Bijna iedere dag muziek: Herbert von Karajan

https://youtu.be/D3L0wY3lsj4

Haar bestaan heeft ze aan Von Karajan (1908-1989) te danken. Aan het concert dat hij in Brussel gaf, aan de kaartjes die mijn vader had en aan een onschuldig virus, waardoor mijn broer en zijn vrouw het die avond lieten afweten. En aan het feit dat haar vader, die toen haar vader nog niet was, die avond bij me was.

We hadden afgesproken om met kinderen te wachten tot we werk hadden en een dak boven ons hoofd. Ik logeerde bij mjn ouders, hij bij de zijne in Wales om er te regelen wat geregeld moest worden. We moesten opnieuw wortel schieten na een reis van zes maanden in Centraal- en Zuid-Amerika. Daar kwamen veel paperassen bij kijken. Voor het concert trok ik de geborduurde bloes aan die ik in Guatemala van een indiaanse had gekocht. Er hoorde een lange rok bij. Ik hoopte dat het ensemble voor galakledij kon doorgaan.

Het programma en de precieze datum zijn me ontschoten. Ik herinner me alleen het glunderende gezicht van mijn vader, mijn fel gekleurde bloes die nooit eerder in een concertzaal was gedragen, en het verwarrende contrast tussen von Karajans stramme gang en de passie waarmee hij dirigeerde. Achteraf hadden we geen zin om voorzichtig te zijn. Iets moest worden gevierd: het leven, de muziek, Von Karajan, wij. De volgende morgen vertrok haar vader terug naar Wales zonder te weten dat hij haar vader was geworden.

Zeven maanden later woonden we een concert van Queen bij. In mijn buik ging de baby wild tekeer. Haar vader noemde het enthousiasme, ik zei: het is protest.

Het muzikale gesternte waaronder ze is verwekt, heeft geen sporen nagelaten. Nooit heeft ze een stap in een muziekschool gezet en ze is even weinig muzikaal als ik. Maar ze houdt van klassieke muziek. Ook zij heeft een platenspeler, want de collectie van mijn vader gaat op een dag naar haar. Voorlopig moet ze het met de doublures stellen en met de platen die ze ‘leent’.

‘Is hij dat, mama?’ Ze wijst naar een foto op een platenhoes.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Dat is Von Karajan.’

We glimlachen naar elkaar.

uit: in twaalf bewegingen door Kristien Hemmerechts; uit: Muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

Bijna iedere dag muziek: Max Bruch

Nu was het mij op een of andere wijze gelukt een vriendinnetje binnen te slepen. Ze speelde viool en was twee jaar jonger. Marianne probeerde mij wel eens te helpen. Op een dag, nadat we op haar kamer mijn Frankie Laine-bandje hadden afgedraaid en ik haar andermaal gedwongen had High Noon, Cool Water en Rawhide met me mee te zingen vanonder de lakens, zette ze stiekem iets anders op. Alsof ze een bolletje levertraan in de aardappelpuree verstopte. Marianne wilde mij genezen.

Het moment zal ik nooit vergeten. Het was de eerste keer dat ik klassieke muziek echt hoorde en merkwaardig genoeg ook zag. In haar bed moest ik liggen en luisteren. Het stond luid, zij lag naast me. Pas na enige tijd merkte ik dat iets of iemand vreemd bezit van me nam. Een donkerrode warme kleur hield zich eerst in, maar probeerde toen af en toe te versnellen. Het pakte me vast bij mijn kruin, probeerde mij met zich mee op te jagen, weer terug te duwen – het was me niet helemaal duidelijk. Niets was nog duidelijk, behalve het feit dat ik met gesloten ogen de kamer voelde aanzwellen en dat ik moeilijk kon ademen. Iets rond mij nam niet zozeer mijn adem weg, het leek me veeleer ermee te vullen; die rode kleur van geluid pompte lucht in mijn longen en ik kon niet meer uitademen. Ik voelde me zwanger en er volgde al snel een uitbarsting, een soort kolk. ‘Dat is het nog niet,’ zei Marianne. ‘Wacht.’ We bleven wachten, in dat bed, naast elkaar, en terwijl ik haar naast me voelde, raakte ik opgewonden, louter van het luisteren. Toen, na vier minuten en twintig seconden kwam het, defintief. (Ik weet het exacte tijdstip nog, omdat we de cd de dagen daarna nog talloze malen zouden terugspoelen.) Een gekmakende kleur stoof op, die me plots de mond opende. Ik zag hoe een grote zwerm witte vogels, waarschijnlijk ganzen, omhoog rees en rond mij wervelde als een tornado. Ik voelde iets uit mijn lichaam ontsnappen. Niet lang daarna was het weg. Het had gevoeld alsof die vogels, eenmaal buiten, met duizenden tegelijk door me heen waren getrokken. En nu, nu was ik leeg. De muziek ging zacht verder, een bedarend naspel.

Ik vroeg haar versuft wat ik had gezien. ‘Vioolconcerto nr. 1 in G klein van Max Bruch. De eerste beweging. Niemand speelt het zoals hij.’ Het was Isaac Stern, haar held.

fragment uit: Aan de rand van de muziek – Ramsey Nasr; uit: Muziek in mijn leven, Prometheus Amsterdam, 2005

Hafid Bouazza en de dronken diva

hafid-bouazza; bladna.nlbron beeld: bladna.nl

Het boekje Muziek in mijn leven biedt schrijvers de kans iets te zeggen over de inspirerende werking van klassieke muziek. Daarin verrassenderwijs ook een bijdrage van de onlangs overleden Hafid Bouazza. Zijn bijdrage heet: Dronken diva.

Voor zover ik weet is Janácek de enige operacomponist die een dronken vrouw opvoert, en het resultaat is bekoorlijk: vanaf het moment dat Emily Marty begrijpt dat ze haar drijfveren en daarmee ook haar geheim moet prijsgeven, trekt ze zich terug om zich aan te kleden en te eten, zoals ze zelf zegt, maar als ze daarna, aangekondigd door een tintelende fanfare op de trompetten, weer opkomt (haar zoveelste opkomst), is ze aan de whiskey. ‘Dit is om mij zelfvertrouwen te geven,’ zegt ze en ze is nogal typsy. Tipsy, want vrouwen raken nooit aangeschoten, en haar zang vanaf dat moment is een scherzando dans van grillen en giechelende humor. Je zou wensen dat vrouwen van vlees en bloed zo’n charmante dronk hadden – maar vrouwen van vlees en bloed zijn helaas niet door Janácek gecomponeerd.

Verdi verklankte de opkomende dronkenschap van Falstaff in de gelijknamige opera met een lang zinderend crescendo, maar Janácek verklankt (en verbeeldt) de hele schakering van dronken emoties, van de lach tot de stille overpeinzing. Sopraan Elisabeth Söderström zal voor mij altijd verbonden zijn met deze rol en andere vrouwelijke rollen uit zijn opera’s. Haar opnames voor Decca onder leiding van de dirigent Sir Charles Mackerras met de Wiener Philaharmoniker, die een glorieuze lans hebben gebroken voor de Tsjechische componist, zijn onovertroffen. In de dronken scene zingt Söderström alsof het orkest haar volgt in haar dartele intoxicatie, alsof haar grillen de muziek leiden. Dit is natuurlijk vooral de verdienste van Janácek en zijn gevoel voor ritme en pas, maar de rol lijkt speciaal voor haar geschreven.

Uit: Dronken diva; uit: Muziek in mijn leven, schrijvers over de inspirerende werking van klassieke muziek, Prometheus Amsterdam, 2005

Hafid Bouazza (1970-2021, Marokko)