Szymborska: familiealbum

Familiealbum

In deze familie is niemand van liefde omgekomen. / Er is wel heel wat gebeurd, maar niets mytisch. / Romeo’s met tbc, Julia’s met difteritis? / Sommigen werden pas op hoge leeftijd weggenomen. / Onbeantwoorde brieven, nat van tranen, / eisten nooit een mensenleven. / Uiteindelijk waren er altijd buren die kwamen, / met rozen en een pnce-nez. / Geen minnaar die in de antieke kast is gestikt / omdat haar man plots in de kamer stond! / Met franjes en freesjes, geregen, gestrikt – / zo staan allen op de foto, kerngezond. / Nooit heerste de hel van Bosch in hun zielen! / Niemand rende de tuin in met een geweer! / (Er waren er die met een kogel in hun schedel vielen, / maar dat hoort thuis in een andere sfeer.) / En zij met die extatische knoet en die lok, / met ringen onder de ogen als na een bal, / voor heen in een grote stroom bloed, / maar niet naar jou, danser, niet uit wrok. / Dramatisch was het misschien vóór de daguerreotype, / maar niet bij hen in het album, zover ik weet. / Tranen werden weggelachen, dag voor dag vergleed, / en zij, getroost, zij stierven aan de griep.

Familiefoto.-collectie-Majoor.-Groningen-1.max-2880x1600familiefoto uit de collectie Majoor, Groningen

Uit: Grote pret, Meulenhoff Amsterdam, 1967; vertaling Gerard Rasch

Advertenties

De wolf in Edna O’Brien’s Rode Stoeltjes

Mijn vader maakt me van een jongen tot een man. Dan komt er een wolf in onze buurt. We hebben hem niet gezien, maar we zijn gewaarschuwd. We weten dat hij van over de berg komt, waar de vijand woont. Twee nachten loopt hij om ons huis. We horen hem huilen, een geluid met niets te vergelijken, een wild gejank. Op een nacht janken onze honden in de schuur en mijn vader pakt zijn geweer van de muur en gebaart dat ik mee moet. Ik ben tien jaar. Ik kom niet boven de sneeuw uit. We lopen over een pad dat door de sneeuw gegraven is en op een heuvel zien we de wolf, hij staat doodstil naar ons te loeren met zijn gele ogen. Mijn vader kijkt langs de loop en ik verbeeld me dat ik nu nog de kogel hoor inslaan in de schoft van de wolf, naast zijn hart. Mijn vader kon heel goed schieten. Toen nog een, en nog een, en dan zakt de wolf door zijn poten en valt van de heuvel, het bloed donkerder rood dan rode wijn. Ik moet van mijn vader mee naar de plek waar de dode wolf ligt. Moet in zijn ogen kijken. Naar zijn flank kijken. Hem aanraken. Daarna moet ik het bloed van mijn vinger likken, en hij doet dat ook. Hij zet oorlogsstrepen op mijn voorhoofd en initieert me in het mysterie van het doden. Elke man heeft diep van binnen het instinct om te doden, zoals elke vrouw diep van binnen het instinct heeft om te verzorgen.

edna o'breinbron foto: irishamerica.com

Edna O’Brien (1930, Iers)

Uit: De rode stoeltjes, Bezige Bij Amsterdam, 2017; vertaling Paul Bruijn en Molly van Gelder

Een actueel boek, dit Rode stoeltjes. Maar vooral een indrukwekkende vertelling. Een boek over de oorlog op de Balkan, over de aard van het kwaad, de vluchteling en hoe die zich ver van zijn moederland moet zien te redden in een samenleving die zich met de rug naar hem toe draait. Over hoe liefde weer probeert alles op z’n pootjes te krijgen en mensen weer zin geeft en toekomst biedt. Een boek dat je weg moet leggen om bij te komen van de gruwel die mensen elkaar aan doen. Een boek ook dat verhaalt over sterke vrouwen. En een boek dat laat zien dat de dader gestraft wordt, altijd en overal. Heeft u meer aanbeveling nodig?

‘De grote Edna O’Brien heeft met De rode stoeltjes haar meesterwerk geschreven.’ Philip Roth

Jotie ’t Hooft: aan mijn ouders

Aan mijn ouders

Nu ik uit uw huis ben, en weg en wekelijks geworden / woon ik dieper in u nu, buiten bereik / van uw vangende armen, maar in de warmte / van uw weldoend hart.

Is het hard geweest, was het bitter en verbitterend, / het is voorbij. / Ik weet wel, het woont nog in ons, zal nooit / geheel verleden zijn, kleeft aan onze wanden / waar het wonden maakte, / ons zelf verwonderde.

Maar met het harde, het kappende en zachte / zijn wij, zoals de leer ons zegt, gestorven / en in en voor elkaar, en vrij, / uiteindelijk geboren.

jotie 't hooft, demorgen.be

bron foto: demorgen.be

Jotie ‘ t Hooft (1956 – 1977)

Uit: Verzamelde gedichten, 1987

Bij het stoppen met schrijven van Remco Campert

remco campert

bron foto: http://www.vpro.nl

Remco Campert (88) stopte onlangs met wat zijn levenswerk was: schrijven. Op dat moment las ik Een liefde in Parijs. Daaruit een mooi fragment dat kenmerkend voor Campert is. Hij beschouwde zichzelf vooral als dichter.

‘Ik schrijf,’ bekende Richard. Het was voor het eerst dat hij deze woorden hardop uitsprak.

Zijn vader keek hem verbijsterd aan.

‘Je schrijft?’

‘Ja. Gedichten.’

‘Ik… je verrast me. Mag ik ze lezen?’

‘Nee. Ze zijn nog niet goed genoeg. Maar als u me niet gelooft…’ Richard ging de kamer uit en rende de trap op naar zijn kamer om het schoolschrift te pakken waarin hij zijn gedichten – het waren er zeventien nu, niet genoeg voor een bundel – in zijn netste handschrift had opgeschreven.

Terwijl hij het snel doorbladerde, hield hij zijn vader het schrift voor ogen, zodat die duidelijk kon zien dat het om gedichten ging. Zijn vader deed een greep naar het schrift, maar Richard was hem te snel af en verborg het schrift onder zijn jasje. Zijn vader lachte.

‘Ik zei dat ik je niet geloofde. Dus je wilt schrijver worden?’

‘Ja’ was niet het goede antwoord, niet zoals hij het voelde, sinds de sneeuwige dag dat hij het gedicht over de dode geranium had geschreven dat ook over zijn moeder ging.

‘Ik wil geen schrijver worden, ik bén het,’ zei Richard. ‘Ik moet alleen nog beter worden.’

Zijn vader knikte, begon iets te zeggen, zweeg en legde toen zijn hand liefkozend in Richards nek.

‘De kunst,’ zei hij. ‘Weet waar je aan begint. Het zal niet makkelijk zijn.’

Het klonk ongewoon plechtig. Nu drukte hij Richard aan zijn borst.

‘De muze is een hardvochtige minnares. Je zult alles aan haar moeten opofferen.’

Remco Campert (1929)

Uit: Een liefde in Parijs, Bezige Bij Amsterdam, 2004

‘Marlon Cruz, niet naar buiten gaan!’

Kratochvil-paradijsvogels

foto: Antonin Kratochvil

Ik had wel dood kunnen gaan, die nacht dat ik de weg kwijtraakte, niet alleen omdat de dood me zelf op mijn schouder tikte, maar ook omdat ik er verschrikkelijk naar verlangde. Ik dacht nu met begrip terug aan al die keren dat Reina had gezegd: laten we er een eind aan maken, waar uiteindelijk niemand meer van opkeek omdat ze het al zo vaak had gezegd.

‘Laten we er een eind aan maken,’ zei ze woedend bij elke tegenslag.

Ik was niet alleen bang voor Reina’s leven maar voor dat van iedereen, ook voor het mijne, waar ik vreemd genoeg zuinig op was, misschien vanwege die zwartgallige liefde die ik altijd voor het leven heb gevoeld. Een liefde die duurde tot de nacht dat ik de wanhopigste mens op aarde was, toen ik voor het eerst dacht: liever dood dan levend zonder Reina. Maar juist die herinnering aan haar rare ideeën bracht me tot de conclusie dat ik best nog een paar stappen kon zetten.

Toen ik begon te rennen wist ik dat ik haar kwijtraakte, dat ik zelf in een razend tempo de weg kwijtraakte. Terwijl ik vluchtte voor de politieagenten dacht ik aan haar, aan haar woedende mond nadat ze had geschreeuwd: Marlon, niet naar buiten gaan!

Maar mijn kwaadheid telde net zo goed, en ik liep naar buiten zonder te vermoeden dat ik die nacht zou verdwalen in het grootste, ingewikkeldste labyrint op aarde, waar ik het moest doen met die laatste herinnering aan Reina’s woeste gezicht, dat naar me roept zoals mijn moeder me waarschuwde toen ik klein was: Marlon Cruz, niet naar buiten gaan!

Jorge Franco (1962, Colombiaan)

Uit: Paradijsvogels – Jorge Franco, Meulenhoff Amsterdam, 2001

Wat een indrukwekkend boek is dit! Een liefdesgeschiedenis, een road-movie (ja, want de beelden zijn cinematografisch van aard), een actueel verhaal over het lot van migranten, de beschrijving van een zoektocht naar geluk in een wereld die dat geluk niet kent of ontkent. Een verhaal over ongelijkwaardige liefde. Marlon houdt echt van Reina, terwijl je van Reina sterk de indruk overhoudt dat ze Marlon gebruikt als middel naar haar geluk. Je zou haar een golddigger kunnen noemen ware het niet dat Marlon straatarm is. Reina probeert via Marlon aan de armoede te ontkomen en New York is haar doel.

Elk moment heb je het idee dat het kwartje de goede kant op gaat vallen. De ontknoping is een verrassing. Wie voor een kwartje geboren is, zich daaraan ontworstelt, gaat teleurstellingen tegemoet. Maar die tocht naar geluk is een spannende en het verhaal daarover is overtuigend. Gaan lezen dus! (Waarom is van dit boek nog geen film; het schreeuwt om verfilming!)

Licht: wij, niet gewend aan moed

Wij, niet gewend aan moed

Wij, niet gewend aan moed / ballingen van het genot / leven opgerold in bolsters van eenzaamheid / tot liefde zijn hoge heilige tempel verlaat / en in ons zicht komt / om ons vrij te laten in het leven.

Liefde arriveert / en in haar vaart komen verrukkingen / oude herinneringen van genoegen / antieke verhalen van pijn. / Maar als we dapper zijn, / slaat liefde de ketens van angst weg / uit onze ziel.

We zijn bevrijd van onze verlegenheid. / In de roes van liefde’s licht / durven we moedig te zijn. / En opeens zien we / dat liefde alles kost wat we zijn / en altijd zijn zullen. / Maar het is alleen liefde / die ons vrijlaat.

Maya_AngelouMaya Angelou (1928 – 2014)

Afro-Amerikaanse schrijfster. Kreeg wereldfaam met de roman ‘Ik weet waarom de gekooide vogel zingt’. Was actief in de burgerrechtenbeweging. Las een gedicht voor bij de inhuldiging van president Bill Clinton in 1993.

Uit: The Complete Collected Poems of Maya Angelou, Random House, 1974, vertaling Ellen Nieuwenhuis

Jeroen Brouwers kondigt het onvermijdelijke aan

Uit: Bittere bloemen

418144_(3922456290)

Sybille von Cleve geschilderd door Lucas Cranach de oudere. Een geschilderd miniatuur van Cranach speelt een rol in Bittere Bloemen

De hemel is bespikkeld met ballonnetjes opeens, uitgelaten buitelend, zilverig in de zon, en kinderen smijten met boogbewegingen van hun armen zeepbelletjes om zich heen uit van die plastic ringetjes aan steeltjes die ze eerst in het sop hebben gedoopt, terwijl Juultje driekwart eeuw geleden bellen blies uit een aarden pijpje, dat brak als je het uit je handen liet vallen, hij heeft er nog verdriet van. Al die feestballonnen, hier en daar deinen ze in sappige trossen, als druiven, kersen, bessen, denkt hij uitgeloogd van dorst, en al die om hem heen dansende en uiteenknappende zeepblaasjes zijn gevuld met lucht. Hij zweeft weg in onaanwezig water vol luchtbelletjes, – water dat hij dus niet kan drinken, omdat het er niet is, en lucht uit uiteenspattende belletjes die hij niet kan opsnorkelen. Zijn hoofd is omwikkeld met plakband, alle openingen afgesloten, en terwijl hij vanuit een of andere afstand waarneemt hoe hij kwijtraakt, alles wordt wit, steeds witter, beseft hij nog in verre vaagte dat er uit het plafond vingers, handen, armen tevoorschijn komen, die aan hem beginnen te sjorren. Voeten, knieën, benen. Hoofden, stemmen.

‘Kunt u mij horen professor? Professor?’

Nee, horen doet hij niets meer. Zie je niet dat ik dood ben?

Jeroen Brouwers (1940)

Uit: Bittere Bloemen, Atlas Amsterdam, Antwerpen, 2011

Daniel Richter toont de wereld na het hellevuur

Daniel Richter (Dld, 1962) schildert eerst abstract en vanaf 2000 figuratief. Zijn achtergrond is punk, de daarbij behorende do-it-yourself-attitude gecombineerd met wat doemdenken uit het begin van de jaren 80, vorige eeuw. Richter was lid van de Autonomen, een radicale jongerenbeweging, die zich verzette tegen het gezag en dat bij voorkeur deed met het gooien van stenen.

Zijn figuratieve werk is kleurrijk maar dan wel tegen de achtergrond van een nucleaire dreiging:

Kleur leeft niet, hoe fel je het ook op het doek aanbrengt. Kleur is al dood. Maak het dode dan maar zo fosforescerend mogelijk.

Zijn figuren:

Het is allemaal even wild, buitenissig, nachtmerrieachtig, in your face en confronterend. Maar opvallend genoeg is al die rauwheid en grimmigheid ook oogstrelend. Daniel Richter specialiseert zich in sinistere schoonheid.

Over onderstaand doek Lonely Old Slogan:

Hij (de jongen in het spijkerjack) is moederziel alleen, en de jongen heeft het hoofd gebogen; het is alsof hij via de witte rioolbuis een tijdreis gaat maken, back to the future, rechtstreeks richting jaren tachtig. De titel is, ironisch-weemoedig.

Richter zelf over het doek: ‘Het is een gemakkelijke en grove manier om je twijfels over het openbare gezag te uiten. Hopelijk een houding die weldenkende mensen niet zullen verketteren.’

daniel richter 1

Over Pink Flag, het doek hieronder:

Richter portretteert vaker geknakte figuren uit de onderklasse, uitgebuit en geintimideerd. (..) Op Pink Flag wordt dit beeld van burgers, loonslaven, hellehonden en blauwkoppen gevangen gehouden door die typische jaren zeventig flat. Naar Hollandse situaties vertaald: hoe de Bijlmer door onbedwingbare krachten en machten verandert in een armageddon.

daniel richter 2

Over Poor Girl, het doek hieronder:

Dit is ook al weer zo’n fenomenaal geschilderd stadstafereel, al zijn het hier de buitenwijk en de slaapstad die in een Richter-nachtmerrie zijn beland. (..) Want dit is een van die werken van Richter die de gitzwarte keerzijde tonen van de door planologen in elkaar gefabriekte vinexwijken. (..) Bij Daniel Richter wordt geschilderd alsof onze levens ervan afhangen, en de verhalen die hij op en met zijn figuratieve doeken vertelt, zijn meeslepend zonder dat we de kunsthistorische grabbelton erbij nodig hebben.

daniel richter 3

Daniel Richter is een begenadigd verteller die een beroep doet op ons gevoel voor literair drama. (..) Hij maakt grimmige schilderijen, maar het is wel een oogstrelende grimmigheid. En al die sprookjesfiguren, die zonderlingen, dansende skeletten, opstandige doodskoppen en verdwaalde faunen en feeën benadrukken de sensatie dat het in Richters werk dwars door de ziel van die sprookjesfiguren op een genadeloze manier over heel iets en heel iemand anders gaat: over jezelf en de tijd waarin je leeft.

daniel richter 4

Daniel Richter ontsluiert doek na doek onze angsten en ons schijnheilig gesuste geweten. (..) Bij het aanschouwen van Richters oeuvre moeten we veel elementairdere woorden gebruiken: lafheid, liefde, onrecht, gebutste schoonheid. Vrij naar Lucebert mag je concluderen dat bij Richter die schoonheid inderdaad haar gezicht heeft verbrand. Richter toont ons de wereld van na dat hellevuur.

fragmenten uit: Schilderen alsof andermans leven ervan afhangt

Uit: Alles is gekleurd – Joost Zwagerman, Arbeiderspers Amsterdam, 2011

De fijnsten van Amy Winehouse

Een dominante vader die alles voor haar regelde; een afwezige moeder; drankprobleem; succes waarmee ze niet kon omgaan; geen geluk in de liefde: een aantal van de ingrediënten uit het kortstondige leven van Amy Winehouse (1983 – 2011). Deze ingrediënten bleken al snel een dodelijke mix op te leveren. Amy werd niet ouder dan 27 jaar. Talent moet je als bezitter ook kunnen handelen, zo bleek. Maar wat een stem had deze vrouw en wat raakte ze me met die alles-of-niets optredens. Daarom: de drie fijnste van Amy Winehouse. Om kippenvel van te krijgen!

Back to Black

Tears dry on their own

Valerie

Gerrit Achterberg: mania religiosa

mania religisosaMania religiosa

De dorpsveldwachters hebben hem besprongen. / Hij gooide melkbussen over het huis, / van veertig liter elk. Het was niet pluis / in deze bovenkamer. Cellen drongen

te veel open. Hij voelde zich gedwongen / de orde te herstellen door de sluis / der kracht open te zetten. Vol gebruis / stroomde de melk omlaag in lange tongen.

Hij had verkering, maar het ging niet door; / zodat zijn leven tot een bus bevroor. / En bijbelteksten lagen op de loer;

de tien talenten en de goede werken. / God heeft ze hedenmiddag kunnen merken. / Daarvoor waren ze dan ook van een boer.

Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1988