjes van de gebroeders Grimm of de liederen van Grieg, waarvan ik heb leren houden. Ik stelde me voor dat ik, door naar een witte vlek op de kaart te vluchten – en voor mij was Bergen helemaal blanco, het had ook Oslo of Reykjavik kunnen zijn -, ik stelde me voor dat ik zo ver noordelijk, zo dicht bij de noordpool, in een land aan zee, wat handig was als ik nog een keer zou moeten vluchten, voorgoed bevrijd zou zijn van Noord-Afrika, van de blikken van de mannen. Net als in Marokko maakte de zon in Bergen de zee het hof. Maar het was niet dezelfde zon en niet dezelfde zee. Hier brachten ze blonde mensen met een lichte huid voort, meisjes die ondanks het klimaat allesbehalve koudwatervress hadden. De zon was niet agressief, verhitte hart en bloed niet meer dan de vlammen van de kaarsen in de houten kerkjes die in het land van de fjorden staan. In Bergen werden geen schapen op straat gekeeld, een vrouw kon er haar gezicht en haar blote armen tonen zonder ander risico dan een longontsteking op te lopen; een vrouw mocht een blik weerstaan, haar haren los laten hangen, glimlachen.

Ik wist dat ik het Noors met die ø’s, doorboord als de appel van Wilhelm Tell, nooit zou begrijpen, en ik vond het rustgevend dat ik niets begreep. Ik weet niet zeker of iemand mij, als het donker was geworden – maar het kwam voor dat de nacht niet de moeite nam om te vallen aangezien de dag was vergeten aan te breken-, ik weet niet zeker of iemand zou kunnen zweren dat hij mij tussen al die winkelende mensen in Bergen gezien heeft. Verrukt versmolt ik met dit vlekkeloze universum dat door de oude panden van de hanzekooplieden met hun levendige kleuren en puntgevels werd opgevrolijkt.

uit: breekbaar lichaam – Éric Fottorino, Wereldbibliotheek Amsterdam, 2001; vertaling Alfred Engelander en Anna Sikora

eric-fottorino;rtl.frbron beeld: rtl.fr

Éric Fottorino (1960, Nice, Fr)

Paustovski bevond zich in een spagaat

Konstantin Paustovski (1892-1968, Kiev) is om meerdere redenen een schrijver die de moeite van het lezen waard is. Allereerst zijn levensloop: als student moest hij zijn studie onderbreken voor de Eerste Wereldoorlog. Paustovski was ziekenbroeder aan het front in Pruisen en maakte van dichtbij de gruwelen van deze oorlog mee. Tijdens die oorlog verloor hij zijn twee broers.

In 1917 maakte Konstantin de Russische Revolutie mee. Hij werd journalist onder andere in Odessa. In 1930 keerde hij terug naar Moskou waar in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Tijdens deze oorlog was hij oorlogscorrespondent aan het zuidelijk front. Na de oorlog werd hij docent aan het Gorki Instituut in Moskou. In 1965 werd Paustovski genomineerd voor de Nobelprijs. Hij won hem niet omdat hij niet Sovjet-getrouw genoeg was.

De Rus begon al in 1911 met schrijven. Van grote invloed op zijn werk waren schrijvers als Babel en Boenin. Paustovski meesterwerk is zijn 6-delige autobiografie:

“Geschiedenis van een leven is meer een lang, lyrisch en melancholisch verhaal, dan een strikte historische biografie. De nadruk ligt vooral op de innerlijke percepties en dichterlijke ontwikkeling van de schrijver zelf. Door vertaler Charles B. Timmer werd het ook wel een “biografie van de ziel” genoemd, meer dan een “biografie van gebeurtenissen”. Niettemin vormen de memoires van Paustovski een uniek tijdsdocument over het Russische leven in de turbulente eerste decennia van de 20e eeuw.” bron: wikipedia

Wie Paustovski leest vallen een aantal dingen op: zijn nauwkeurige beschrijvingen van de omringende natuur, zijn poëtische stijl, zijn kennis van en belangstelling voor die natuur, de romantiek, de nauwgezette beschrijvingen van gebeurtenissen en de vele anekdotes. Omdat Paustovski Rusland nooit heeft verlaten en zijn band met het Rusland van die tijd vooral een band was met de natuur, zou je hem een typische Russische schrijver kunnen noemen. Over zijn band met de levende natuur het volgende:

Zijn haast encyclopedische kennis van bloemen en planten en hun angstvallig nauwkeurige beschrijving bezorgen zijn vertalers heel wat hoofdbrekens, verzucht een Engels-Russisch tolkenpaar in het voorwoord bij een verhalen bundel. Als lezer struin je geregeld knie- of heupdiep door de bedauwde grassen en kruiden. En wanneer de bosbouwkundige Masja Klimova wilde rozen gaat plukken aan de Wolga, laat Paustovski haar jurk volklitten met struikheide, krabbenscheer, waterweegbree, fonteinkruid, wilde malve, weideklaver, bosbes en walstro.

Het zal niet verwonderen dat Ivan Boenin zijn favoriete auteur is, de Nobelprijslaureaat die de Russische traditie van landschaps- en natuurschrijverij in de twintigste eeuw voortzette, zij het vanuit ballingschap in Parijs. Boenin wist bosschages te tooien met menselijke gedachten en stemmingen, zo sprak Paustovski zijn bewondering uit. Zelf is hij zo verknocht aan de Russische taal en de immense Russische wouden dat zelfs de gedachte aan emigreren nooit in zijn hoofd is opgekomen. Bij een opsomming van noodzakelijke voorwaarden voor een goed schrijverschap noemt hij (naast lyrische kracht en inlevinsgvermogen) een levende band met de natuur. Niks geen klassenbewustzijn of andersoortig maatschappeklijk engagement. Nee, de natuur dient door aandachtige bestudering een tweede universum in het hart van de schrijver te worden. Toen ik dat las besefte ik ineens in wat voor spanningsveld Paustovski als beginnend Sovjet-schrijver moet zijn beland. De vijfjaren-planen, dat waren verklaarde aanvallen op de onontgonnen wildernis. Gorki zelf verkondigde dat, zodra de klassenstrijd gestreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur.

uit: botanicus in de woestijn; uit: Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman; Olympus Amsterdam, 2005

paustovski; groene.nlbron beeld: groene.nl

Konstantin Paustovski (1892-1968, Moskou)

Babel bericht uit Moskou over een nare droom

isaak_babel; modernista.seDe Russisch-joodse schrijver Isaak Babel (1894-1940) berichtte uit een ander Rusland in een andere tijd. bron beeld: modernista.se

Rimma en Alla zijn pubermeisjes van 16 en 17 jaar oud. Hun mama woont zonder man in hun huis in Moskou. Zij moet de eindjes aan elkaar knopen. Heeft huurders in haar huisje. Haar man werkt bij het gerecht in Kamtsjatka aan de andere kant van het land. Vrouw en dochters leven en lijden onder de afwezigheid van hun vader/haar man.

‘Ik heb vannacht gedroomd, Rimma,’ zei ze. ‘Stel je eens voor. een onbekend, klein Russisch stadje, helemaal niet thuis te brengen… De lichtgrijze hemel hangt heel laag en de horizon is vlakbij. Het stof op straat is al even grauw, een gladde, onberoerde laag stof. Alles even doods, Rimma. Geen geluid van waar ook, nergens een mens te bekennen. En dan is het me, of ik door allemaal steegjes loop die ik niet ken, langs kleine, stille, houten huisjes. Het ene ogenblik sta ik aan het eind van een blinde steeg, en dan ben ik weer op een weg, waar ik geen tien pas voor me uit kan zien en toch loop ik eindeloos verder. Ergens in de verte warrelt dan voor mijn ogen wat stof op. Ik kom dichterbij en zie een stoet van trouwkoetsen. In een ervan zit Michail met zijn bruid. De bruid draagt een sluier en haar gezicht straalt van geluk. Ik loop met de trouwkoetsen mee, het komt me voor dat ik veel groter ben dan alle anderen en mijn hart krimpt ineen. Dan merken ze me allemaal ineens op. De trouwkoetsen blijven staan. Michail loopt naar me toe, neemt me bij de hand en brengt me langzaam naar een steeg. “Alla, lieve vriendin,” zegt hij monotoon, “het is heel treurig, dat weet ik. Maar er is niets aan te doen, omdat ik je nu eenmaal niet liefheb.” ik loop naast hem voort, mijn hart bonst me in de keel en er gaan steeds nieuwe grijze wegen voor ons open…’

uit: verhalen uit Odessa en andere verhalen – Isaak Babel, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer

Langs het water: de eigenschappen

HM-van-den-Brink; letempsretrouve.nl.jpegbron beeld: letempsretrouve.nl

Schrijver en journalist H.M. van den Brink (1956, Oegstgeest) schreef de novelle Over het water en werd daarmee bekend. In het korte verhaal Altijd naar zee gaat het onder andere over de herinneringen van het hoofdpersonage aan de Rijn en een dal waardoor de rvier stroomt. Vanaf de zolderkamer van het verblijf kijkt de jongen over het dal en naar de vloeiende verbindingsweg met de zee.

Zonder dat ik mij ervan bewust was, ontdekte ik tijdens die uren in het zolderraam een van de belangrijkste en merkwaardigste eigenschappen van het water. Water, dat zelf tijdelijk is en zich voortdurend wil verplaatsen, bepaalt het karakter van het landschap veel meer dan een berg, een bos, of een dal. Zo’n berg is niet meer dan een berg, die blijft wel staan, en een vlakte, aan zich zelf overgelaten, strekt zich altijd uit over het precieze aantal meters dat haar is toebedeeld. Behalve wanneer het water zich ermee bemoeit. Het water legt zijn wil op en is tegelijk ongrijpbaar, het lijkt of het zich aanpast aan de omstandigheden maar uiteindelijk schikken de omstandigheden zich altijd naar het water. Het water heeft de tijd; het is er en het is er niet want door een rivier stroomt nooit hetzelfde water; het water is de tijd en krijgt daarom altijd gelijk.

Zo komt het ook dat het water, dat zeer betrouwbaar en zeer onbetrouwbaar is, tegelijk geen kleur en alle kleuren heeft. water is blauw, het is groen, grijs en paars. Maar ook rood water heb ik gezien en water van goud. Zilverkleurig water is zelfs heel gewoon. Als de beweeglijkheid van het water zijn karakter is, dan is die veelkleurigheid het geheugen. Maar veel onderscheid tussen karakter en geheugen bestaat er naar mijn overtuiging niet. Probeer een foto te maken van stromend water. Wat je krijgt is een stilstaand moment uit de omgeving van een rivier.

uit: altijd naar zee, Atlas Amsterdam ism Unie van Waterschappen, samenstelling Marga Kool, 2002

H.M. van den Brink (1956, Oegstgeest)

Langs het water: de Drentse Hoofdvaart

Dr.Hoofdvaart; yoors media.comDe Drentse Hoofdvaart ter hoogte van Havelte; foto: Jan Brandenburg; bron beeld: yoo.rs

De afstand van de Kolk in Assen, het vroegere keerpunt van de trekschuit uit Meppel, tot de televisietoren van Smilde bedraagt veertien kilometer. Dat driehonderd meter hoge baken stond daar natuurlijk niet voor niets. Met zijn sprieterige tentakels seinde hij steeds dezelfde boodschap het heelal in: ‘Hier woont Jacinta Prakke. Het mooiste meisje van de melkweg.’

Toch leek de zendmast nooit dichterbij te komen. Langs het kanaal een vangrail. Een grijze lijn die weliswaar in de juiste richting wees, maar onafzienbaar lang was. Voorbij Kloosterveen: nergens nog een knik of bocht. En dan al die Smildes, dat schoot ook niet op. Je had Bovensmilde, Hijkersmilde, Hoogersmilde en, hoe zal ik het zeggen: Smilde Stad?

Ik moest het ervoor over hebben. Zou ik het er niet voor over hebben, dan was ik Jacinta niet waard. Ik moest lijden om haar. Mijn gang naar Hoogersmilde was een kruisweg naar de verlossing door de liefde. Dit dacht ik werkelijk, terwijl ik daar reed, en de kwelling van het almaar-nog-niet-in-haar-nabijheid-zijn deed me gloeien van verlangen. Ik telde bomen, bruggen, tegenliggers, het aantal trapomwentelingen tussen Boven- en Hijkersmilde. Of ik fantaseerde maar wat voor me uit. Als de dertig kilometer lange Afsluitdijk vanaf de maan door de Apollo-bemanningen was waargenomen, zoals ik in de Kijk had gelezen, zou dan niet ook de Drentse Hoofdvaart vanuit de ruimte zichtbaar zijn? Dat leek me niet onmogelijk: dit kanaal was net zo goed een kras op het aardoppervlak, iets smaller misschien dan de Afsluitdijk maar even recht en langer (veertig kilometer).

uit: Ja-cin-ta!; uit: Langs het water, Atlas ism Unie van Waterschappen Amsterdam; 2002; samenstelling Marga Kool

frank westerman; trouw.nlbron beeld: trouw.nl

Frank Westerman (1964, Emmen)

Opgroeien met: Pierre Janssen

Pierre Janssen (1926-2007, Kerk-Avezaath) was journalist, tv-presentator, museum-directeur en kunstverteller, bron van inspiratie. Janssen kreeg in ons land brede bekendheid met het tv-programma Kunstgrepen (jaren zestig en zeventig, vorige eeuw). Daarin vertelde hij met grote liefde in begrijpelijke taal over tentoonstellingen, kunststromingen en kunstenaars. Dat deed hij met zoveel enthousiasme dat hij veel kijkers raakte, mij voorop. Janssen heeft bij mij de belangstelling voor kunst wakker gekust. Kunst was raar, spannend en maakte nieuwsgierig. Kunst als onvoorspelbaar avontuur waarin het goed wentelen en draaien was. Kunst leek grenzeloos: tekening, schets. schilderij, beeldhouwwerk, plastiek, video-installatie en ingrepen in het landschap, alles leek mogelijk. Verbeelding aan de macht, was de veelgehoorde kreet in de jaren 60 waarin Janssen voor het eerst van zich liet horen. Janssen was een fenomeen. Een lange en magere man met grote voeten, heel toegankelijk en zoals het de ideale verhalenverteller betaamt: verbaal geweldig. En hij had humor. Mijn broer mocht hem een keer ontmoeten. Bij binnenkomst in de horeca-gelegenheid waar mijn broer werkte, vroeg hij met een brede glimlach: ‘Waar kan ik mijn schoenen parkeren?’

Sus van Elzen: de Chinese winkel

sus van elzen; flickr.combron beeld: flickr.com

Ik ben ‘m op verschillende plekken tegengekomen; zoals je vroeger in alle uithoeken van het land ‘de Chinees’ had. Ik heb het over de Chinese winkel. Pillen tegen hoofdpijn? Een koekenpan? Een nieuw gasbusje? Een blik bonen? Een dieselaggregaat? Ergens was er die winkel waarin ze alles verkochten, zo leek het. De winkel van de Chinees. Geen groot pand waarin alles overzichtelijk en ordelijk was weggezet. Nee, een winkel vol waarin de bewegingsruimte minimaal was maar waar je (bijna) alles kon krijgen.

Ik kwam hierop omdat in het korte verhaal Toen de zomer voorbij was van de Belgische journalist Sus van Elzen (1945) dit zo treffend werd gekenschetst:

chines shop; timeout.combron beeld: timeout.com

De winkel van de Chinees deed hem denken aan het rommelwinkeltje waar hij snoep kocht toen hij klein was. Dezelfde intieme sfeer hing er, de halve duisternis, maar ook de onbenulligheid, de zichtbare overbodigheid van de koopwaar, die alleen voor kinderen verleidelijk kon zijn of voor mensen die echt helemaal niets hadden. De Chinees en zijn vrouw, ze hadden achterin een altaartje staan met afgoden in zilver- en goudpapier, lampje en wierook ervoor. Kitsch en Coca-Cola, daar leefden ze van, net als het oude wijfje in haar rommelwinkeltje in het oude dorp, met haar Sint-Antonius en haar Lievevrouw onder een stolp. In plaats van uit te puffen in de schaduwen van het winkeltje, kreeg hij het ineens benauwd en hij haastte zich om weer buiten te komen voor de Chinees hem aansprak, stommelend met zijn schoudertas, zak en valies. Het kind van de Chinees was zo verbaasd dat het de deur voor hem openhield.

uit: toen de zomer voorbij was; uit: Noorderzon, Meulenhoff Amsterdam, 1990

Sus van Elzen (1945, Antwerpen)

De Coninck Dicht de Lente

lentezon; raamopen_wordpress_combron beeld: raamopen.wordpress.com

een gebalde zon

een gebalde zon, een koude, vastberaden / klaarte, een licht zo hard / als ijs klaar kan zijn, dit is geen licht / dit is wilskracht, lente.

eigenlijk staat de zon in de hemel / zoals een hart in de met / koud water gewassen borst / van een atleet.

en inderdaad, het is een beetje warm, / zoals je er warm van krijgt / een dokwerker te horen vloeken / van de kou.

uit: de gedichten, Arbeiderspers Amsterdam, 2000

Herman de Coninck (1944-1997, Mechelen, Be)