De (on)regelmatige dosis Nabokov: lente in Fialta

Lente in Fialta is een kort verhaal. Het beschrijft de ontmoeting met Nina, die de rode draad is in deze geschiedenis. Nina is de vrouw waar de verteller zich toe aangetrokken voelt. Die gevoelens zijn wederzijds. Maar van een echte duurzame en bestendige relatie komt niets terecht. Het blijven ontmoetingen.

Waar de verteller zich beperkt tot die ene relatie, hopt Nina van de één naar de ander. En nu de verteller, waarin we de meester zelf herkennen, aan het woord:

En met iedere ontmoeting groeide mijn vrees; neen – ik maakte geen innerlijke emotionele ineenstorting door, geen schaduw  van een tragedie spookte door ons feestelijk samenzijn, mijn huwelijksleven bleef onaangetast terwijl anderzijds haar echtgenoot, ruim van opvatting, haar terloopse affaires negeerde hoewel hij ervan profiteerde door aangename en nuttige relaties. Ik werd bevreesd omdat iets moois, teers en onherhaalbaars werd verkwist, iets dat ik misbruikte door er in grove haast armzalige glanzende stukjes af te rukken en de bescheiden maar ware kern te verwaarlozen, die mij wellicht steeds weer op meelijwekkende fluistertoon werd aangeboden. Ik was bevreesd omdat ik, op de lange duur, op een of andere manier Nina’s leven accepteerde, de leugens, de futiliteit, het gebrabbel van dat leven. Hoewel er geen sprake was van enige gevoelsdisharmonie, voelde ik mij verplicht te zoeken naar een rationele, zo niet morele, interpretatie van mijn bestaan, en dit betekende dat ik moest kiezen tussen de wereld temidden waarvan ik zat voor mijn portret, met mijn vrouw, mijn dochtertjes, mijn doberman-pincher (idylliische guirlanden, een zegelring, een slanke wandelstok), tussen die gelukkige, verstandige en goede wereld… en wat? Bestond er een praktische mogelijkheid voor een leven samen met Nina, een leven dat ik mij haast niet kon voorstellen omdat het, dat wist ik, vol zou zijn van een hartstochtelijke, ondraaglijke bitterheid en ieder ogenblik in dat leven zich bewust zou zijn van een verleden vol onbestendige partners.

Uit: Lente in Fialta, Bezige Bij Amsterdam, 1981; vertaling M. Coutinho

Is deze geschiedenis waar gebeurd? In het verhaal speelt een Frans-Hongaarse schrijver een rol. Hij is de min of meer vaste relatie van Nina. Schrijver van het korte verhaal (Nabokov, dus) geeft een mooi portret van de Franse Hongaar waarin hij natuurlijk niet gespaard wordt. ‘Deze schrale, arrogante, valse snaak, die steeds een vergiftigde woordspeling op het puntje van zijn agressieve gespleten trillende tong had.’ ‘Een woordenwever.’ Uiteindelijk doet het de jaloerse verteller dwingen tot de volgende bekentenis:

… ik persoonlijk heb nooit kunnen begrijpen, wat het voor nut heeft, boeken te bedenken, dingen neer te pennen die niet op een of andere wijze echt zijn gebeurd; en ik herinner mij dat ik eens, de spotternij van zijn aanmoedigend knikken trotserend, tegen hem zei dat ik als ik zelf schrijver was, slechts mijn hart fantasie zou toestaan en voor de rest zou steunen op mijn geheugen, die langgerekte zonsondergangschaduw van je persoonlijke waarheid.

Het is Nabokov die we hier aan het woord hebben…

nabokov, newyorker.combron foto: newyorker.com

Vladimir Nabokov (1899-1977, Sint Petersburg, Rusland)

Zuiderent: tot de verbeelding sprekend

Tot de verbeelding sprekend

De nacht heb ik aan tafel doorgebracht, / nogal van slag, gewacht, gedacht, geen prachtig rijm / voorzag mij van voldoende zachtheid. Langer / liet het glas zich niet vullen, omdat ik als bevroren / niet te slapen zat in zwak lamplicht.

Loste lawaai van auto’s op in het donker, / sloegen deuren dicht, dacht ik het ganglicht te horen. / Maar doof voor wat zich buiten mij bevond / zag ik de deur niet opengaan. Jouw vormen / zaten ijskoud in mijn hoofd: ik zat aan tafel zonder.

Totdat de ochtend zich in langzaam grijs / achter het glas ontdooide, beweging / zonder breuk. Als ik het niet gedacht heb, / heb ik het gedicht. Misschien betekende het niets / en stond jij niet te schudden aan mijn schouder.

Uit: Geheugen voor landschap, Arbeiderspers Amsterdam, 1979

phidas.nl, zuiderent, adbron foto: stichtingphidas.nl

Ad Zuiderent (1944, ‘s-Gravendeel)

Zuiderent: Holland, ze zeggen…

Holland, ze zeggen…

De grond was dras. Wij zongen van / het puike gras. Wisten wij veel. / Eén eiland verder lag de Biesbosch

als bewijs. Slikken en gorzen / waren dichterbij. Ik kwam er nooit. / ‘k Zat in de klas, bezong een land / dat bijna onder water lag.

Mijn broer ging wel bij eb door kreken. / ‘k Geloofde niets van zijn verhaal. / Wind in het riet? Dat was mijn lied.

Mijn laarzen kwamen pas van pas, / toen er geen land, geen malse wei, / alleen maar water was. In huis. / Weken daarna nog lag er slik.

Zo mooi, dat land? Het einde van het lied. / De polder was verboden, de school / bleef dicht, ik bang, gezang verstomd.

zuiderent, literatuurplein.nlbron foto: literatuurplein.nl

Ad Zuiderent (1944)

Uit: Op het droge, Arbeiderspers Amsterdam, 1988

De (onregelmatige) dosis Nabokov

Uit: Bachmann

Bachmann liep altijd met snelle passen het toneel op, alsof hij ontsnapte aan een vijand – of gewoon aan opdringerige handen. Hij negeerde het publiek en haastte zich naar de piano. Dan boog hij zich over de ronde kruk en begon met tedere zorg aan de schijfvormige, houten zitting te draaien, om die tot op de millimeter nauwkeurig in de gewenste stand te brengen. Daarbij deed hij zacht en ernstig in drie talen een beroep op de kruk, onafgebroken zoete woordjes prevelend. Zo bleef hij een hele poos bezig. In Engeland was het publiek geroerd, in Frankrijk geamuseerd, in Duitsland geërgerd. Had Bachmann de juiste hoogte eenmaal gevonden, dan gaf hij de kruk een liefkozend tikje en ging zitten, met de zolen van zijn oude lakschoenen de pedalen zoekend. Vervolgens haalde hij een enorme, groezelige zakdoek te voorschijn, wiste daar heel zorgvuldig zijn handen mee af en inspecteerde onderwijl met een ondeugende en tegelijk timide glinstering in zijn ogen de voorste rij. Ten slotte bracht hij heel zacht zijn handen naar de toetsen. Maar plotseling begon er dan onder zijn ene oog een getergd spiertje te trekken en, klakkend met zijn tong, klom Bachmann weer van zijn kruk om nogmaals aan de zoetjes knerpende schijf te draaien.

Het is een beeldende beschrijving van een situatie (concertgebouw, pianist komt op, de zaal in afwachting en spanning), maar evenzeer een typering van een karakter. De pianist in kwestie voelt zich niet senang op het podium. Negeert het publiek en zoekt zijn heil in het detail dat goed moet zijn voor hij aan de slag kan. Woordjes prevelend om de situatie (podiumvrees?) te meesteren. Dan is er de groezelige zakdoek en zijn er de oude lakschoenen, ook hier: show don’t tell. Als lezer snap je dat hier een virtuoos met een tic opereert.

Bachmann weet dat zijn doen en laten effect heeft op zijn publiek: de ondeugende en tegelijk timide glinstering in zijn ogen getuigen daarvan.

Als lezer voel je de spanning en dan komt het: op het moment dat er gespeeld kan gaan worden, is er het trekkende oogspiertje, de klakkende tong en keren we terug naar het krukjes-ritueel. Nabokov speelt met mij als lezer een mooi spel: verwachting, spanning en de vraag: hoe gaat dit verder? Ondertussen leren we ook nog iets over het karakter van 1 van de hoofdpersonages in dit verhaal. Nabokov bedient mijn leeslust.

In dit verhaal voert Nabokov een verteller op, die ons bijpraat, terwijl de schrijver zelf ontbrekende informatie verschaft. Pianist Bachmann is een excentriekeling en onaangepast. In dit verhaal brengt Nabokov twee excentrieke figuren samen want het verhaal gaat over de pianist Bachmann en 1 van zijn bewonderaars, mevrouw Perov. Beiden onaangepast en dus tot elkaar veroordeeld. Bachmann heeft de zorg van mevrouw Perov nodig om zijn angsten te bezweren en om de nodige stabiliteit in zijn leven te verwerven. Dat het verhaal toch geen goed eind heeft, ligt in de lijn der ontwikkelingen. Maar de weg naar dat eind, is een lezenswaardige en toont waarom Nabokov een meester is. In de ruim 10 pagina’s die het korte verhaal beslaat, krijgen we een spannend, realistisch, karaktervol, kleurrijk, muzikaal en overtuigend verhaal voorgeschoteld. En zoals veel bij de Russisch-Amerikaanse schrijver heeft ook dit verhaal een link naar de werkelijkheid.

de pachmann, wikipedia.org

Het verhaal gaat dat Nabokov Bachmann heeft geschapen naar het voorbeeld van de Russisch-Duitse pianist Vladimir de Pachmann (1848 – 1933). Deze virtuoze vertolker van de werken van Chopin,  kende Liszt als 1 van zijn bewonderaars. Van De Pachmann was bekend dat hij last had van podiumvrees. Dat uitte zich in gepruts aan piano en kruk en het flirten met het publiek.

 

bron foto De Pachmann, wikipedia.org

De (onregelmatige) dosis Nabokov

Vladimir_Nabokov_guiseppe pino, calvertjournal

foto: Guiseppe Pino; bron foto: calvertjournal.com

Vladimir Nabokov (1899-1977) beweegt mij tot (glim)lachen. Ik houd van zijn verhalen en van zijn romans. Hij heeft er veel geschreven, dus ik kan even vooruit met lezen (en glimlachen). In het verhaal Hier spreekt men Russisch deelt een Russisch gezin een geheim. Het gezin heeft een KGB-er gevangen genomen; in de badkamer opgesloten en levenslang gegeven. Hoe dat zo kwam? U kunt het boek van me lenen en anders zie de bronvermelding.

Bijna alles aan wat Nabokov heeft opgeschreven is opmerkelijk, soms magnifiek en vaak van de buitencategorie. Bijvoorbeeld in dit verhaal de introductie van wat hoofdpersonages.

(…) De ziel van de mens zou men kunnen vergelijken met een warenhuis dat twee etages heeft – de ogen. Te oordelen naar de ogen van Martyn Matrynytsj waren warme, bruine tinten in de mode; te oordelen naar zijn ogen was de koopwaar in zijn ziel van uitstekende kwaliteit. En wat een dichte baard, schitterend door het krachtige Russische grijs. En dan die schouders, zijn postuur, zijn manier van doen… Vroeger werd er van hem gezegd dat hij met een sabel een doek kon doorklieven: het wapenfeit van Richard Leeuwenhart! Nu zeggen zijn emigrantenvrienden vol jaloezie van hem: ‘Hij is nog altijd even jeugdig!’

Zijn vrouw was een mollig, lief oudje met een wrat bij haar linkerneusvleugel. Sinds de harde tijden van de Revolutie had ze in haar gezicht een ontroerende tic: haar ene oog draaide telkens weg naar de hemel. Petja had dezelfde robuuste lichaamsbouw als zijn vader. Zijn zachte somberheid en onverwachte humor bevielen me. Hij had een groot, week gezicht, waarvan zijn vader altijd zei: ‘Zo’n kop kan je niet over het hoofd zien’, en rossig-blond haar dat altijd in de war zat. Petja bezat in een stil deel van de stad een klein bioscoopje, dat slechts bescheiden inkomsten opleverde. Dat was het hele gezin.

Uit: Hier spreekt men Russisch; uit Verhalen 1; Bezige Bij Amsterdam; 1996; vertalingen Yolanda Bloemen, Anneke Brassinga, Peter Verstegen en Marja Wiebes

Middellandse Zee: Nice

nice

bron foto: Wikipedia.org

Nice

Met een muts van sneeuw op / kijken de bergen naar het onderland / waar de zon woont en de mensen / pootjebaden in het licht.

Nice is een klein Parijs dat zich het stof / heeft afgeblazen en verguldsel opgelegd. / Rennende automobielen / scheuren de lucht; veelvervige dames / bezoedelen de kroon des ouderdoms. / Achter hotelramen voert de rijkdom / haar koude oorlog met de verveling / of doet in de familiekring / haar vuile was.

Ook aan de havenkant / valt niemand te pletter / in zijn innerlijke leegte. / Het kroegvolk is zo vastgekleefd / in baarden en broeken dat ten einde raad / de wanhoop het afweten laat.

Maurits Mok (1907 – 1989)

Uit: Nachtblauw, BZZTôH Den Haag, 1987 

Dood: twelve songs IX

hond met bot

Twelve songs IX

Stop alle klokken, maak de telefoon kapot, / Belet de hond te blaffen met een lekker bot, / Leg de piano’s het zwijgen op en breng met stille trom / De kist naar buiten, dat de rouwstoet komt.

Laat vliegtuigen cirkelen kermend boven ons hoofd / En in de lucht de boodschap kerven Hij is dood, / Knoop elke stadsduif crêpe strikken om de witte kraag, / Dat de verkeerspolitie zwartkatoenen handschoenen draagt.

Hij was mijn noord, mijn zuid, mijn oost en west, / Mijn werkweek en mijn zondagsrust, / Mijn dag, mijn nacht, mijn woord, mijn lied: / Ik dacht dat liefde eeuwig was: zo is het niet.

De sterren zijn niet welkom nu: doof ze terstond, / Omwikkel de maan en ontmantel de zon; / Giet oceanen leeg de veeg de bossen schoon, / Want er is niets meer nu waar ooit nog iets van komt.

Wystan Hugh Auden (1907 – 1973), Amerikaans

Ongepubliceerd, vertaling Koen Stassijns

Tom van Deel: de wolk

De wolk

Wat zijn wolken bedrijvig, ze groeien / tot kool en sterven in stralend blauw / waaruit ze altijd weer op kunnen staan. / Ze vergaderen rond toppen van bergen, / vervluchtigen boven het dal, niet vast / ligt wat ze zeggen, ze zijn met zo / velen en hangen te wisselend samen. De / mooiste wolk is alleen in een lucht – / en een wind waait hem over de aarde.

tomvandeel

Tom van Deel (1945)

Uit: Gedichten 1969 – 1988, Querido Amsterdam, 1988