Wilfredo Lam schilderde modern met in achtneming van zijn roots

lam, wilfredo, cuba3lam, wilfredo, cuba5lam, wilfredo; cubaWilfredo Lam (1902-1982, Sauga la Grande, Cuba) was kind van een Chinese vader en een Afro-Cubaanse van Spaanse komaf. Na de kunstacademie in Havana won hij een studie in Madrid, Spanje. Van 1923 tot 1938 verbleef hij in Spanje tot zijn vertrek naar Parijs. Daar werd hij omarmd door de toenmalige kunstenaarselite, die het surrealisme en de niet-Europese cultuur stevig omarmde. Picasso en Bréton waren nogal belangstellend naar zijn culturele wortels, die toen al een belangrijke rol speelden in zijn kunst.

In 1940 sloeg Lam op de vlucht voor de Nazi’s en vertrok per boot terug naar Cuba. Terug in Cuba viel het hem op hoe dat land vocht tegen 400 jaar koloniale onderdrukking. Zijn doel werd toen: de pijn van het land tonen en de ziel van de zwarte man onderzoeken. In zijn beroemdste werk: La Jungla gebruikte hij kubistische elementen, gelaagdheid en mystieke maskers, verwijzend naar zijn Afro-Cubaanse roots.

Lam verliet Europa nadat hij kennis gemaakt had met: de vitaliteit van het Kubisme, de noodzakelijkheid van het Surrealisme en de fascinatie die Europese kunst had met Afrikaanse kunst.  Terug in Cuba ontwikkelde hij een stijl die het mogelijk maakte zijn Cubaanse identiteit te tonen met gebruikmaking van alle elementen die op dat eiland voorhanden waren. Dat waren vooral Afrikaanse elementen. Hij kon modern schilderen met in achtneming van zijn roots.

bron: MoMa

lam, wilfredo, cuba6lam, wilfredo; cuba2DOROTHEUM

Het Parijs van Gisèle Freund

freund gisele; parijsfreund gisele; parijs2freund gisele; parijs3

Gisèle Freund (1908-2000, Berlijn) geboren in Duitsland, vluchtte in 1933 naar Frankrijk om te ontkomen aan de Nazi’s. Ze was joods, socialiste en lesbisch en vreesde voor haar leven nadat een van haar vrienden was gearresteerd en vermoord. Freund hield van fotografie en maakte veel en vaak foto’s. Ze vestigde zich in Parijs, werd fotojournalist en werd geroemd om haar portretten.

In 1936 rondde ze haar opleidingen (sociologie en kunsten) af aan de Sorbonne. In 1947 sloot ze zich aan bij Magnum Photos, het internationale fotografencollectief. Met haar aansprekende portretten van avantgarde-kunstenaars als Simone de Beauvoir, Frida Kahlo, en André Malraux, vestigde ze haar naam in het toenmalige Frankrijk. Dat leidde tot opdrachten van onder andere Francois Mitterand. Het leverde haar ook de titel Chevalier de la Légion d’honneur op, Frankrijks hoogste onderscheiding.

bron: blogs.getty.edu

freund gisele; parijs4freund gisele; parijs5freund gisele; parijs6

Franz Fühmann en de persoonlijke verantwoordelijkheid in oorlogstijd

fuhmann, franz; welt.debron foto: welt.de

Schrijver Franz Fühmann (1922-1984, Tsjechië) was overtuigd nationaal-socialist, diende in het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd krijgsgevangen gemaakt door de Russen en eindigde als socialist. Na de oorlog vestigde hij zich in Oost-Berlijn en ging schrijven. In dat schrijven ging het veel en vaak over de periode van Nazi-Duitsland en de eigen verantwoordelijkheid in die tijd.

Ik las de verhalenbundel De katachtige wilden wij verbranden. In het verhaal Kameraden gaat het over drie jonge nazi’s in opleiding, die gehard en gestaald worden om tenslotte ten strijde te trekken (tegen de Russen). De drie blinken uit in hun schietvaardigheid en ontvangen daardoor voorrechten. Tijdens een verdiend verlof schieten ze per ongeluk de dochter van de majoor dood. Wat volgt is de persoonlijke worsteling die één van de drie heeft met dit voldongen feit. We leren meer over hoe dat nationaal-socialisme werkte: ijzeren discipline, drilzucht, hardheid, afschuiven van verantwoordelijkheid, scheppen van een vijandbeeld, ontmenselijken van de vijand, groepsdruk enz enz.

Kameraden is een leerzaam voorbeeld van hoe de mechanismen van het nationaal-socialisme werkten. In de paniek rondom de niet-bedoelde dood van een jong en voorbeeldig meisje stapelen allerlei morele kwesties zich op: bekennen-ontkennen; verraad plegen-steun door dik en dun; individueel belang-groepsbelang; vriend-vijand; vluchten-vechten. In dit korte verhaal een passage waarin de worstelende hoofdpersoon zich afvraagt of het niet beter zou zijn over te lopen naar de Russen (=de vijand).

Hij herinnerde zich een boek te hebben gelezen van een zekere Albrecht, die een hoge piet, een commissaris, bij de sovjets was geweest, daarna een zekere Trotzki was gevolgd en die, nadat hij ten slotte naar Duitsland was gegaan, verklaard had dat het ware socoialisme alleen bij de SS en de Gestapo te vinden was. Deze Albrecht had geschreven dat juist moordenaars alle kansen hadden bij de sovjets vooruit te komen. Karl dacht: wat zou er gebeuren als hij nu heenging en zei dat hij een moordenaar was en de dochter van de majoor had doodgeschoten, uit moordlust, uit opstandigheid, en dat hij alleen maar gedaan had alsof hij op de struik en de reiger had gemikt? Ze zouden hem zeker nemen, waarom ook niet? En hij dacht dat het eigenlijk helemaal niet zo vreselijk kon zijn bij de bolsjewieken. De vrouwen waren gemeenschappelijk bezit; wat was daar nou zo erg aan, voor een flinke kerel als hij was? Er werd gezegd dat men daar met de zweep regeerde, maar dat was hij ten slotte gewend, en waarom zou hij ook daar niet tot degenen behoren die de zweep hanteerden? Hij had er toch aanleg voor! Hij zag nu dat de gedachte die zo ineens door zijn hoofd was geschoten, en die hij aanvankelijk als een waanidee had beschouwd, eigenlijk helemaal niet zo krankzinnig was. Maa toen bedacht hij hoe hij daar moest komen en hij bedacht dat er nu oorlog was en dat men hem als hij overliep vast en zeker in Rusland zou vinden, want dat ze Rusland zouden verslaan, dat stond voor hem vast. Hij had de oorlog toegejuicht, maar nu vervloekte hij hem bijna. Waar moet ik nou heen, dacht hij.

Uit: Kameraden; uit: De katachtige wilden we verbranden, Wereldbibliotheek Amsterdam, 1985

Franz Fühmann (1922-1984, Rokytnice, Tsjechië)

Laura Starink verwoordt Duitse dilemma’s

duitse wortels, rd.nlbron foto: rd.nl

Die oorlog (maakt het uit welke?) brengt het slechtste in de mens los en boven. Het is ook een onuitputtelijke bron om over te schrijven. Het laat mij (en ons, vermoed ik) niet los. Er is een oneindige honger naar verhalen van mensen die het (aan den lijve) hebben meegemaakt. Gewone mensen, niet de uitzonderingen: de helden en de meedogenloze slachters. Niet de extremen, maar de dagelijkse gang. Komen zij (de gewonen, gemiddelden, het midden) wel aan bod in de geschiedenis?

Gelukkig wel, zoals in het boek Duitse wortels van ex-NRC-correspondente in Moskou, Laura Starink. Zij schreef haar familegeschiedenis (die van haar Duitse moeder) op over het leven in de oorlog in Silezië (Duits-Poolse grensgebied). Daarin komen de dilemma’s aan bod. Over de invloed van de nazi’s op dat dagelijkse leven. Over wat je kon weten over wat er gebeurde met de joden. Over wat je kon doen tegen een strak militair georganiseerde samenleving waarin velen werden uitgesloten en geweld aan de orde van de dag was. Waar buren verraad konden plegen en iedereen verdacht was die niet de nationaal-socialistische zaak aktief steunde. Een schrijnend vorbeeld uit dat boek:

In de roman Gleiwitz van Horst Bienek zegt een van de personages, een treinmachinst met de naam Franz, in de loop van 1944 onverwachts tegen zijn vrouw dat hij zich vrijwillig heeft aangemeld voor de Wehrmacht. Ben je nou helemaal gek geworden, zegt Anna, zijn vrouw. De oorlog loopt op zijn einde, dankzij je baan heb je het front al die jaren weten te vermijden en nu zou je je alsnog aanmelden om te sneuvelen in Rusland? Franz legt haar zijn vreemde besluit uit. Hij rijdt al een half jaar veewagons vol joden naar Auschwitz. Bij aankomst in Birkenau zijn velen al dood. Franz kan er niet van slapen. ‘Ze sterven daar als vliegen. Elkde dag worden er mensen verbrand. Soms kun je het ruiken.’ Er is iets bij Franz geknapt toen hij in een van de wagons joodse bekenden zag uit Gleiwitz, die een dag eerder vanuit de Gestapogevangenis in Kattowitz op de trein waren gezet. Vraag dan overplaatsing aan, stelt Anna voor. Dat heb ik geprobeerd, zegt Franz, maar dat staan ze niet toe. Ik had nooit partijlid moeten worden. Als ik niet naar het front ga, moet ik die treinen blijven rijden. ‘Sieh nicht hin, Franzek, sagte sie. Überall ist heute Elend.’

Uit: Duitse wortels. Mijn familie, de oorlog en Silezië, Olympus Amsterdam, 2013

Laura Starink (1954)

 

Ernst Ludwig Kirchner manipuleerde de tijd

(Bij de eerste afbeelding)

Venijnige kleuren in grove penseelstreken botsen heftig en wekken een troosteloze sfeer. Het schilderij is bijna te klein voor het tafereel en de verf lijkt de randen zelfs naar buiten te drukken. Dit schilderij (Zelfportret met model, ca. 1910) is kenmerkend voor de sensuele, heldere kleuren, dramatische intensiteit en de hoekige contouren van het expressionisme. Kirchner (1880-1938, Aschaffenburg, Dld) was lid van de expressionistische groep Die Brücke, die een brug wilde slaan tussen de kunst van het verleden en die van de toekomst. Er bestond rivaliteit tussen hem en een ander lid, Erich Heckel. Kirchner rommelde met de datum waarop hij een schilderij schilderde om te bewijzen dat hij vernieuwender was dan de anderen van de groep.

Vanaf 1917 woonde hij in Zwitserland omdat hij tuberculose had. In 1937 werd veel van zijn ‘ontaarde’ kunst door de Nazi’s in beslag genomen; een jaar later pleegde Kirchner zelfmoord.

kirchner 1

kirchner 3kirchner 5

kirchner 4

Gertrud Kolmar: die gelbe Schlange

Die gelbe Schlange

Ich war ein Mädchen auch im Traum.

Und meine Brüste lagen, helle Inseln, / Auf jeder eine kleine braune Stadt / Mit spitzen Turm / Und rot geheimer Ströme unterirdnem Rinseln.

Wann werden weisse Quellen aus den Steinen brechen?

Die Schlange zuckte / Ungesehn durch Kraut. / Ach, alle Moose, die sie grüsste, / Verotteten. / Ihr Leib liess eine Wüste. / Baumgrün vergilbte vor den gelben Haut.

Die gelbe Schlange kam. / Sie zog sich über Meer / Und sank in Grund, / Wo seltsam bunt und schwer / Tierblumen an verfallnen Schiffen saugen / Mit zähnelosem Mund.

Sie schlich / In meine roten Grottenflüsse ein. / Sie lächelte. / Die kleine Stadt ward krank, / Zermürbte, wich. / Ihr stolzer Wartturm sank / Tief in ein Weiches ein.

Die Insel, einmal glücklich schön / Mit Hügelkuppe und mit sanfter Bucht / Um vieler Wellen blitzendes Getön, / Hing müd in See.

Wie überreife, halbvermulschte Frucht.

gertrud kolmar

Gertrud Kolmar (1894 – 1943)

De gele slang

Ik was een meisje ook in mijn droom.

En mijn borsten lagen daar, witte eilanden, / op beide een kleine bruine stad / met een spitse toren / en onderaards gesijpel van rood geheime stromen.

Wanneer zullen witte bronnen uit de stenen breken?

De slang kronkelde / ongezien door het kruid. / Ach, alle mossen die zij groette / verrotten. / Haar lichaam liet een woestijn achter. / Groen van bomen vergeelde door de gele huid.

De gele slang kwam. / Ze gleed over de zee / en zonk in de bodem, / waar merkwaardig bont en zwaar / dierbloemen met tandeloze monden / aan vervallen schepen zuigen.

Ze sloop / mijn rode grotrivieren in. / Ze glimlachte. / De kleine stad werd ziek, / verweerde, verviel. / Haar trotse wachttoren zakte / diep weg in iets weeks.

Het eiland, / eens gelukkig mooi / met zijn ronde heuveltop en zachte baai / rond het opbruisende geluid van vele golven, / hing vermoeid in zee.

Als een overrijpe, half beurse vrucht.

Uit: Das lyrische Werk, Kösel München, 1960