Maarten Biesheuvel belt met zijn dode moeder

biesheuvel trouw.nlbron beeld: trouw.nl

In de wereld die Maarten Biesheuvel (1939-2020) beschrijft in zijn korte verhalen, is alles mogelijk. Ook bellen met je dode moeder. Zelf ben ik mijn 97-jarige moeder meer dan een jaar geleden verloren. Het verhaal raakte me vooral bij het idee dat het mogelijk is contact te hebben met je dode moeder.

Vijftien augustus, vandaag is moeder precies vier jaar dood, nu mag ik haar opbellen. Ik nam de telefoon van de haak en draaide het nummer. Met de beheerder van de begraafplaats Schiedam, zei een stem. Mag ik mijn moeder spreken? vroeg ik, toestel 1545. Een ogenblik, zei de man, ik hoorde iemand met papieren ritselen en vervolgens mompelde de man: Het is inderdaad vier jaar geleden, ik verbind u door. Er was wat gekraak in de lijn en toen kwam de hese stem van mijn moeder door. Hallo? vroeg ze, wie is daar? Buiten zong de nachtegaal. Ik ben het, uw zoon Maarten, zei ik met van ontroering verstikte stem, hoe gaat het met u, moeder? Ben jij het? vroeg ze, ik wist wel dat jij het eerst zou bellen. Hoe is het om dood te zijn? vroeg ik. Je ligt maar, zei ze, het is donker, je wisselt klopsignalen met andere doden uit. Af en toe valt er een druppel water van de deksel op mijn ogen. Ik denk na over het leven. Hoe lang zou het zo nog doorgaan? Maar waar wacht u dan op? vroeg ik verbaasd. Dat weet jij heel goed, zei ze, je doet wel net of je het niet weet, maar in je hart ben je wel wijzer. Tja, mompelde ik, nu ja. Ik neurie een psalm en ik dommel, ging ze door, ik droom, het is donker maar bang ben ik niet. Ben je al eens op mijn graf geweest om rozen te brengen? Nee, zei ik beschaamd, maar morgen ga ik het beslist doen. Het is fijn als er nog eens aan je gedacht wordt, zei ze, maar nu hang ik op, ik ben moe. Doe je best. Ja moeder, zei ik, ik heb lang gereisd maar nu ga ik weer schrijven. Adieu en vaarwel. Je naaste liefhebben, je niet aanstellen en nooit jaloers zijn, daar draait het om, zei ze tenslotte, ze kuchte en hing op.

uit: merel; uit: Duizend vlinders – Maarten Biesheuvel, Meulenhoff Amsterdam, 1981

Munro: het moederlijke verraad

munro; rtve.esbron beeld: rtve.es

Een opgroeiend meisje, een puber, verhaalt over haar eerste seksuele ervaringen met het andere geslacht in Levens van meisjes en vrouwen. Een kort verhaal uit de gelijknamige bundel verhalen van schrijfster Alice Munro (1931) die mij zonder moeite meeneemt in haar realistische verhalen waarvan je denkt (en verwacht) dat ze gebaseerd zijn op ware gebeurtenissen.

Maar eerst komt de verhouding van de hoofdpersoon met haar moeder aan de orde:

Dat ze over mijn kinderen sprak verbaasde me ook, want ik was niet van plan kinderen te krijgen. Ik was op glorie uit wanneer ik als een banneling of een spion door de straten van Jubilee liep, zonder te weten uit welke hoek die roem zou komen, er alleen in mijn hele wezen van overtuigd dat het zou gebeuren. Mijn moeder had deze overtuiging ooit gedeeld, ze was mijn bondgenoot geweest, maar nu besprak ik het niet meer met haar, want ze praatte haar mond voorbij en haar verwachtingen waren te concreet geworden.

uit: levens van meisjes en vrouwen – Alice Munro, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

Leavitt: Moeder en zoon overwinnen de zwaartekracht

leavitt_by_anthony_rue, vqronline.orgfoto: Georges rue; bron beeld: vqronline.org

Het korte verhaal Zwaartekracht van de Amerikaanse schrijver David Leavitt handelt over de relatie tussen een chronisch zieke zoon (Theo) en zijn licht dementerende moeder (Sylvia). Van de moeder zien we vooral het zorgende karakter. Van de zoon de wil te overleven. De handeling in het verhaal is een simpele: er gaat iemand trouwen en daarvoor moet een cadeau gekocht worden. Het wordt een grote breekbare vaas. De zoon ziet nauwelijks maar krijgt op enig moment de vaas van zijn moeder toegeworpen.

‘Naar huis, ‘ zei Theo.’Het is haast tijd voor mijn medicijn.’

‘Echt? O. Nou, goed.’ Ze deed haar gordel om, stak het sleuteltje in het contact en bleef zo zitten.

Heel even, maar wel waarneembaar, brak er iets in haar gezicht. Ze kneep haar ogen zo stijf dicht dat de blauwe schaduw op de leden barstte.

Vrijwel even snel had ze zich hersteld en reden ze weg. ‘Het wordt warmer,’ zei Sylvia. ‘Zal ik de ventilator aanzetten?’

‘Best,’ zei Theo. Hij dacht aan de vaas, of eigenlijk meer aan het verrassende gewicht ervan, hoe dat zijn handen omlaag had getrokken. Al een tijdje nu maakte hij zich ongerust over zijn moeder, ongerust over de schade die zijn ziekte misschien wel heimelijk bij haar aanrichtte en die ze natuurlijk nooit zou erkennen. Oppervlakkig gezien leek er niets aan de hand. Ze grillde nog altijd elke avond een kipfiletje voor zichzelf, zwom nog altijd tweeëneenhalve kilometer per dag, bewaarde nog altijd gebruikte theebuiltjes in folie in de koelkast. Maar ook had ze hem een keer ’s nachts om een uur of drie wakker gemaakt om te zeggen dat ze naar de dag-en-nacht-supermakt ging, en of hij nog iets nodig had. En dan was er die cadeauwinkel: Ze had hem die vaas letterljk toegeworpen, toegeworpen als een bal, en terwijl die grote schittering en bron van potentiële wroeging op hem af gezeild kwam, was het door zijn hoofd gegaan dat zij uit alle handen van de wereld op die twee zwakke van hem vertrouwde om ervoor te zorgen dat hij niet aan diggelen ging. Wat probeerde ze op de proef te stellen? Was het zijn pas weer verworven gezichtsvermogen? Was het de zekerheid dat hij er was, levend en wel, dat hij nog niet was ontglipt aan al haar zorg, een verloren jongetje met een bril bezet met namaakdiamantjes? Er zijn dingen die je al gedaan hebt voordat je er zelfs maar over nagedacht hebt hoe – een kind dat je voor een auto vandaan trekt bijvoorbeeld, of die vaas, die Theo al vasthad zelfs voor hij ook maar kon beginnen de korte baan ervan te berekenen. Zijn armen waren erdoor omlaaggetrokken, en uit die aapachtige houding had hij zijn moeder aangekeken, die breed lachte, alsof hij haar in de oorlog tussen zwaarte en verbrijzeling zo juist aan een kleine maar opbeurende overwinning had geholpen.

uit: zwaartekracht; uit: Waar ik nooit geweest ben, De harmonie Amsterdam, 1990; vertaling Rien Verhoef

David Leavitt (1961, Pittsburgh, USA)

Via Dostojevski de Russische ziel begrijpen, lukt dat?

fjodor-dostojevski; tradita.orgbron beeld: tradita.org

Een poging om de Russische ziel te begrijpen: men leze Dostojevski. Dat was het advies van ex-Rusland correspondent Peter D’Hamecourt. In de begindagen van de Oekraïne-crisis is alles welkom om te begrijpen waarom Rusland (in casu Poetin en zijn directe omgeving) het buurland binnenvalt. In de boekenkast trok De verstotene (Netotsjka Nezvanovna) de aandacht. In mijn hoofd zou dit boek wel eens kunnen verklaren wat er in dat misdadige hoofd rondspookt. Een minderwaardigheidsgevoel; niet serieus worden genomen; overal buiten gehouden, verstoten?

De verstotene (1849) is het relaas van een jong meisje dat haar moeizame relatie met haar ouders probeert te duiden. Haar (stief)vader die als musicus niet geslaagd is. Haar moeder die niet van haar houdt. Haar ouders hebben vaak woordenwisselingen. Als kind staat zij erbij en kijkt ernaar. Concludeert:

Toen ontstond in mij iets als een grenzeloze liefde voor mijn vader, maar een wonderlijk soort liefde, alsof het helemaal niet van een kind was. Ik zou zeggen dat het veel eerder iets als een gevoel van medelijden, als een moederlijk gevoel was, als zo’n omschrijving van mijn liefde niet een beetje belachelijk klinkt voor een kind. Mijn vader leek me altijd zo’n zielige man, zo’n aan vervolging blootgestelde man, zo’n vertrapte man, zo’n gefolterd man, dat het voor mij iets vreselijks, iets onnatuurlijks was om niet grenzeloos veel van hem te houden, hem niet te troosten, hem niet te liefkozen, hem niet zoveel ik kon met liefderijke zorg te omringen.

Maar tot op deze dag begrijp ik niet waarom ik eigenlijk op die gedachte kon komen dat mijn vader zo’n gefolterd man zou zijn, zo’n ongelukkig mens! Wie fluisterde me dat in? Hoe kon ik, een kind, maar iets begrijpen van zijn persoonlijke tegenslagen? Ik begreep ze toch, zij het dan op mijn manier, na alles in mijn brein te hebben omgewerkt in mij vertrouwde begrippen. Maar tot op de dag van vandaag kan ik me niet voorstellen hoe zo’n indruk zich in mij heeft knnen vormen. Misschien was moeder wel wat te streng tegen me, en ben ik aan mijn vader gaan hechten als een wezen dat – in mijn ogen – tegelijk met mij, eensgezind, te lijden had.

uit: de verstotene, L.J. Veen Utrecht, 1996; vertal;ing D.P. Peet

Fjodor Dostojevski (1821-1881, Moskou, Rus)

En dan nog dit over Dostojevski:

Dostojevski was slavofiel, dat wil zeggen hij propageerde de opvatting dat ‘ons grote Rusland, aan het hoofd van de verenigde Slaven, aan de hele wereld, aan de hele Europese mensheid en zijn beschaving zijn eigen, gezonde en door de wereld nog niet gehoorde woord zal spreken. Dat woord zal worden gesproken tot heil en waarlijk tot vereniging van de hele mensheid in een nieuw, broederlijk wereldverbond, waarvan de beginselen vervat zijn in het genie der Slaven, en vooral in de geest van het grote Russische volk, dat zo lang geleden heeft en zoveel eeuwen tot zwijgen veroordeeld is geweest, maar altijd grote krachten in zich gehad heeft voor de toekomstige verklaring en oplossing van de vele bittere en allernoodlottigste misverstanden van de Europese beschaving.’

Opmerkelijk is hier – zoals wel vaker in dergelijke gevallen, men denke aan de marxistische ‘ontwikkelingswetten der maatschappij’ – dat geen der slavofielen, Dostojevski niet uitgezonderd, ooit de moeite heeft genomen om dat toch wel buitengewoon belangrijke en heilzame ‘woord’ te formuleren. De ‘Europese beschaving’ wacht nog steeds op dat woord. Men schijnt nooit te hebben stilgestaan bij het merkwaardige feit dat men geloofde in een bewering, waarvan men zelf niet wist hoe die luidde.

uit: geschiedenis van de Russische literatuur, Karel van het Reve, Van Oorschot Amsterdam, 2014

Duras’ De Minnaar: verpletterend en alomvattend

Marguerite-Duras-independent.co.ukbron beeld: independent.co.uk

Wat een boek! De minnaar van de Franse schrijfster Marguerite Duras is een alomvattend, tijdloos en verpletterend boek. Gelaagd en van veel markten thuis. Het is een liefdesgeschiedenis want het pubermeisje dat hoofdrolspeelster is, verhoudt zich op allerlei liefdevolle manieren tot de haar omringende wereld. De wereld van een traumatische moeder, een afwezige vader, een oudere broer die het kwaad in zich draagt en een jongere broertje die in alle onschuld te vroeg overlijdt. Dan is er de liefde van een oudere, rijke man en een oorlog die op de achtergrond speelt. Je zou het boek ook symbolisch kunnen opvatten als een metafoor voor hoe de koloniale macht Frankrijk zich tot Indochina verhoudt. In korte puntige alinea’s komen de waarheden voorbij. De waarheden die het leven van het hoofdpersonage bepalen.

Hoe je als meisje/vrouw altijd te maken hebt met hoe er naar je gekeken wordt:

Je wordt gezien, daarom kun je niet kijken. Kijken betekent dat je een moment benieuwd bent naar, omtrent, dat is je begeven op een hellend vlak. Geen enkel mens is de blik waard die op hem is gevestigd. De blik is altijd onterend.

Over hoe je de oorlog kunt koppelen aan hoe je je oudere broer ervaart:

Ik zie de oorlog in hetzelfde licht als mijn kinderjaren. Ik haal de oorlogstijd en de tijd dat mijn oudere broer aan de macht was, door elkaar. Waarschijnlijk ook omdat mijn kleine broertje in de oorlog is gestorven: het hart, zoals ik al had gezegd, had het begeven, het opgegeven. Ik geloof  inderdaad dat ik mijn oudste broer nooit gezien heb in de oorlog. Het kon me al niet meer schelen of hij leefde of dood was. Ik zie de oorlog zoals hij was, zich overal verbreiden, overal binnendringen, stelen, gevangennemen, overal tegenwoordig zijn, met alles vermengd, verweven, aanwezig in het lichaam, in het denken, in het wakker zijn, in de slaap, bezeten van de dronken makende hartstocht het lieflijke grondgebied te bezetten dat voor hem  het lichaam van het kind is, het lichaam van degenen die minder sterk zijn, van de overwonnen volkeren, en omdat daar het kwaad is, aan de poorten, tegen de huid.

Over de rol van haar moeder, die getraumatiseerd is door wat haar is overkomen (man overleden/weg, alleen met de kinderen achtergebleven) en toch door moet in het leven:

Aan de hand van die neiging van haar om tot het uiterste te gaan zonder dat de gedachte ooit bij haar opkomt dat ze er de brui aan zou kunnen geven, de plichten zou kunnen laten voor wat ze zijn? Ik geloof van wel. In die absurde dapperheid van dit soort mensen herken ik de diepe genade.

En tenslotte, over de liefde voor haar kleine broertje:

Bij het kleine broertje was het een onsterfelijkheid zonder onvolkomenheid, zonder legende, zonder toevalligheid, een zuivere, gave onsterfelijkheid. Het kleine broertje was geen roepende in de woestijn, hij had niets te zeggen, elders of juist hier, niets. Hij had niets geleerd, hij was er nooit in geslaagd wat dan ook te leren. Hij kon niet praten, nauwelijks lezen, nauwelijks schrijven, soms leek het of hij niet begreep en die bang was.

De uitzinnige liefde die ik hem toedraag blijft een onpeilbaar mysterie voor me. Ik weet niet waarom mijn liefde voor hem zo groot was dat ik wilde doodgaan om zijn dood. Toen het gebeurde was ik al tien jaar van hem gescheiden en ik dacht maar zelden aan hem. Ik zou, leek het, altijd van hem blijven houden en er was niets dat die liefde kon veranderen. Ik had buiten de dood gerekend.

fragmenten uit; de minaar, Arbeiderspers Amsterdam, 1985; vertaling Marianne Kaas

Marguerite Duras (1914-1996, Gia Djnh, Vietnam)

 

Van Deense moeders en dochters – Helle Helle’s veerboot

Helle Helle (Olsen) is de naam van een Deense schrijfster. Ik vond haar roman De veerboot. Hoofdpersonen zijn de zussen Jane en Tine. Ze wonen in Rødbyhavn en werken als parfumverkoopsters op de veerboot van het Deense Rødby naar het Duitse Puttgarden. Dat Duitse Puttgarden ken ik want ik verbracht op het eiland Fehmarn ooit eens een vakantie. Puttgarden ligt op dat eiland.

Helle Helle beschrijft het leven van de twee zussen in de Deense provincie. Mannen komen hun leven binnen en vertrekken weer, op dezelfe manier als dat het geval was voor hun moeder, en voor haar moeder.

Tine had altijd veel voor me geregeld. Ze zei dat het de schuld van haar moeder was. Moeder had haar, vanaf het moment dat ik geboren was, gedwongen om voor mij te zorgen. Ze moest me verschonen en in bed stoppen en voor me zingen tot ze er keelpijn van kreeg. Als ze klaagde, zei moeder: ‘Onzin, neem maar een boterham met jam.’ Toen ik ouder werd, moest Tine me elke dag naar school brengen en huiswerk met me maken. Ze had mijn schoolrapport altijd als bewijsmateriaal gebruikt: ‘Kijk zelf maar, ik heb ook zelf het commentaar erbij geschreven,’ zei ze een keer tegen moeder.

‘Je bleef doorzeuren tot het van mij mocht,’ zei moeder.

‘Jane deed het eerst niet zo goed, maar nu gaat het uitstekend.’

‘Je bleef maar doorzeuren, zeg ik toch.’

‘Ja, ja, ja, ja,’ zei Tine met een schittering in haar ogen.

Met dat schitteren van haar ogen regelde Tine ook een aantal dingen. (dochter) Ditte was er een direct gevolg van, en Tine had haar helemaal gepland. Ze was vierentwintig toen ze zwanger werd. Dittes vader was een goedgebouwde IJslandse elektricien. Hij was op doorreis en zou in Rødbyhavn overnachten. Het hotel was een dooie boel, dus ging hij de stad in en kwam Tine tegen. De volgende dag vertrok hij en Tine had geen idee waar hij nu was, en ze wist ook niet meer hoe hij heette. Ze dacht Kádur of Kálif, maar dat klopte vast niet.

uit: de veerboot, Contact Amsterdam, 2007; vertaling Kor de Vries

Helle helle;bron beeld: kultuuritarbija60.blogspot.com

Helle Helle (1965, Nakskov, Dk)

Nomaden: je kind opvoeden

kalahari-sanbron beeld: africageographic.com

Een tijdelijk onderkomen, nauwelijks bezittingen en vaak in gezelschap van de huisdieren. En voortdurend onderweg. Dat is de nomade; dat zijn de nomaden. Op tal van plekken op onze aardbol komen ze nog voor. Maar steeds minder en steeds moeizamer is het gehoor te geven aan die rusteloosheid. In Voetstappen in de wind laten Anthony Swift en An Perry nomadenvolken aan het woord.

Nomaden reizen veeleer in hun territorium dan er doorheen. Hun medium is de ruimte en niet de tijd.

In het zuiden van Afrika worden baby’s van de Kalahari-San eerst duizenden kilometers gedragen, gewoonlijk in een draagdoek op de heup van hun moeder, voor zij zelf hun eerste pasjes zetten. Baby’s en peuters worden zo, tot ze drie jaar oud zijn, door hun moeder meegenomen terwijl zij naar voedsel zoekt. Op de momenten dat het kind de wereld scherp observeert, is zij in volle actie en kan toch alle geluiden, beelden en geuren in zich opnemen. Terwijl de groep verder trekt, benoemen de moeder en de anderen alles wat ze zien, horen en ruiken. Zo kan het kind tegelijk genieten van de warmte en het ritme van het lichaam van de moeder, het gezelschap van de andere leden van de groep en het zich ontvouwende landschap.

Uit: Voetstappen in de wind, Swift en Perry, Schuyt & Co Haarlem, 2001

kalahari-san2bron beeld: artofsafari.travel

Dicht de dag

Vader van de paarden

Ik ken je. Nu al ken ik je. Zoals niemand / je ooit zal kennen, zo ken ik je – de spleetjes / van je ogen, alsof je ze dicht knijpt tegen / het geweld van de westerzon – de ijzeren

kracht van je benen die geen paard ongetemd / zal laten, van je pezen, je tanden, je lach. / Je sleurt me mee op de tocht van je adem / en als ik niet kan volgen, zul je me dragen.

Nu al draag je me, kan ik rusten in je armen. / Je zult ons allen dragen, het vuur in je / blik zal ons warmen. Vader zul je zijn

van de paarden, van het volk van de vlakte. / Ik voel het. Nu al voel ik het. Hoe jij mijn vader / bent, meer dan ik ooit je moeder zal zijn.

Uit: De gevoelige plaat, P Leuven, 2013

Hilde_Pinnoo; wikimedia.commons.orgbron beeld: commons.wikimedia.org

Hilde Pinnoo (1962, Brussel)

Een vooravond zoals het hoort

Een vooravond zoals het hoort. / Binnen is het niet minder aangenaam / dan buiten. Ik denk aan weinig,

aan niets in het bijzonder.

Weer wordt het nu. Het is nu al bijna / geen vooravond meer. Spoedig is het

donker: dan doe ik mijn bureaulamp / aan. Geweest – veertien dagen / na de langste dag. Nog genoeg / blanco papier. Later word ik / dronken dan vroeger.

Uit: Verzamelde gedichten, Bezige Bij Amsterdam, 2000

favery, hans; pzc.nlbron beeld: pzc.nl

Hans Favery (1933-1990, Paramaribo, Suriname)

Hermine de Graaf: ‘Ligt het aan mij?’

de graaf, hermine; zeevlam

bron beeld: groene.nl

Hermine de Graaf (1951-2013) was een beloftevolle schrijfster. Studeerde Nederlands, gaf er les in en debuteerde in de 80-er jaren. Haar Een kaart niet het gebied, een verhalenbundel, won zelfs een literaire prijs.  De Graaf schreef vooral over meiden, jonge vrouwen, het gezin en de vertroebelde relatie tussen dochter en moeder, dochter en vader. Het lukte haar niet om een groot publiek te bereiken, hetgeen leidde tot een langdurige stilte rondom haar persoon en werk. Dat haar werk meer aandacht verdient, moge juist nu duidelijk zijn.

In De zeevlam volgen we het pubermeisje Katja dat bij haar grootvader opgroeit. Haar opa is streng maar rechtvaardig, beschermend en leert haar alles over het leven bij de zee en het wad.

Was het eerst zo helder dat je ’t eiland kon zien, nu volg ik verwonderd, de zeevlam, de plotseling binnen drijvende mist van de zee, ben er getuige van dat de warme, vochtige lucht van de duinen en het land over het koudere zeewater scheert. Ik voel de wind draaien, die oplandig wordt. En al weet ik dat de zeevlam niets anders is dan een laagje dunne bewolking, ’t zijn nu juist die snelle weersveranderingen die mij nerveus maken. Ik krijg dan het gevoel of het aan mij ligt, dat ik iets niet goed heb gedaan, al weet ik na al die jaren dat het onzin is.

Later in dit verhaal komt de zeevlam nog eens terug. Vriendin en vrienden gaan met haar het wad op. Zij gidst omdat ze stromingen en getij kent.

Aan de oppervlakte was mijn stemming in ieder geval uitbundig, ik moest denken aan de opwindingscyclus in acht fasen die een zekere Van Walen bedacht had. In seksualiteit zat een zelfde ritmiek als in de getijden van de zee.

Het gezelschap arriveert op een plaat waarvoor interesse bestond vanwege ‘de verborgen schatten’.

Toen we er aangekomen waren zocht Michael met de verrekijker de horizon af en Ernst plantte een stok op het hoogst gelegen gedeelte van de plaat, waarna hij zijn kleren uittrok. Dora hielp hem erbij, ze wrong zijn blouse uit en kneep in zijn wollen sokken.

‘Katja, net of ik een mast zag!’ zei Michael en gaf me de verrekijker.

De kleren van Ernst wapperden aan de stok en ze lagen samen in het zand er vlakbij in de bleke ochtendzon, die al warmte uitstraalde. Dora had haar rok uitgedaan en dat beviel me niet. Michael stroopte zijn trui over zijn hoofd en ik zag niet waarom ik hetzelfde zou moeten doen. ‘Niemand ziet je,’ zeiden ze, maar ik was er niet zeker van. Ze trokken aan mijn trui en sloegen helemaal niet vriendschappelijk hun armen om mij heen, toen ik tussen hen in viel. Ze roken vreemd en tijdens de worsteling was mijn kijker in het zand gevallen. Ik probeerde vertrouwde gedachten vast te houden, die ze je op de lagere school al leren. ‘De aarde is rond… eerst zie je het puntje van de mast… dan het vlaggetje… de mast… ’t zeil… het hele schip.’

Ik voelde hun handen op mijn kleren en ze zeiden: ‘Doe niet zo truttig.’

Uit: De zeevlam, Meulenhoff Asmterdam, 1985

Hermine de Graaf-Jonkers (1951-2013, Winschoten)