Wilmink: lezen is heerlijk

Lezen is heerlijk

Het kan heerlijk wezen / om een boek te lezen: / boom-roos-vis-vuur / en een boek is heus niet duur.

Hier op bladzij tachtig / is mijn boek zo prachtig, / want daar gaat een wit konijn / naar zijn oma met de trein.

En op bladzij honderd: / pispot omgedonderd. / Ha, wat moet ik lachen, man. / Krijg er bijna buikpijn van.

Maar bij bladzij zeven, /  huil ik altijd even, / want daar gaat een kikker dood / ergens in een boerensloot.

Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, Bezige Bij Amsterdam, 1986

wilmink, limburger.nlbron: limburger.nl

Willem Wilmink (1936-2003, Enschede)

D.J. Enright: verklaring

Verklaring

Kijk, het ontwikkelt zich als volgt. De zogeheten handen / Die eindigen in vingers, die eindigen in nagels, / Die hangen als geheel aan armen. Zo ook de benen, / Die overgaan in voeten, waaruit zogeheten / Tenen spruiten. Daar ziet u een hoofd. Die onderdelen groeien / Langzaam aan elkaar, of uit elkaar. Alsof er, / Zo lijkt het wel, liefde en zorg in het spel zijn.

Een zogeheten bom wordt langzaam, met liefderijke zorg, / Uit delen gemonteerd. Vervolgens legt men hem voorzichtig / Op plaatsen waar doorgaans veel armen, benen en hoofden / Samenzijn. Er volgt een luide knal en de delen , / Hiervoor beschreven, komen weer vrij, vergezeld van een rode, / Tevoren inwendige vloeistof die bloed wordt genoemd. / Wat langzaam verenigd is wordt snel gescheiden.

enright, vimeobron foto: vimeo.com

D.J. Enright (1920-2002, Brits)

Uit:Collected poems, Oxford University Press Oxford, 1981; vertaling Ko Kooman

Toon Tellegen: ik schreef eens

Ik schreef eens

Ik schreef eens op papier van lucht / en alles wat ik schreef was lucht, en alles wat ik dacht, / en toen ik naar buiten keek zag ik een kraai van lucht / boven een bloeiende appelboom in het zonlicht / naast een schutting, / en ik hoorde iets scheuren in de verte, / er werd moedwillig iets verscheurd / ver weg, / nu is het mijn beurt, hoorde ik zeggen, / een pen die krassend / sprak.

Tellegen-Toon-c-Leo-van-der-Noort

foto: Leo van der Noort; bron: stichtingbrokken.nl

Toon Tellegen (1941)

Uit: Beroemde scherven, Querido Amsterdam, 1982

Anne Vegter: de natuur

De natuur

Vocht in de knieën, middagdut, ken je mej.T., / die op haar zeventigste pianoles, heeft ‘K’. / Of ik van oude mensen hou, nou nee. / Is het net winter, alles dor, is het buiten / alweer zover. De natuur, nietwaar? / Ik denk dat ik het maar niet word.

Geslaagd, jong, roos desnoods, / in het rijbewijs blijf ik geldig tot / nieuwjaarsochtend twintignegenentwintig, / in het paspoort vroeg scheel, rond de veertig, dat is: / ruim tien maal vijf maal driehonderdzestig dagen / tenminste bijziend naar toilet, dan bril.

Of, als E., maak de voorspelling waar: / eeuwig dertig met de eigen hand. Ik kan niet kiezen: / graf of vuur. Jong zou kosten moeten drukken; / moeder investeert al veertig jaar zeven gulden / per maand in de dood, mensenleven telt. / Of komt er later en hardhorend voor te staan.

Anne VegterAnne Vegter (1958)

Uit: Het veerde, Querido Amsterdam, 1991

Elma van Haren: Barcelona, 22 juli (eurosex snackbar)

ciudad-barcelona

bron foto: enforex.com

Barcelona, 22 juli (eurosex snackbar)

Een neger hoest. De stad is veel te koud. Dreun de Disco is op de / achtergrond aanwezig. Iedereen die je vaag kende is langsgelopen, / maar je hebt niets gezegd. Een zachte spijt, dat je het leven hier / niet bent aangegaan een jaar geleden, maar in plaats daarvan terug- / keerde naar het gewone land, in de overtuiging dat iets je nu / eindelijk de hand zou reiken en / niets is toen gebeurd. Rode

scooters en rugzaktoeristen. Arm en arm paren. / Onbedaarlijk lachen.

Luister je

naar jezelf?

Genoeglijk

kust een hoertje haar pooier / op de wang. Eergisteren hing er een tijdens een ruzie uit het raam. / Twee reusachtige armen zogen haar weer naar binnen. Zes hoog was het. / Je keek geschokt toe. In een oogwenk trok hij haar op, haar snikken / dadelijk overstemd door een zeer luide radio.

Elma van Haren (1954)

Uit: het schuinvallend oog, De Harmonie Amsterdam, 1991

Charles Lamb: de oude vertrouwde gezichten

charles-lamb

De oude vertrouwde gezichten

Ik heb speelmakkers gehad, en gezellen / in de dagen van mijn jeugd, mijn blijde schooltijd; / allen, allen zijn ze weg, de oude vertrouwde gezichten.

Gelachen heb ik veel, geslempt enorm, / gezopen tot diep in de nacht met boezemvrienden, / allen, allen zijn ze weg, de oude vertrouwde gezichten.

Een vrouw had ik eens lief, de allermooiste, / ze sloot haar deur voor mij, het was voorbij – / allen, allen zijn ze weg, de oude vertrouwde gezichten.

Een vriend heb ik, lievere vriend heeft niemand, / maar ik, ondankbare, liet hem plots in de steek / om te kwijnen, denkend aan de oude, vertrouwde gezichten.

Als een spook liep ik langs de paden van mijn jeugd, / een woestijn leek het die ik doorkruisen moest / op zoek naar de oude vertrouwde gezichten.

Vriend van mijn hart, jij, meer dan een broeder, / waarom werd jij niet in mijn vaders huis geboren? / Praten konden we dan over de oude vertrouwde gezichte. –

Hoe sommigen gestorven zijn, anderen van me weggegaan, / of aan mijn oog onttrokken; allen zijn ze heen, / allen, allen zijn ze weg, de oude vertrouwde gezichten.

Charles Lamb (1775 – 1834)

Uit: Aan een droom vol weelde ontstegen – Gerrit Komrij, Meulenhoff Amsterdam, 1982

Vertaling: Hans Warren

Zabolotski: het lelijke meisje

Het lelijke meisje

Tussen de kinderen die spelen zie ik haar, / Ik vind haar sprekend op een kikker lijken. / De brede mond, de tanden die wat wijken, / De rosse krullen onbeteugelbaar, / Haar bloesje in haar broek gepropt, het kleine / Gezichtje lelijk door de scherpe lijnen. / Twee jongens, ongeveer zo oud als zij, / Hebben van pa een fiets gekregen en vergeten / Vandaag zelfs om naar huis te gaan voor ’t eten. / Ze racen ’t meisje achteloos voorbij, / Door haar over het pleintje achternagezeten. / Hun blijdschap is de hare, het voelt aan / Alsof haar hart zo uit elkaar kan springen, / Het meisje loopt te lachen en te zingen, / Bevangen door de vreugde om ’t bestaan.

Geen spoor van afgunst, van boosaardig streven, / Daar is dit wezentje zich nog niet van bewust. / Voor haar is alles nog zo nieuw, vol leven, / Wat voor een ander dood is, uitgeblust! / Terwijl ik haar zo zie, wil ik vergeten / Dat zij eens op een dag ontzet zal weten / Dat alle anderen in haar vriendenkring / Haar als een lelijk schepseltje beschouwen! / Ik zou er toch zo gaarne op vertrouwen / Dat ’t hart geen speeltje is, geen breekbaar ding! / Die pure vlam, zo wil ik gaarne geloven, / Die in het diepste van haar wezen gloeit, / Maakt dat de allerhardste steen vervloeit / En komt zelfstandig alle pijn te boven!

Al zijn haar trekken dan niet mooi en zal / Ze nooit een inspiratie zijn tot dromen, / Ik zie haar innerlijke gratie al / In haar bewegingen te voorschijn komen. / Als dat zo is, wat maakt dan schoonheid uit? / Hoe komt het toch dat de mensen die beminnen? / Is schoonheid slechts een vat dat niets omsluit, / Ofwel een vuur dat helder brandt van binnen?

1955

Nikolaj Zabolotski (1903 – 1958), zoon van een landbouwkundige en een onderwijzeres uit Rjazan. Studeerde letteren in Moskou en Petrograd. Sloot zich na zijn diensttijd aan bij Oberioe, een groep dichters (waaronder Charms) die naar vernieuwing in de kunst streefde door absurdistische, parodistische elementen. Werkte bij de Staatsuitgeverij van kinderboeken en vertaalde onder ander uit het Georgisch.

In 1927 verscheen zijn eerste dichtbundel, die hevige kritieken kreeg. Zijn tweede bundel verscheen in 1937. In 1938 werd hij gearresteerd. Bracht zes jaar door in de kampen en nog eens 2 jaar in verbanning. Werd na Stalins dood gerehabiliteerd.

Uit: Bloemlezing van de Russische poëzie – Marja Wiebes en Margriet Berg, Plantage Leiden, 1997

Harriet Laurey: het dagelijks alfabet

Harriet Laurey, een dichteres die reeds enige bundels op haar naam heeft staan, heeft de moed gehad, haar talent zonder enige bekommering in dienst te stellen van een oppermachtig liefdesgevoel. In haar laatste bundel ‘Oorbellen’ is zij een vrouw, die als het ware met de liefde mee kan dichten. Dit vooronderstelt een innerlijke gaafheid, die zeldzaam is geworden, temeer daar Harriet Laurey niet de bloemzoete onschuld speelt, noch haar intelligentie buiten werking stelt.

M.Mok

Het dagelijks alfabet

Je hebt het dagelijks alfabet / op een zo tedere muziek gezet, / dat ik mijn oren weer geloven kan. / Ik krijg er tranen in mijn ogen van.

Al wat ik was, voordat ik werd van jou, / is van mij losgeraakt: een andere vrouw. / Soms kom ik haar opeens en duidelijk tegen, / maar loop voorbij, met mijn geluk verlegen.

Je vleugels vallen in mijn schaduw stil / en ik word duivenhuis en dromentil. / Het is het minste, dat ik je kan geven, / en al genoeg om samen van te leven.

Liefhebben is van ruimte zijn en zee, / bewogen worden met het water mee, / telkens opnieuw de golven één slag voor en / telkens opnieuw in de golven verloren.

Uit: Nederlandse dichteressen na 1900 – Nel Noordzij, Bezige Bij Amsterdam, 1957

harriet laureyHarriet (of Harriët) Laurey (1924 – 2004), kinderboekenschrijfster en dichteres. Harriet Laurey werd in 1924 in Eindhoven geboren en is vooral bekend geworden als schrijfster en vertaalster van sprookjesachtige kinderboeken voor veelal jonge kinderen.

Haar schrijftalent werd ontdekt en gestimuleerd door Gerard Knuvelder, haar leraar Nederlands op het Catharinalyceum. Aansluitend volgde zij een opleiding tot secretaresse. Als zodanig werkte zij eerst in Eindhoven en later in Amsterdam, tot zij in 1955 trouwde met de journalist Ton Neelissen. Vanaf dat moment woonde zij in Haarlem. Laurey werd huisvrouw en moeder van twee kinderen en omschreef zichzelf als “een zondagsschrijfster” – maar dan wel een erg productieve.

Als dichteres debuteerde Laurey in 1945 met het gedicht Laatste gebed in De Nieuwe Eeuw. Laurey’s eerste eigen bundel, Loreley, verscheen in 1952 en had als autobiografisch hoofdthema het verlies van een grote liefde. Net als de bundel Oorbellen (Amsterdam: Holland, 1954), met liefdesgedichten in kwatrijnvorm, vond dit werk veel bijval bij een groot publiek. In hetzelfde jaar dat de bundel Oorbellen verscheen, 1954, ontving Harriet Laurey de literaire prijs van de Groot-Kempische Cultuurdagen in Hilvarenbeek.

Toch liep het veelbelovende dichterschap van Harriet Laurey hiermee naar zijn einde. Zij vond in de journalist Ton Neelissen een nieuwe liefde met wie zij in 1955 in het huwelijk trad. In datzelfde jaar publiceerden zij samen nog een bundel Onder de roos. Het zou de laatste zijn, de dichteres werd kinderboekenschrijfster.