Uitsluiting en onveiligheid bij Hugo Claus

Hugo_claus; cityofliterature.nlbron beeld: cityofliterature.nl

Het is een boek uit de Vlaamse Bibliotheek-reeks: De zwarte keizer van Hugo Claus (1929-2008). Het zijn zijn eerste schrijfselen. Korte verhalen die een voorbode zijn van wat later komt (Het verdriet van België). In Het huis in de struiken vertelt de ik-figuur, Lena, over haar beklagenswaardige jeugd-ervaringen. Uitsluiting door vriendinnen en onveiligheid in de eigen familie.

De hele bende met Frieda en Mia Schapers en Monique kwam rond mij staan tijdens de speeltijd. Zij zongen over een meisje en haar moeder in het bos. En ik stond tegen de ijskoude stenen van de schoolmuur en ik voelde hoe het in mijn hoofd en in de korrelige stenen klopte. ‘Je moeder gaat niet naar de Mis. Je kent je lessen niet,’ zong Frieda Coppens en Monique zong: ‘Ze hebben geen wc. Zij pissen in de struiken.’ De hele lange weg heb ik toen gelopen naar huis. Langs de stallen van het kasteel, door het dreefje en langs het voetbalveld heb ik geschreeuwd, zo hard dat mijn stem oversloeg en mijn keel pijn deed, dat wij wel een wc hadden.

Het is waar ook. Moeder had aan Monique gezegd dat zij maar in de struiken moest gaan want de wc was verstopt. Het zijn allemaal leugenaars, zondaars, met verrotte zielen.

(..)

Nooit heb ik zo dicht bij grootvader gezeten. Ik kan in zijn harige oren blazen, aan zijn neus trekken, aan zijn wenkbrauwen likken, alles met hem doen als met een pop. Toen moeder hem kamde en hij, mors-hartstikke-dood, liet begaan, haperde de kam in zijn grauw krulhaar. Toen kon zij er met trage, lange streken door. Ik ben vaak bang geweest voor grootvader, toen hij leefde. En kwaad op hem. Zoals toen hij mijn hond heeft doodgeslagen met een baksteen. En ik Bobbie terug uit de put haalde, waar hij hem gauw begraven had. Ik heb de hond op de keukentafel gelegd ’s avonds, de uitgerafeld, verhakkelde Bobbie met zijn gebroken linkeroog. En op de binnenkaft van mijn klasdagboek heb ik alle straffen opgeschreven die ik voor grootvader heb bedacht en die ik, als ik groter word, zou…

uit: het huis in de struiken; uit: De zwarte keizer – Hugo Claus, De Prom Baarn, 2001

Hugo Claus (1929-2008, Brugge, Be)

Droomvogels en het verre leven

In de vroege ochtenduren na de geboorte van mijn eerste zoon keek ik vanuit de ziekenkamer van mijn vrouw naar een zwerm duiven. Het waren er honderden, nonchalant zoals alleen deze scheelogige vogels kunnen zijn, in een hels kabaal klapperend en wapperend boven de airconditioningsapparaten, hun vogelgekwetter: een ellendig, luidruchtig koeren even onveranderlijk als borrelpraat. Dit zelfde geluid hoorde ik verscheidene uren later toen ik thuis in slaap viel. Ze jammerden, die droomvogels; en wat ze tegen elkaar zeiden en tegen andere die nog moesten komen, zouden zeggen, leek me in mijn slaap zo zinnig dat ik glimlachend wakker werd alsof ik geheimen had gehoord die een vitale levenskracht bezaten. Ik was geweest waar zij waren geweest: naar noord en zuid, bij goed en slecht weer, in bomen en op richels, op daken en in parken. In de paar uur dat ik wegdoezelde was ik een duif.

uit: Dromen van verre levens – Lee K. Abbott; uit: de beste Amerikaanse verhalen van het jaar, Loeb Amsterdam, 1988

lee k abbott; ebay.combron beeld: ebay.com

Lee. K. Abbott (1947-2019, USA)

Tsjechow ontneemt de letterkundeleraar de illusie

tjsechov; blogspot.combron beeld: blogspot.com

Wat maakt de mens de mens? Wat bepaalt geluk? Hoe ziet het ideale huwelijk eruit? Schrijver Anton Tsjechow (1860-1904) hield zich in zijn korte verhalen graag bezig met de psyche van de mens. Dat was ook in de mode, toen. In de bundel Huwelijksverhalen gaat het over het huwelijk en hoe betrokkenen daartoe geraken en hoe het hen vergaat.

In De letterkundeleraar volgen we de jonge leraar Nikitin, die met al zijn ambities voor de klas staat op het Russische platteland. Naast plezier in zijn werk, moet er op het privévlak nog wat puntjes op de i gezet worden. Zijn oog is gevallen op Manjoesja. En het lukt haar te schaken. Goede baan, plezier in het werk, de liefde van je leven trouwen: niets staat geluk in de weg. Maar de twijfel slaat toe. Nikitin trekt zich even terug in zijn studeerkamer:

Wat een onzin! probeerde hij zichzelf te kalmeren. Je bent pedagoog, verricht je werk op het nobelste terrein dat zich denken laat… Wat moet je dan nog met een andere wereld? Wat een geklets!

Maar al op hetzelfde ogenblik zei een stem in hem met volle overtuiging dat hij helemaal geen pedagoog was, maar een ambtenaar, precies zo’n onbegaafde, karakterloze figuur als die Tsjech, die Grieks doceerde; hij had nooit enige roeping voor het leraarsvak gevoeld, van opvoedkunde had hij geen verstand en hij had er zich nooit voor geïnteresseerd, met kinderen omgaan kon hij niet; de werkelijke betekenis van wat hij doceerde ontging hem en het kon best zijn dat hij zijn kinderen dingen leerde, waar zij niets aan hadden. Wijlen Ippolit Ippolitytsj was openlijk een botterik geweest en alle collega’s en leerlingen hadden geweten, wat voor vlees ze met hem in de kuip hadden en wat je van hem verwachten kon; hij, Nikitin daarentegen had net als de Tsjech zijn geborneerdheid weten weg te moffelen, hij had alle mensen handig zand in de ogen weten te strooien door net te doen, of bij hem goddank alles op rolletjes ging. Deze nieuwe gedachten joegen Nikitin zo’n schrik aan dat hij ze van zich afweerde, ze dwaasheden noemde en meende dat het allemaal van de zenuwen kwam en dat hij zichzelf er later om zou uitlachen.

En inderdaad, tegen de ochtend lachte hij al om zijn opgewondenheid en schold zichzelf uit voor een oud wijf, maar hij was er wel diep van doordrongen dat het vermoedelijk voorgoed afgelopen was met zijn rust en dat er voor hem in dat ongepleisterde huis met zijn twee verdiepingen al geen sprake meer van geluk kon zijn. Hij besefte dat zijn illusie in rook was opgegaan en dat er voor hem nu een nieuw, gejaagd, bewust leven was begonnen, dat onverenigbaar was met rust en persoonlijk geluk.

uit: de letterkundeleraar; uit: Huwelijksverhalen, Maarten Muntinga Amstredam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

Anton Tsjechow (1860-1904, Taranrog, Rus)

Maarten Biesheuvel belt met zijn dode moeder

biesheuvel trouw.nlbron beeld: trouw.nl

In de wereld die Maarten Biesheuvel (1939-2020) beschrijft in zijn korte verhalen, is alles mogelijk. Ook bellen met je dode moeder. Zelf ben ik mijn 97-jarige moeder meer dan een jaar geleden verloren. Het verhaal raakte me vooral bij het idee dat het mogelijk is contact te hebben met je dode moeder.

Vijftien augustus, vandaag is moeder precies vier jaar dood, nu mag ik haar opbellen. Ik nam de telefoon van de haak en draaide het nummer. Met de beheerder van de begraafplaats Schiedam, zei een stem. Mag ik mijn moeder spreken? vroeg ik, toestel 1545. Een ogenblik, zei de man, ik hoorde iemand met papieren ritselen en vervolgens mompelde de man: Het is inderdaad vier jaar geleden, ik verbind u door. Er was wat gekraak in de lijn en toen kwam de hese stem van mijn moeder door. Hallo? vroeg ze, wie is daar? Buiten zong de nachtegaal. Ik ben het, uw zoon Maarten, zei ik met van ontroering verstikte stem, hoe gaat het met u, moeder? Ben jij het? vroeg ze, ik wist wel dat jij het eerst zou bellen. Hoe is het om dood te zijn? vroeg ik. Je ligt maar, zei ze, het is donker, je wisselt klopsignalen met andere doden uit. Af en toe valt er een druppel water van de deksel op mijn ogen. Ik denk na over het leven. Hoe lang zou het zo nog doorgaan? Maar waar wacht u dan op? vroeg ik verbaasd. Dat weet jij heel goed, zei ze, je doet wel net of je het niet weet, maar in je hart ben je wel wijzer. Tja, mompelde ik, nu ja. Ik neurie een psalm en ik dommel, ging ze door, ik droom, het is donker maar bang ben ik niet. Ben je al eens op mijn graf geweest om rozen te brengen? Nee, zei ik beschaamd, maar morgen ga ik het beslist doen. Het is fijn als er nog eens aan je gedacht wordt, zei ze, maar nu hang ik op, ik ben moe. Doe je best. Ja moeder, zei ik, ik heb lang gereisd maar nu ga ik weer schrijven. Adieu en vaarwel. Je naaste liefhebben, je niet aanstellen en nooit jaloers zijn, daar draait het om, zei ze tenslotte, ze kuchte en hing op.

uit: merel; uit: Duizend vlinders – Maarten Biesheuvel, Meulenhoff Amsterdam, 1981

Susan Sontag en het pathetische dagboek

ssusan sontag; hdnux.combron beeld: sfgate.com

De Amerikaanse Susan Sontag (1933-2004, New York) kende ik vooral als essayiste, politiek activiste en filosofe, maar ze schreef ook korte verhalen. Eén daarvan is Zo leven wij tegenwoordig. Ze beschrijft de VS ten tijde van de Aids-epidemie. Aan het woord komen de vrienden van degene waarbij Aids geconstateerd wordt. Het is de diagnose; zijn de eerste verschijnselen; de opnames in het ziekenhuis; de terugkeer naar huis, de medicatie en het reageren daarop en het uiteindelijke onvermijdelijke verloop van de ziekte die behandeld worden in dit korte verhaal. Voortdurend door de ogen en in de woorden van de vrienden van. Een bijzonder verrassende manier om de impact van Aids toendertijd (ik heb het over de jaren 80 vorige eeuw) onder woorden te brengen.

Misschien begon hij een beetje moe te worden van al dat bezoek, zei Robert, iemand die, en Ellen kon dat eenvoudig niet voor zich houden, maar twee keer was langsgekomen en waarschijnlijk naar een smoes zocht om er geen regelmaat van te hoeven maken, maar volgens Ursula kon er toch geen twijfel over bestaan dat hij steeds neerslachtiger werd, niet dat er ontmoedigend nieuws van de artsen was gekomen, en hij scheen nu ook een paar uur per dag alleen te willen zijn; hij had Donny verteld dat hij voor het eerst in zijn leven aan een dagboek was begonnen, omdat hij het verloop van zijn psychische reacties op deze verbazingwekkende wending van de normale gang van zaken wil bijhouden, om iets te doen wat parallel loopt aan wat de artsen deden, die elke ochtend langskwamen en aan zijn bed over zijn lichaam confereerden, en dat het waarschijnlijk helemaal niet zo belangrijk was wat hij opschreef, het waren in feite niet veel meer, zoals hij wrang tegen Quentin opmerkte, dan de normale banaliteiten over de schrik en de verbazing dat hem dit overkwam, hem dus ook, plus de normale berouwvolle terugblik op zijn leven, zijn vergeeflijke oppervlakkigheden gecamoufleerd door voornemens beter te gaan leven, intenser, met meer aandacht voor zijn werk en zijn vrienden, en niet meer zo’n emotioneel belang te hechten aan wat anderen van hem dachten, afgewisseld met vermaningen aan hemzelf dat zijn wil om te leven in deze situatie zwaarder telde dan al het andere en dat hij, als hij echt wilde leven, en geloof had in het leven, en voldoende van zichzelf zou houden (koest jij, ouwe schurk van een Thanatos!), dat hij zou blijven leven, hij zou een uitzondering zijn; maar misschien ging het daar helemaal niet om, bedacht Quentin zich toen hij met Kate telefoneerde, het ging erom dat hij door dit feit dat hij een dagboek bijhield, iets bijeen bracht om later te herlezen, en zo heel sluw op een toekomst aanspraak maakte waarin het dagboek een voorwerp, een relikwie, zou zijn dat hij waarschijnlijk niet echt zou herlezen, omdat hij deze beproeving liever van zich af zou willen zetten, maar het dagboek zou in de la van zijn kolossale Majorelle-bureau liggen en hij zag zichzelf, zei hij aan het eind van een zonnige middag tegen Quentin, door kussens overeind gehouden en met een chocoladevlek in een hoek van zijn hartverscheurende glimlach, al in zijn penthouse zitten, in het stralende oktoberzonnetje dat door de schone ruiten, en niet door dit smerige kijkgat, scheen, met het dagboek, het pathetische dagboek, veilig opgeborgen in die la.

uit: zo leven wij tegenwoordig; uit: De beste Amerikaanse verhalen van het jaar, Loeb Amsterdam, 1988; samenstelling Ann Beattie en Shannon Ravenel; vertaling Pieter Crames

Susan Sontag (1933-2004, New York, USA)

Isaak Babel over een traumatische jeugdherinnering: de pogrom

babel, isaak; io.wp.combron beeld: enlacejudio.com

We mogen de Rus Isaak Babel bedanken als het gaat om het precies verwoorden van al het leed dat mensen wordt aangedaan in tijden van (burger)oorlog en uitsluiting. Babel verhaalt over zijn ervaringen met de Revolutie in Rusland (Rode ruiterij) en in Verhalen uit Odessa verwoordt hij zijn jeugdervaringen als joods kind.

In het korte verhaal De geschiedenis van mijn duiventil (opgedragen aan schrijver Maksim Gorki) doet hij hartverscheurend verslag van zijn confrontatie met de pogrom. Het is 1904. De hoofdpersoon (Babel zelf) is negen jaar, zit voor het toelatingsexamen voor de voorbereidende klas voor het gymnasium en wil graag een duiventil met duiven als beloning. Die wordt hem beloofd door zijn vader.

Babel is het kind waarop de familie hoopt dat het met hem wel gaat lukken. De rest van de familie is niet of nauwelijks geslaagd in het leven. Geen talent, geen geluk of geen moed. Babel zelf wil er wel voor gaan, talentvol als hij is. Als hij alles over Peter de Grote moet leren, leest hij niet alleen de geschiedenisboeken, maar ook alles wat Poejskin daarover in dichtvorm heeft geschreven. Dat levert hem de bescherming van zijn onderwijzer op, want pesten ligt op de loer. Het lukt de kleine Babel om zich te plaatsen voor het gymnasium (inmidddels is het 1905). Een feest volgt. Grootvader Schojl gaat de beloofde duiventil bouwen. Babel zelf mag op de markt duiven kopen.

Tsaar Nicolaas kondigt aan de Russen een grondwet te gaan geven. Het wordt onrustig op straat. De angst voor dreiging en gevaar sluipt binnen. Moeder Babel verbiedt de jongeling de straat op te gaan om duiven te kopen. Maar Babeltje ontsnapt. Op de markt ontmoet hij duivenmelker Iwan en daar koopt hij zijn duiven. Speciale belangstelling gaat uit naar een paar Krjoekow-duiven, maar die passen niet binnen het budget. Na een poosje loven en bieden:

Tegen twaalf uur, of kort na twaalfen, stak een man in viltlaarzen het plein over. Hij liep met verende tred op zijn extra verdikte benen voort, in zijn verweerde gezicht gloeiden een paar levendige ogen.

‘Iwan,’ zei hij, toen hij langs de vogelhandelaar liep, ‘pak je boeltje maar liever bij mekaar, in de stad is de Jerusalemse adel bezig zijn grondwet in ontvangst te nemen. In de Rybnajastraat hebben ze grootvader Babel zo toegetakeld dat-ie voor dood is blijven liggen.’

Iwan kan het niet geloven, maar kiest eieren voor zijn geld. Isaak mag zijn duiven ontvangen voor de laagste prijs en de markt loopt snel leeg.

Op de markt was al geen mens meer te bekennen en niet ver weg knetterden geweerschoten.

Op weg naar huis ontmoet de jonge Isaak de gehandicapte Makarenko, die samen met zijn vrouw Katjoesja tussen de achtergelaten spullen op de markt naar iets bruikbaars zoekt. Zijn oog valt op de zak waarin Babel zijn duiven heeft gestopt.

‘Wat heb je daar in die buidel?’ vroeg hij, terwijl hij de zak beetpakte die mijn hart verwarmde.

Met zijn dikke hand graaide de invalide tussen mijn duiven en hij kreeg het wijfje van de kersenrode duiven te pakken. Met stijve pootjes lag de vogel op zijn handpalm.

‘Duiven,’ zei Makarenko en hij reed met knarsende wielen dichter op mij toe. ‘Duiven,’ herhaalde hij en hij gaf mij een klap op mijn wang.

Hij sloeg mij met volle vuist, waarin hij de duif geklemd hield. Het gewatteerde achterwerk van Katjoesja tolde voor mijn ogen rond en ik tuimelde in mijn nieuwe schooljas tegen de grond.

‘Uitroeien moesten ze dat zaad van hun,’ zei Katjoesja, terwijl ze zich van de mutsen oprichtte. ‘Ik kan dat zaad van hun niet zien en die stinkende mannen van hun…’

Ze zei nog iets over ons zaad, maar ik verstond al niets meer. Ik lag op de grond en de ingewanden van de vermorzelde vogel dropen van mijn slapen af. Ze dropen in kronkels langs mijn wangen, spatten uiteen en verblindden mij. Tere duivedarmen kropen langs mijn voorhoofd en ik sloot mijn nog overgebleven, en nog niet dichtgelopen oog om de wereld om mij heen niet meer te zien. Die wereld was benepen en verschrikkelijk.

(..)

Klein was mijn wereld en verschrikkelijk. Ik sloot mijn ogen om haar niet meer te hoeven zien en drukte mij tegen de aarde aan die in sussende stilte onder mij lag. Deze platgetreden aarde had niets weg van ons leven en van de examens die ons in het leven te wachten stonden. Ergens ver weg over die aarde reed de rampspoed op een groot paard voort, maar het stampen van de hoeven verzwakte, loste zich op en een stilte, de bittere stilte die soms over kinderen komt in hun verdriet, wiste eensklaps de grens uit tussen mijn lichaam en een aarde die zich nergens heen bewoog. De aarde rook naar klamme diepten, naar het graf, naar bloemen. Ik snoof die geur van haar op en begon te huilen, maar zonder een spoor van angst.

Onderweg naar huis ziet hij dat de pogrom is begonnen.

Het huis was leeg. De witte voordeur stond open, het gras bij de duiventil was platgetrapt. Alleen Koezjma was op de binnenplaats achtergebleven. Koezjma onze concierge, zat in de schuur. Hij was bezig de dode Schojl af te leggen.

(..)

‘Hier zie je, hoe het volk met onze opa heeft huisgehouden…’

‘Wat heeft-ie ze allemaal de huid volgescholden,’ zei hij met een glimlach en liet zijn blik liefdevol over de dode glijden. ‘Als hij door een troep Tartaren was overvallen, zou hij die Tartaren op de vlucht hebben gejaagd, maar dit waren Russen, samen met hun vrouwen, Grootrussen, en die Russen kunnen er moeilijk toe besluiten de mens te ontzien… ik ken ze, die Russen…’

Aan de hand van concierge Koezjma gaat de jonge Isaak naar zijn voor de pogrom ondergedoken ouders.

fragmenten uit: de geschiedenis van mijn duiventil; uit: Verhalen uit Odessa, Meulenhoff Amsterdam, 1988; vertaling Charles B. Timmer 

Isaak Babel (1894-1941, Odessa, Rus)

 

Tsjechov schreef verzetsliteratuur

Ter verduidelijking: in mijn bewondering voor de Russische schrijver Anton Tsjechov sta ik niet alleen. In de Volkskrant van 23 december 2021 staat een artikel over de Nederlandse acteur en regisseur Michel Sluysmans. Deze betoont zijn liefde voor Tsjechov: ‘Ik ben wel een groot bewonderaar van Tsjechov, bij hem krijg je geen stukken over koningen, goden of complotten. Hij liet juist gewone mensen zien, mensen die spijt hebben, desillusies, dromen die nooit uitkomen, die lijden aan het leven.

Tweede voorbeeld: De Amerikaanse literatuur-professor George Saunders (1958, USA) schenkt in zijn schrijverslessen uitgebreid aandacht aan het Russische korte verhaal uit de negentiende eeuw. Tsjechov heeft een prominente plaats in die lessen en in de vertegenwoordigers van dat korte verhaal. Saunders noemt die verhalen: verzetsliteratuur.

Geschreven door progressieve hervormers in een repressieve cultuur, onder de constante dreiging van censuur, in een tijd waarin de politieke stellingname van een schrijver kon leiden tot verbanning, gevangenschap en executie. Het verzet in deze verhalen is kalm, heeft een bepaalde tendens, en stamt van wellicht het radicaalste idee van allemaal: dat ieder mens aandacht verdient en dat de bronnen van het vermogen tot goed en kwaad gevonden kunnen worden door te kijken naar één enkele, zelfs heel onbeduidende persoon en de kronkels van zijn of haar geest.

uit: een duik in een vijver in de regen, De Geus Amsterdam, 2021; vertaling Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes

tsjechov; badische-zeitung.debron beeld: badische-zeitung.de

Tot zover de loftrompet over Tsjechov. Nu dan een fragment uit In eigen honk waarin het gaat over een jonge vrouw genaamd Wera. Zij trekt van de grote stad naar het platteland. Zij is huwbaar en mogelijkerwijs vindt zij de prins op het witte paard. Uit de reis naar het platteland en de beschrijving van het ongenaakbare steppelandschap begrijpen we dat het wel eens kon tegenvallen met die verwachtingen.

Op alle avondjes, picknicks en diners kon je er zeker van zijn dat tante Dasja de meest interessante vrouw was en dokter Nesjtsjapow de meest interessante man. Op de fabrieken en hofsteden werd heel weinig gelezen, in de muziek bracht men het niet verder dan marsen en polka’s, de jonge mensen debatteerden aldoor heftig over dingen waar zij geen verstand van hadden en dit alles liet een indruk achter van onbeschaafdheid. Altijd ging het bij die debatten even luidruchtig en heftig toe, maar zonderling, tegelijk had Wera nergens zulke onverschillige en zich om niets bekommerende mensen aangetroffen als hier. Het wekte de indruk, of zij er geen vaderland op nahielden, geen religie en voor het maatschappelijk leven totaal geen belangstelling hadden. Ging het gesprek over de literatuur, of werd een of ander abstract probleem aangesneden, dan stond op het gezicht van Nesjtsjapow te lezen, dat het hem langs zijn kouwe kleren ging, dat hij al in geen jaren meer een boek had ingezien en ook niet van plan was om iets te gaan lezen. Dan zat hij er met een uitgestreken en nietszeggend gezicht bij, als een slecht geschilderd portret; net als altijd droeg hij zijn witte vest, deed geen duit in het zakje, of als hij wat zei, was er geen touw aan vast te knopen; maar de dames en jonge meisjes vonden hem reuze interessant, ze waren verrukt van zijn manieren en ze benijdden Wera die, dat kon je duidelijk genoeg zien, erg bij hem in de gunst stond. En Wera reed telkens weer met een gevoel van ergenis van die bezoeken naar huis terug in het vaste voornemen dat zij voortaan thuis zou blijven; maar er ging weer een dag voorbij, het werd avond en opnieuw spoedde zij zich naar de fabriek en zo ging het bijna de hele winter door.

uit: In eigen honk; uit: Huwelijksverhalen, Rainbow pocket Amsterdam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

Anton Tsjechov (1860-1904, Taganrog, Rus)

Verdriet is het ding met veren, aldus Max Porter

Max Porter (1981, High Wycombe, UK) was boekverkoper en een goede. Hij won er een prijs mee. Prijzen kreeg hij ook toen hij besloot zelf te gaan schrijven. Hij schreef korte verhalen, poëzie en non-fictie voordat hij aan de roman begon. Verdriet is het ding met veren was zijn eerste in Nederland vertaalde roman. De hoofdpersoon verliest zijn dierbare vrouw en blijft met kinderen achter.

Ik voelde me als de Aarde op die indrukwekkende afbeelding van de planeet omringd door een brede gordel van ruimteschroot. Ik had het idee dat het nog jaren zou duren voor de strak aangesnoerde droom van andermans rouwbeklag over de dood van mijn vrouw me weer speling zou geven om iets van het zwarte heelal te zien, en vanzelfsprekend – overbodig het te zeggen – bezorgde dit soort gedachten me een schuldgevoel. Maar, bedacht ik, te eigener verdediging, alles is anders geworden, en zij is weg en ik mag denken wat ik wil. Zij zou het met me eens zijn, want we waren altijd superkritisch, cynisch, net per se loyaal, trokken altijd alles in twijfel. Na etentjes fileerden we achteraf samen alles en iedereen, goed bedoeld natuurlijk.

Hypocrieten. Vrienden.

De bel ging opnieuw.

Ik liep de beloperde trap af naar het koude halletje en opende de voordeur.

Er waren geen straatlantaarns, vuilnisbakken of stoeptegels. Geen gestalte of licht, geen enkele vorm, alleen een stank.

Er was een knal en een zwiep en ik werd achterovergesmakt, omvergeblazen, op de drempel. De voorhal was aardedonker en ijskoud en ik dacht: wat is dit voor wereld, dat ik nu vanavond in mijn eigen huis word overvallen? En toen dacht ik: wat maakt het ook eigenlijk uit? En ik dacht: maak alsjeblieft de jongens niet wakker, ze hebben hun slaap nodig. Ik geef je mijn laatste cent, als je de jongens maar niet wakker maakt.

Ik deed mijn ogen open en het was nog steeds donker en alles knisperde en ritselde.

Veren.

uit: verdriet is het ding met veren, Bezige Bij Amsterdam, 2016

porter, max, thetimes.co.ukbron beeld: thetimes.co.uk

Max Porter (1981, High Wycombe, UK)

Alice Munro en de ingewikkelde familieverhoudingen

Het begint met de beschrijving van de locatie waarin het verhaal zich afspeelt. De introductie van de mannelijke hoofdrolspeler. De vertelster biedt perspectief door haar blik te richten op de twee ongetrouwde tantes. En zo langzamerhand opent zich de wereld van de ingewikkelde familierelaties. Hoe jongens en mannen zich verhouden tot de meisjes en vrouwen. Dat geweld en schaamte belangrijke kwesties zijn. Dat tussen de vrouwen onderling jaloezie, haat en nijd rollen spelen. Je bent lid van dezelfde familie maar dat betekent in de romans en verhalen van Alice Munro niet dat alles pais en vree is.

Voorbeeld:

Oom Graig keek me afkeurend aan; hij had geen last van nieuwsgierigheid. Hij vond me vaak dom en onnadenkend, maar dat kon me niet schelen; zijn oordeel had iets onbevooroordeelds en onpersoonlijks en dat liet me vrij. Hijzelf voelde zich niet gekwest of aangetast door mijn tekortkomingen, hoewel hij me er wel op wees. Dit was het grove verschil tussen hem en iemand als mijn moeder, en zelfs mijn tantes, wanneer ik ze teleurstelde. Zijn mannelijke zelfzuchtigheid maakte zijn gezelschap rustgevend.

Tussen de tantes en de moeder van de vertelster bestaan ook kwesties:

Weer thuis in Jenkin’s Bend – met mij bij zich voor de lange zomerse logeerpartij – fleurden ze op en gedijden ze weer, alsof ze in het water gezet waren. Ik zag hen voor mijn ogen veranderen. En ook ik verwisselde, met een vaag gevoel van ontrouw, mijn moeders wereld van ernstige sceptische vragen, van eindeloos maar vaak veronachtzaamd werk, van klonters in de aardappelpuree en verwarrende ideeën, voor die van hen: een wereld van werk en vrolijkheid, van gemak en orde en ingewikkelde vormelijkheid. In hun huis moest ik een geheel nieuwe taal leren. Gesprekken hadden er verschillende lagen, niets werd direct gezegd, iedere grap kon in wezen een dolkstoot zijn. Mijn moeders afkeuring was openlijk en niet mis te verstaan, als onweer; de hunnen kwam als fijne scheermessneetjes, verbijsterend en verpakt in vriendelijkheid. Ze hadden het Ierse talent voor wilde spot, onder het mom van eerbiedigheid.

Nog een voorbeeld maar nu richten de pijlen zich op de ouders. Oom Graig is overleden en de minderjarige vertelster wil haar dode oom niet zien in zijn lijkkist en wil niet naar zijn begrafenis.

‘Dat wil niemand’, zei de moeder eerlijk. ‘Niemand wil naar een begrafenis. Maar je moet. Je zult moeten leren om de dingen onder ogen te zien.’

Ik vond de kordaatheid en de graagte waarmee ze dit zei maar niks. Het kwam onecht en gemeen op me over. Ik vertrouwde haar niet. Wanneer mensen je vertellen dat je de dingen onder ogen moet zien, wanneer ze je bruusk voortduwen naar wat voor pijn of afstotelijks of ongewenste onthullingen ze ook voor je in petto hebben, is er altijd die toon van verraad, van koude, gemaskeerde, slecht verborgen triomfantelijkheid in hun stem te horen, een zekere gretigheid om je te kwetsen. Ook bij ouders hoor je dat, vooral bij ouders.

fragmenten uit: erfgenamen van het levende lichaam; uit: Levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda; 2014; vertaling Pleuke Boyce

alice_munro; thestar.com.jpegbron beeld: thestar.com

Alice Munro (1931, Laidlaw, Can)

F.B. Hotz: misselijk worden van Rotterdam

hotz, fb; nrc.nlbron beeld: nrc.nl

Ik had Rotterdam nog nooit gezien en die aanblik wekte afschuw en ontzag. De stad was aangrijpend van lelijkheid. Schaamteloos verhieven zich oude spoorwegviaducten en bruggen over oude huizenrijen. Er waren zwarte fabrieken met sintelvelden en midden tussen hoge huizen lag, bij wijze van plein, een kaal voetbalterreintje waarop spiegelend regenwater.

Karren, trams en vrachtauto’s kropen uit allerlei gaten. Tussen het lawaai van knalpotten en kettingaandrijvingen moest vader schreeuwend de weg vragen, want overal waren straten opgebroken. Een opzichter met bolhoed bij een gat vol kabels wees met een zwarte vinger, vader tikte aan de rand van z’n schone strohoed en schakelde in voor die richting. Ik keek bezorgd of de auto met de bruid wel volgde. Ik draaide m’n hoofd af voor een schaamteloos urinoir, zomaar midden op een stoep.

haven rotterdam;bron beeld: serc.nl

Eindelijk verscheen, bevrijdend en mooi, een heiig woud van kranen aan de haven. Ik rook het grootse water. Ten slotte daagden bij vage zon de grote en dode rompen van gemeerde zeeschepen op. Ik haalde diep adem om misselijkheid te bestrijden.

fragment uit: De tuin der weeën; uit: Proefspel; Arbeiderspers Amsterdam, 1980

F.B. Hotz (1922-2000, Leiden)