Daniel Richter toont de wereld na het hellevuur

Daniel Richter (Dld, 1962) schildert eerst abstract en vanaf 2000 figuratief. Zijn achtergrond is punk, de daarbij behorende do-it-yourself-attitude gecombineerd met wat doemdenken uit het begin van de jaren 80, vorige eeuw. Richter was lid van de Autonomen, een radicale jongerenbeweging, die zich verzette tegen het gezag en dat bij voorkeur deed met het gooien van stenen.

Zijn figuratieve werk is kleurrijk maar dan wel tegen de achtergrond van een nucleaire dreiging:

Kleur leeft niet, hoe fel je het ook op het doek aanbrengt. Kleur is al dood. Maak het dode dan maar zo fosforescerend mogelijk.

Zijn figuren:

Het is allemaal even wild, buitenissig, nachtmerrieachtig, in your face en confronterend. Maar opvallend genoeg is al die rauwheid en grimmigheid ook oogstrelend. Daniel Richter specialiseert zich in sinistere schoonheid.

Over onderstaand doek Lonely Old Slogan:

Hij (de jongen in het spijkerjack) is moederziel alleen, en de jongen heeft het hoofd gebogen; het is alsof hij via de witte rioolbuis een tijdreis gaat maken, back to the future, rechtstreeks richting jaren tachtig. De titel is, ironisch-weemoedig.

Richter zelf over het doek: ‘Het is een gemakkelijke en grove manier om je twijfels over het openbare gezag te uiten. Hopelijk een houding die weldenkende mensen niet zullen verketteren.’

daniel richter 1

Over Pink Flag, het doek hieronder:

Richter portretteert vaker geknakte figuren uit de onderklasse, uitgebuit en geintimideerd. (..) Op Pink Flag wordt dit beeld van burgers, loonslaven, hellehonden en blauwkoppen gevangen gehouden door die typische jaren zeventig flat. Naar Hollandse situaties vertaald: hoe de Bijlmer door onbedwingbare krachten en machten verandert in een armageddon.

daniel richter 2

Over Poor Girl, het doek hieronder:

Dit is ook al weer zo’n fenomenaal geschilderd stadstafereel, al zijn het hier de buitenwijk en de slaapstad die in een Richter-nachtmerrie zijn beland. (..) Want dit is een van die werken van Richter die de gitzwarte keerzijde tonen van de door planologen in elkaar gefabriekte vinexwijken. (..) Bij Daniel Richter wordt geschilderd alsof onze levens ervan afhangen, en de verhalen die hij op en met zijn figuratieve doeken vertelt, zijn meeslepend zonder dat we de kunsthistorische grabbelton erbij nodig hebben.

daniel richter 3

Daniel Richter is een begenadigd verteller die een beroep doet op ons gevoel voor literair drama. (..) Hij maakt grimmige schilderijen, maar het is wel een oogstrelende grimmigheid. En al die sprookjesfiguren, die zonderlingen, dansende skeletten, opstandige doodskoppen en verdwaalde faunen en feeën benadrukken de sensatie dat het in Richters werk dwars door de ziel van die sprookjesfiguren op een genadeloze manier over heel iets en heel iemand anders gaat: over jezelf en de tijd waarin je leeft.

daniel richter 4

Daniel Richter ontsluiert doek na doek onze angsten en ons schijnheilig gesuste geweten. (..) Bij het aanschouwen van Richters oeuvre moeten we veel elementairdere woorden gebruiken: lafheid, liefde, onrecht, gebutste schoonheid. Vrij naar Lucebert mag je concluderen dat bij Richter die schoonheid inderdaad haar gezicht heeft verbrand. Richter toont ons de wereld van na dat hellevuur.

fragmenten uit: Schilderen alsof andermans leven ervan afhangt

Uit: Alles is gekleurd – Joost Zwagerman, Arbeiderspers Amsterdam, 2011

De fijnsten van Amy Winehouse

Een dominante vader die alles voor haar regelde; een afwezige moeder; drankprobleem; succes waarmee ze niet kon omgaan; geen geluk in de liefde: een aantal van de ingrediënten uit het kortstondige leven van Amy Winehouse (1983 – 2011). Deze ingrediënten bleken al snel een dodelijke mix op te leveren. Amy werd niet ouder dan 27 jaar. Talent moet je als bezitter ook kunnen handelen, zo bleek. Maar wat een stem had deze vrouw en wat raakte ze me met die alles-of-niets optredens. Daarom: de drie fijnste van Amy Winehouse. Om kippenvel van te krijgen!

Back to Black

Tears dry on their own

Valerie

Gerrit Achterberg: mania religiosa

mania religisosaMania religiosa

De dorpsveldwachters hebben hem besprongen. / Hij gooide melkbussen over het huis, / van veertig liter elk. Het was niet pluis / in deze bovenkamer. Cellen drongen

te veel open. Hij voelde zich gedwongen / de orde te herstellen door de sluis / der kracht open te zetten. Vol gebruis / stroomde de melk omlaag in lange tongen.

Hij had verkering, maar het ging niet door; / zodat zijn leven tot een bus bevroor. / En bijbelteksten lagen op de loer;

de tien talenten en de goede werken. / God heeft ze hedenmiddag kunnen merken. / Daarvoor waren ze dan ook van een boer.

Gerrit Achterberg (1905 – 1962)

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1988

Tomas Lieske: neem de segrijnslak

Neem de segrijnslak

Neem de segrijnslak.

Is hij dan eetbaar, zoals zijn voldane familie? / Wordt ook hij gedood door het zout, voor de boter met kruiden?

Slakken zijn reizigers, hun zak met organen / op de rug gebonden. Zo rijk gevuld dat mantel en zak / precies in het huis passen. Tussen de wanden / kalken pijlen en kristallen stelen om het eten te roeren. / Zij zijn op pad, zij bestaan slechts uit huis, / ogen en voet. Pelgrims met een vergeten doel.

Wat moet ik je vertellen om je op te vrolijken? / Zij, de wandelaars weten wat winst en verlies is. / Hun huizen zijn verkocht als sieraad om de hals / van smalle, slagvaardige vrouwen. Betaalmiddel / zijn ze geworden en symbool voor de dood / en het overleven. Zelf gegeten en in hun huis / is olie opgeslagen. Ze dienden / in vreemde muziekkorpsen. Hun geheimste / missie is het leveren van purper aan / de Romeinse keizers. Hun kleinsten / tonen een grote doorzichtigheid: / parelmoeren miniatuurpaleizen / trillen bij de eerste wandelpas. Lijfje / van gelatine, huis van glas. / Met slijm lijmen ze onderweg hun liefdes / en ze schieten hun pijlen gevoelig / in een ander. Jij zwicht, jij / bent mijn segrijnslak. Ik proef je en richt / mijn pijl in je zoetste delen. Geen zout, / geen puntje. Met het voorste lik ik je.

tomas lieske

Tomas Lieske (1943)

Uit: Grondheer, Querido Amsterdam, 1993

Met Reve op bedevaart

Met Reve op bedevaart

De noordelijke Nederlanden werden protestants, het rooms-katholieke geloof werd aan velerlei restricties onderworpen. Rooms-katholieke Nederlanders kerkten over de grens en vice versa kwamen protestanten de grens over om in Nederland hun geloof te belijden. Vlak over de grens ligt de Duitse bedevaartplaats Kevelaer, die voor Nederlandse katholieken lange tijd een belangrijk toevluchtsoord was. Nadat de schrijver Gerard Reve zich aansloot bij de Moederkerk ging hij hier regelmatig ter bedevaart:

‘O.L. Vrouw ter Nood in Heiloo, die heeft mij uit de drank gehaald, & O.L. Vrouw van Kevelaer uit de melancholie, & O.L. Vrouw van Lourdes heeft mij genezen van mijn angst voor het leven. Ik ben nergens meer bang voor, & dat is ook wat waard.’

Uit: De Grens – Enno de Witt, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2013

Een Joods leven: een heimelijk spel

Isaac-Bashevis-Singer

Een verpletterend boek dat is mijn gevoel bij het uitlezen van Vijanden een liefdesroman van Isaac B. Singer (1902 – 1991, Nobelprijswinnaar). Het handelt over een aantal overlevenden van de Holocaust, die zich in New York gevestigd hebben. Hoofdpersoon is Herman, verbitterd en zielloos en die we leren kennen als een man die het leven ontwijkt en lijdzaam ondergaat.

Het boek gaat over de complexe verhoudingen tussen Herman en zijn drie geliefden: zijn echtgenote, zijn minnares en Tamara, zijn vrouw waarvan hij dacht dat ze samen met haar twee kinderen, de oorlog in Polen niet overleefd had.

Herman houdt van alledrie vrouwen maar haat zichzelf. En bij de complexe situaties die het boek gortdroog maar des te ingrijpender beschrijft, snap je ook waarom het boek ‘vijanden’ heet. Het boek schrijdt langzaam maar zeker voort naar een onvermijdelijk eind.

Vlak voor dat eind laat schrijver Singer zijn licht schijnen op Herman’s levensfilosofie.

In Herman’s privé-filosofie kon iemand alleen met listigheid in leven blijven. Van microbe tot mens had het leven zich weten te handhaven door van generatie op generatie langs de waakzame vernietigingskrachten te sluipen. Zoals de smokkelaars uit Tzivkev in de Eerste Wereldoorlog, die hun laarzen en blouses vol tabak stopten, allerlei soorten smokkelwaar op hun lichaam verborgen en heimelijk de grens over trokken, waarbij ze de wet overtraden en ambtenaren omkochten – zo reisde ieder beetje protoplasma of elke opeenhoping van protoplasma steels van tijdperk naar tijdperk. Dat was al zo geweest toen de eerste bacteriën in de modder langs de oceaan verschenen, en dat zou nog zo zijn wanneer de zon was uitgedoofd en het laatste levende wezen op aarde doodvroor, of op een andere manier aan zijn einde kwam, die door het laatste biologische drama zou worden voorgeschreven. De dieren hadden de onzekerheid van het bestaan aanvaard en de noodzaak om heimelijk te vluchten; alleen de mens was op zoek naar zekerheid en bewerkstelligde in plaats daarvan zijn eigen ondergang. De jood trok langs een verborgen weggetje door misdaad en krankzinnigheid. Hij was in het geheim naar Kanaän en Egypte gekomen. Abraham had gedaan of Sarah zijn zuster was. De tweeduizend jaren van ballingschap die in Alexandrië, Babylon en Rome begonnen en eindigden in de getto’s van Warschau, Lodz en Wilna, waren één grote smokkelaffaire geweest. De bijbel, de talmoed en de Commentaren leerden de jood maar één strategie: ontvlucht het kwaad, verberg je voor gevaar, vermijd openlijke krachtmetingen en blijf de kwade machten van het universum zoveel mogelijk uit de weg. De jood keek nooit neer op de deserteur die in een kelder of op een zolder kroop terwijl de legers buiten op straat strijd leverden.

Herman, de moderne jood, voerde dit principe nog een stapje verder: hij kon zich zelfs niet meer verlaten op zijn vertrouwen in de thora. (..) Herman had geen verbond met God gesloten en hij had hem ook niet nodig. Hij wilde zijn zaad niet vermenigvuldigen als de zandkorrels bij de zee. Zijn hele leven was een heimelijk spel….

Liefde: weer een liefde ten einde

Weer een liefde ten einde

Weer een liefde ten einde, als een goed citrusseizoen / of een periode van opgravingen waarbij uit de diepte / ontroerde dingen zijn opgehaald die liever waren vergeten.

Weer een liefde ten einde. En zoals wanneer een groot / huis is gesloopt en het puin afgevoerd, zo sta je op de lege / vierkante bouwplaats en je zegt: wat was dat een klein / stukje grond, waar dat huis op stond / met al die verdiepingen en mensen.

En heel uit de verte van de dalen komt het geluid / van één enkele tractor aan het werk, / en heel uit de verte van vroeger het getik / van een vork die, op een porseleinen bord, voor het kind / eigeel met suiker roert en schuimig klopt / en tikt en tikt.

1988, Yehuda Amichai, Israël

Uit: Een grote rust, Meulenhoff, Amsterdam, 1988, vertaling Tamir Herzberg

yehuda-amichai

Yehuda Amichai (1924 – 2000) Israëlisch dichter. Amichai wordt in Israël en ver daarbuiten beschouwd als Israël’s belangrijkste moderne dichter. Was één van de eersten die in alledaags Hebreeuws zijn gedichten schreef. Zijn werk werd zowel in zijn eigen land als internationaal gewaardeerd met tal van prijzen.

Liefde: verinnerlijkt

Verinnerlijkt

Ik denk alsmaar aan het doodgaan. / Mij heeft niemand lief.

Ik wou ik was ’n stil heiligenbeeld / Met alles in me uitgedoofd.

Dromerig kleurde avondrood / Mijn ogen schrijnend behuild.

Weet niet waar ik heen moet / Als overal naar jou.

Mijn geheime thuis ben jij / En wil niets stillers meer.

Wat bloeide ik graag zoet op / Aan het hemelblauw van je hart –

Niets dan zachte wegen / Legde ik rond je kloppende huis.

1995, Else Lasker-Schüler, Duits

Uit: De Gids 11/12, 1995, vertaling Huub Beurskens

else-lasker-schuler

Else Lasker-Schüler (1869 – 1945) Duitse schrijfster uit het expressionisme.

Liefde: huis

huisje-russisch

Huis

Het is mooi een huis te zijn / voor het enige hart / dat je niet wil achterlaten

Het is mooi een ladder te zijn / voor kinderen / die op een sombere dag / naar de zon willen klimmen

Het is mooi een deur te zijn / zachtjes knarsend maar toch opengaand / voor wie al wil binnengaan

En een raam / waarin het licht niet dooft / voor wie al denkt: / het is al laat.

1988, Vjatsleslav Koeprijanov (1939), Rus

Uit: De voelhorens van de aarde, De Lantaarn & De Slavische Stichting, Leiden, 1988, vertaling Miriam van Hee

Liefde: De legende van Hadji Baba

De legende van Hadji Baba

the_adventures_of_hajji_baba__72259-1395924552-1280-1280

De man Hadji Baba was zijn hele leven verliefd. Men zegt van hem / dat hij liefhad en liefhad. De ene vrouw na de andere. De vrouwen / vergaven Hadji Baba alles.

Hadji Baba leefde lang. Als hij in de tuinen zat, / op hoge leeftijd al, zeiden alle vrouwen van de stam: / Kijk daar, Hadji Baba. Dat is Hadji Baba. Altijd verliefd./ Hadji Baba.

En Hadji Baba was gelukkig met zijn lot. Ja, zelfs op zijn oude dag / placht hij te glimlachen in zijn baard. Het is haast niet te geloven. / In feite verraste hij iedereen. Hoe is het mogelijk? vroegen de oude / mannen verwonderd en schudden het hoofd. Maar het is een feit. / Zelfs de brutaalste jongelui durfden het niet te ontkennen.

Hadji Baba, fluisterden de vrouwen ’s nachts in hun bed, / terwijl de wind trompetterde in de wildernis. Hadji Baba, terwijl de jakhalzen / rondrenden met hun staarten omhoog naar de sterren.

Hadji Baba. Men zegt dat hij liefhad en liefhad. / Als de hoogbejaarde grijsaards die zich hem herinneren zijn naam noemen, / zuchten ze diep.

1988, Nathan Zach (1930)

Nathan Zach, geboren in Berlijn, verhuisde in 1936 naar wat toen Palestina was. Publiceerde in 1955 zijn eerste bundel gedichten Shirim Rishonim. Vertaalde veel Duitse toneelstukken naar het Hebreeuws.

De legende van Hadji Baba is uit: Aan de oever der wijde zee, Meulenhoff, Amsterdam, 1988, vertaling Tamir Herzberg