Bijna iedere dag muziek: Johan

https://youtu.be/LP8DWReHC04

Op de single Pergola bezingt Jacco (= zanger van de band Johan) de sleur van de dag en dagdroomt hij over excessen om de saaiheid te doorbreken. Een band overvallen, auto jatten, ‘Kill a Kane’. Kill a Kane? Jacco probeert eerst te ontkennen  dat hij het zingt, zegt dan dat hij er niets over wil zeggen en heeft er vervolgens heel veel over te zeggen. ‘Ik vind het gewoon een akelige band. Hoe kàn iemand die band nou goed vinden?’ Maar het gaat niet om Kane. Voor Jacco zijn ze een symbool, meer niet. ‘Dat gelul over ‘Het is nog nooit zo goed gegaan met de Nederlandse popmuziek‘, Wat een bullshit! Het gaat hartstikke slecht. Ja, het verkoopt. Maar als elk restaurant alleen maar stront op het menu heeft staan, ga je het vanzelf lekker vinden. Starmaker is het bewijs: het is mogelijk. Artiesten creëren en verkopen. Het is godverdomme mogelijk. De machine werkt.’

Met het opbouwen van imago is niks mis, zegt Jacco, die net als de andere bandleden volgens Julian onlangs nog op consult bij een styliste ging. ‘Maar er is een grens. Ergens komt het punt dat het nep wordt.’ Geen purisme, bezweert hij. Ook Johan laat zijn volgende single gladder produceren om de kans op de radio-rotatie te vergroten. ‘Die walgelijke alternatieve houding van ‘We gaan opzettelijk ontoegankelijk klinken, omdat we zo weinig mogelijk platen willen verkopen’, die slaat nergens op. We hebben maar één principe: goede muziek maken.’

Johan verkocht tienduizend exemplaren van zijn debuut, Kane een veelvoud. Geen purisme dus, maar wel frustratie. Jacco: ‘Ja. Ontzettende frustratie. Omdat van de machine niet te winnen valt.’ Hij zucht eens diep en neemt een slok van zijn biertje. ‘Ik geloof gewoon dat er iets bestaat als goede smaak. We zijn een smaakvolle band.’

uit: hart tegen hart – Leon Verdonschot, Thomas Rap Amsterdam, 2005

https://youtu.be/942lce6o220

Roemer: wend niet het gezicht af

roemer, astrid; nationaleboekenblog.nl

bron foto: nationaleboekenblog.nl

Wend niet het gezicht af

Wend niet het gezicht af – mijn moeder / ook ik ben stukgewaaid maar / afstand krimpt en er is geen ruimte zonder jou

wereldzeeën zijn bevaren / kronkelpaden bezocht – helaas / mijn vergezichten zijn als galjoenen / geloogd door handen die eeuwen pagaaiden / stroomopwaarts – mijn geliefden hebben roerloos gekoerst / naar hun kusten mijn moeder

het duel met de wind is als spiegels / die breken het zoeklicht / naar god / om de nacht te ontmaskeren zijn schepen verbrand / en de regen rent naakt achter mij

waar jij doolt waait op het stof / het verstopt onze nadagen / het heult met de zon

wij liggen verankerd – mijn moeder / mijn voet is zeewaardig en / de bruggen staan open en / de zeilen staan bol / wij zijn niet afgedreven – geen ogenblik / gehavend zijn wij

wend niet het gezicht af – mijn moeder / ook ik ben stukgewaaid maar / afstand krimpt en er is geen ruimte zonder jou

Uit: Noordzeeblues, Singel Amsterdam, 1985

Astrid Roemer (1947, Paramaribo, Suriname)

De Ierse kwestie, ook bij Michael O’Loughlin

OLoughlin1, michael; liwre.fibron foto: liwre.fi

Kun je maatschappelijke beroering onbesproken laten als schrijver? Dat kan, maar dat zoiets moeilijk gaat, blijkt uit het verhaal De taal der stenen van de Ierse schrijver Michael O’Loughlin. De verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster gaat vooral over de banneling, de vreemde. Iemand die besluit zijn eigen huis en haard te verlaten om zich elders te vestigen. Dat komt overeen met de eigen ervaringen van O’Loughlin. Hij verliet Ierland om zich tijdelijk te vestigen in Spanje en Nederland. Inmiddels is hij weer teruggekeerd naar Ierland.

Michael O’Loughlin laat de Ierse kwestie lang onbesproken en dan verschijnt het in De taal der stenen.

Wall was nieuwsgierig, maar was niet van plan iets te vragen. Hij wist waar Goldfarb mee bezig was en ofschoon hij het niet goedkeurde liet hij Goldfarb vaak bij hem slapen als die werd verrast door de avondklok. Hij wist dat Goldfarb soms gewapend was, en dat er problemen zouden zijn als de Engelsen hem hier te pakken kregen. Soms dook hij onverwacht op, meestal buiten zichzelf, vreemd, onherkenbaar, als een lievelingshond die je na een gevecht binnenlaat, stinkend, bloedend, hijgend. Je kijkt in zijn ogen maar hij schijnt je niet te kennen, en je kent je troetelbeest niet meer terug. Maar geleidelijk aan zou hij weer normaal worden.

Wall bracht zijn dagen door in de rokerige vergaderzalen en bestuurskamers van de Dublinse arbeidersklasse. De vakbeweging en de Ierse taal waren zijn twee grote passies. Hij was het niet eens met Collins of de rest van die bende. Organiseren en scholen, dat was de weg voorwaarts voor de arbeiders. Die ruige boeren met hun bommen en revolvers begreep hij niet. Het baarde hem zorgen te zien dat zijn jonge vriend er steeds meer bij betrokken raakte. Maar zij discussieerden er niet meer over. Goldfarb ging rechtop zitten en dronk zijn thee, hij voelde zich al wat beter.

‘Nog steeds in die ouwe boeken, zie ik.’

‘Oh ja. De zoete en koninklijke taal. Je zou het ook moeten leren, weet je.’

‘Wat is daar het belang van, we kunnen toch allemaal Engels spreken.’

‘De taal van de binnendringer. We spraken allemaal Iers tot de Saxen kwamen en we zullen dat weer doen, zo God het wil, als ze weggaan.’

Uit: de taal der stenen; uit: De weeën van de mannen van Ulster, Thoth Bussum, 1994; vertaling Wim Platvoet

Michael O’Loughlin (1958, Dublin, Ierland)

Spaanse geschiedschrijver verwonderde zich over het schaatsen

avercamp, ned en schaatsen 2

Afbeeldingen zijn van Amsterdamse schilder Hendrick Avercamp (1585-1634)

Tijdens de 80-jarige oorlog met de Spanjaarden (1568-1648) was er in ons land gewoon tijd voor schaatsen (als het vroor). De Spaanse hertog Alva trok het land door met in zijn kielzog de geschiedschrijver en militair Mendoza.

Hij begreep weinig van ijs, nog minder van sleden, maar over schaatsen schreef hij met de mond open:

‘Ze (dat zijn onze voorvaderen – Kees Fens) kennen ook een andere manier van voortgaan over bevroren meren en kanalen, nl. klompen, in de vorm van pantoffels, die ze aan hun voeten binden met een leren riem langs de enkels boven de hiel. Deze klomp rust op een stalen band, van niet meer dan een halve duim breed, die aan de voorkant omhoog krult als de sporen van Spaanse abracas of als Moorse sandalen. Met dit schoeisel glijden ze over het ijs, hun voeten gelijkmatig uitslaand, en ze zijn zo zeker daarin, dat de boerinnen manden met eieren of andere voorwerpen op hun hoofd dragen. Ze zijn ook ongelooflijk vlug, als ze de wind in de rug hebben; want dan kan geen paard ze bijhouden. Ze zijn zo snel, dat ze volgens sommigen vliegen, en een man kan zonder veel moeite gedurende één of twee uur een slee achter zich aan slepen, waarop zijn vrouw en kind zich bevinden met 150 pond boter en evenveel kaas.’

Uit: IJstijden; uit: Waarom ik niet tennis (sportcolumns)- Kees Fens, Erven Thomas Rap Baarn, 1980

avercamp, ned en schaatsen

 

Balthasar Gerards sterft marteldood

vierendelen, wikipedia

Vierendelen; bron foto: wikipedia.org

Het is tussen 11 en 14 juli 1584. Plaats van handeling: Delft. Balthasar Gerards heeft Willem van Oranje vermoord. Door martelingen probeert men er achter te komen of Gerards medeplichtigen heeft gehad. Men vreest dat de Fransen iets met de moord van doen hebben. Pensionaris Cornelius  van Aerssen uit Brussel doet aan het Antwerpse stadsbestuur ooggetuige-verslag van de martelingen. Als afgevaardigde van de Staten Generaal kon hij dit van nabij meemaken.

Na de terdoodveroordeling is de moordenaar onverwijld terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: allereerst is hij op een schavot geleid en gekleed aan een paal gebonden. Voor zijn ogen heeft men het pistool waarmee hij zijn daad had begaan in stukken gebroken en aan het volk getoond.

Daarna is hij losgemaakt, uitgekleed en geblinddoekt opnieuw aan de paal gebonden.

Vervolgens heeft men zijn rechterhand (die waarmee hij het misdrijf had gepleegd) tussen een roodgloeiend wafelijzer geklemd, totdat deze bijna helemaal verbrand was.

Daarop is hij zesmaal met gloeiende tangen bewerkt.

Toen dit was geschied, is hij losgemaakt en nog levend op een bank uitgestrekt. Nu heeft men zijn geslachtsdelen afgehakt, zijn buik ongeveer tot zijn borst opengesneden, zijn ingewanden naar buiten getrokken, de onderste helft daarvan bijeengedrukt en vervolgens weggesneden. Tijdens dit alles is hij flink bij zinnen gebleven, en heeft hij zachtjes gebeden, zoals aan het bewegen van zijn mond en lippen te zien was.

Nadat zijn borst was opengekliefd, werd zijn hart kloppend en wel uitgerukt en in zijn gezicht gesmeten. Op dat moment zag men hem de geest geven.

Ten slotte is hij gevierendeeld; zijn stoffelijke resten zullen aan de stadswallen worden gehangen.

Hij heeft al deze martelingen doorstaan zonder ook maar één keer ‘wee mij’ te roepen of een kreet te slaken, zonder zelfs maar een lichaamsdeel terug te trekken of te bewegen.

Toen zijn armen waren losgemaakt, heeft hij met zijn hand, die zoals gezegd verbrand was, twee of drie keer naar de menigte het kruisteken gemaakt.

Nadat hij gistermiddag met een paar vetleren schoenen aan voor het vuur was geplaatst, had hij het roosteren van zijn voeten bijna twee uur lang op dezelfde wijze doorstaan.

Evenzo was het hem vergaan toen men lange pinnen tussen zijn nagels had gestoken.

Niemand begrijpt hoe het mogelijk is dat hij dit alles verdroeg. Maar hij was dan ook uiterst vastberaden, en men heeft nog nooit zoiets gehoord, zoals u uit dit relaas wel hebt kunnen opmaken.

Uit: Ooggetuigen van de Gouden Eeuw – René van Stipriaan, Prometheus Amsterdam, 2000

Dordrecht en de Sint Elisabethsvloed

Dordrecht was ooit een belangrijke handels- en hanzestad met een rijke historie. Gelegen aan het water stond de stad in verbinding met de wereld. Maar dat water bleek ook een vijand. In de late Middeleeuwen kreeg Dordrecht te maken met de Sint Elisabethsvloed, niet 1 keer overstroomde het Dordtse achterland, maar tot drie keer toe kreeg men met de gevolgen van stormvloeden van doen. Dat leidde tot dijkdoorbraken, doden en gewonden, een trek uit het omliggende gebied en tot mythevorming. Daarover meer in bijgaande korte documentaire.

De gevolgen van de Sint Elisabethsvloeden zijn ook opgetekend in schilderijen en tekeningen, door de eeuwen heen. De drie belangrijkste:

elisabethvloed-1

Een laat 15-de eeuws paneel, te zien in het Rijksmuseum, waarvan de maker onbekend is. Het is de eerste bekende verbeelding van wat er toen gebeurd is en het wemelt van de topografische details.Tot 1933 hingen de panelen boven het Sint Lambrechtsaltaar in de Grote Kerk in Dordrecht.

elisabethvloed-3

De tweede is een prent van Romeyn de Hooghe uit 1677, die gebruikt werd ter illustratie bij De beschryvinghe der stad Dordrecht, een werk van kroniekschrijver Matthijs Balen.

elisabethvloed-2

De derde is een reusachtig schilderij van de 19-de eeuwse Bosschenaar Heinricus Weingärtner, te zien in het Noordbrabants Museum in Den Bosch. Dit schilderij dateert uit 1857.

Bronnen: Historiek.net en Verleden in verf – Hans den Hartog en Pieter Steinz, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2011

Beatles in Blokker en Cees Nooteboom was erbij

Het is 8 juni 1964, een onvergetelijke dag voor de Nederlandse bewonderaar van The Beatles. De Britse band was in ons land voor de eerste en, naar zou blijken, de laatste keer voor een live-concert. Plaats van handeling: de tot popzaal omgebouwde veilinghal van Blokker. En onze internationaal gelouterde schrijver Cees Nooteboom was getuige.

Al op de weg naar Blokker begont het, overal auto’s met Beatlesymbolen, naar elkaar zwaaiende onbekenden, en in het door de Noordhollandse wind schoongewaaide Blokker zelf de opwinding voor het stierengevecht. Toen ik er aankwam was de zaal al grotendeels  vol, zevenduizend schreeuwende, schril fluitende wezens, samen één grote, afwachtende engel, klaar om in vervoering te worden gebracht.

(..) Het podium was prachtig, al was het alleen maar omdat zij er straks zouden verschijnen. Zoals bij elke schooluitvoering waren er fraaie bloemstukjes op aangebracht, links en rechts beginnend met landelijke lupines. Achter het podium een muur van vier Joyflesjes met beatleharen en een geschilderde microfoon ertussen.

Het wachten is op de supergroep: John, Paul, George en neen, geen Ringo. Die was ziek en werd vervangen door Jimmie Nicol. Ondertussen wordt het ongeduldige publiek beziggehouden met andere beatmuziek. Muziek die aanzet tot dansen, zo blijkt.

Er is een merkwaardig contrast tussen hun uiterlijk van zachte, wat bedorven kinderen en het keiharde, agressieve ritme van hun muziek dat steeds grotere groepen in mijn omgeving omhoog en tegen elkaar in drijft.

(..)En dan ineens is het zover. Toch nog onverwacht, zoals dat heet, staan ze er, zij zelf, vier dansende, bewegende aangelegenheden – maar tegelijkertijd begint de gevreesde golfslag van de menigte, en het wordt een moeilijke keuze, letten op de uitbrekende paniek bij sommigen voor me of op de gezichten van de idolen die eroverheen spelen en als je het mij vraagt er zelfs naar keken.

(..) Tussen de naderende hartaanval van een officieel iemand voor me, een gillende moeder van twee kinderen die tussen de banken terechtkomt, en een vechtpartij met wonden links van me zie ik toch nog wat zich afspeelt op het podium, en vreemd genoeg zie ik het in langzame, maar duidelijke foto’s, tot ik zelf ineens onder schuddende lichamen raak, me eruit sla, een gat zie en voor ik het eigenlijk zelf goed weet over een hek klim waar anderen onwrikbaar tegen aangestampt staan. De politieman die me van het hek aftrekt, zegt bitter: ‘Nou, je moest toch zo nodig naar de Beatles?’, maar een andere denkt al dat ik eruit gegooid wordt en grijpt me in de bekende greep en ineens sta ik buiten in de krankzinnige nachtlucht.

Nooteboom staat buiten maar geeft zich niet gewonnen. Via de achterdeur schaft hij zich toegang tot Blokker. Dit keer komt hij achter in de zaal terecht. Daar is het wat rustiger. Tijd voor reflectie.

(..) Er is iets onwezenlijke aan hun werkelijke aanwezigheid, zoals wanneer je voor het eerst van je leven voor de Eiffeltoren staat – het is alleen maar een bevestiging, een controle. Het heeft eerder met een minimaal soort tevredenheid dan met teleurstelling te maken – dat zijn ze nou. En inderdaad, dat zijn ze nou. Ze zien eruit zoals ze eruit zien, en ze bestaan echt. Ze zingen de nummers die we uit ons hoofd kennen, en dan zijn ze ineens weg, razend snel, net heel vlugge hagedissen, zelfs geen kans op de staart, en de menigte loopt leeg als een ballon, brokkelt af, er is de afmatting na de extase, een gevoel dat het nu over is, en dat het misschien toch niet gebeurd is waar ze voor kwamen, een sentiment dat je, als je het overdreven zou willen zeggen, zou kunnen benaderen als rouw om de niet werkelijke gehaalde extase.

Uit: Verleden als eigenschap, Cees Nooteboom, samenstelling Arjan Peters, Atlas, Amsterdam, 2008

 

Albrecht Dürer: dramaturg in print

Technisch virtuoos, met intelligente blik en psychologisch de diepte in, dat zijn de portretten van Albrecht Dürer (1471 – 1528). Uitzonderlijk getalenteerd was deze Duitser, afkomstig uit Neurenberg, maar ook zeer productief. Bijzonder getalenteerd omdat hij naast schilder, ambachtsman en begenadigd tekenaar, ook nog schreef. Zijn grote verdienste zit in het maken van prints met gebruikmaking van de nieuwste techniek. Hij begon met illustraties van houtsnedes voor boeken. Maar de print-techniek ontwikkelde zich in zijn eerste levensfase (tot zijn 30-ste). Dürer experimenteerde met prints in alle toonaarden en probeerde de dramatische zeggingskracht te verfijnen. Dat leidde in eerste instantie tot een reeks van geïllustreerde boekwerken die het geloof tot onderwerp had.

Een belangrijke periode in de ontwikkeling van de Duitse tekenaar waren zijn reizen naar Italië en Nederland. In Italië is hij twee keer een langere periode geweest. Onder invloed van de Italiaanse Renaissance trok de mens en het menselijk lichaam zijn aandacht. Hij was bovendien uitermate geïnteresseerd in de theorie achter al dat fraaie Italiaanse werk. Hij deed er enthousiast verslag van in eigen (boek)werken.

Zijn kundige werk, zijn brede interesse en zijn publicaties trokken de aandacht van prominenten. Zowel van adellijke als kerkelijke zijde. Hij ontving keizer Maximiliaan de Eerste maar ook Erasmus. Vaak leidde die ontmoetingen tot nieuwe opdrachten.

Dürer’s erfenis is dankzij zijn belangstelling voor de print-techniek (waardoor kwantitatieve en kwalitatieve reproductie mogelijk werd) en de hoeveelheid werk die hij achterliet, groots. Na eeuwen valt op hoe tijdloos die beelden zijn en welk scherp oog Dürer had voor zijn naaste omgeving.

albrecht-durer-1albrecht-durer-2albrecht-durer-3albrecht-durer-4albrecht-durer-5albrecht-durer-6

Het meisje is de dood

brouwers

Schrijver Jeroen Brouwers kreeg onlangs de ECI-literatuurprijs. In mijn boekenkast kwam ik nog een oudje tegen van de schrijver: Zonder Trommels en Trompetten, een novelle die onmiddellijk werd verramsjt. Dat is mogelijkerwijs de reden waarom deze novelle in mijn boekenkast is terecht gekomen.

Maar toch geeft de novelle een beeld van Brouwers stijl en motieven. Motieven: de dood en het meisje. De stijl: humoristisch.

Misschien doe ik er goed aan, in plaats van een markante anekdote over mijzelf, een rouwklacht te schrijven (..): een rouwklacht in de vorm van een dichtwerk vol liefdesverlangen, Aan de dood, want ik denk dat de dood een zacht en vriendelijk en vooral beeldschoon meisje is, zoëen waar men zijn leven lang naar heeft verlangd, zonder haar ooit te hebben ontmoet of zelfs maar te hebben mogen aanschouwen, de dood bestaat dan uit geslachtelijke vereniging met dat meisje, als dat eens  waar mocht zijn, welnu, en dat dan neergeschreven in laat mij zeggen drie maal drieëndertig dat is negenennegentig canto’s, maar misschien is dat te veel hooi ineens op de vork en bovendien zou het voorlezen van al die canto’s aan de rand van de groeve de plechtigheid maar rekken èn, zeker als het dan nog regent, nodeloos natter maken; niet denkbeeldig is ook, dat tijdens het voorlezen, of zelfs al tijdens het schrijven van de canto’s de twijfel begint te knagen, immers zo mooi kan de dood niet wezen want aan ieder meisje is wel iets.