Duo dicht de dag

De ondergang

Ik heb vannacht zo akelig gedroomd: / we waren aan het einde van de tijden. / De ondergang viel niet meer te vermijden. / Gelukkig was mijn fiets opnieuw verchroomd.

want op iets roestigs over straat rijden / daarvoor ben ik te netjes en beschroomd. / Mijn pantalon was rafelvrij gezoomd, / mijn haar was keurig door mijn kam gescheiden.

Zo goed als nieuw dus reed ik door de stad, / het enige verkeer in alle straten. / Ik voelde me miljarden jaren jong.

Toen zag ik God staan bij een groot zwart gat, / van alles en van iedereen verlaten. / Probeer het nog eens riep ik maar hij sprong.

Uit: Een kind met kikkerpoten, Bert Bakker Amsterdam, 1987

stip, kees + mies bouwman; deslegte.comKees Stip met een piepjonge Mies Bouwman. bron beeld: deslegte.com

Kees Stip (1913-2001, Veenendaal)

Biologie

jij in veel te kort / rood zomertruitje / voor me in de rij.

stapje na stapje / door de klas, alsof / het een processie was.

voorin de juffrouw, / streng toeziend op de / heilige microscoop.

jij maakte een buiging, / bekijkt het stuifmeel / duizendmaal vergroot.

mijn blik rekt uit, / ik tel ontelbare blonde / sprietjes op je huid.

een veld. gebogen / aanbid ik je met / duizend blote ogen.

Uit: Rode groente, DiVers Amsterdam, 2001

rompa, bas; youtube.combron beeld: youtube.com

Bas Rompa (1957, Weert)

Hermine de Graaf: ‘Ligt het aan mij?’

de graaf, hermine; zeevlam

bron beeld: groene.nl

Hermine de Graaf (1951-2013) was een beloftevolle schrijfster. Studeerde Nederlands, gaf er les in en debuteerde in de 80-er jaren. Haar Een kaart niet het gebied, een verhalenbundel, won zelfs een literaire prijs.  De Graaf schreef vooral over meiden, jonge vrouwen, het gezin en de vertroebelde relatie tussen dochter en moeder, dochter en vader. Het lukte haar niet om een groot publiek te bereiken, hetgeen leidde tot een langdurige stilte rondom haar persoon en werk. Dat haar werk meer aandacht verdient, moge juist nu duidelijk zijn.

In De zeevlam volgen we het pubermeisje Katja dat bij haar grootvader opgroeit. Haar opa is streng maar rechtvaardig, beschermend en leert haar alles over het leven bij de zee en het wad.

Was het eerst zo helder dat je ’t eiland kon zien, nu volg ik verwonderd, de zeevlam, de plotseling binnen drijvende mist van de zee, ben er getuige van dat de warme, vochtige lucht van de duinen en het land over het koudere zeewater scheert. Ik voel de wind draaien, die oplandig wordt. En al weet ik dat de zeevlam niets anders is dan een laagje dunne bewolking, ’t zijn nu juist die snelle weersveranderingen die mij nerveus maken. Ik krijg dan het gevoel of het aan mij ligt, dat ik iets niet goed heb gedaan, al weet ik na al die jaren dat het onzin is.

Later in dit verhaal komt de zeevlam nog eens terug. Vriendin en vrienden gaan met haar het wad op. Zij gidst omdat ze stromingen en getij kent.

Aan de oppervlakte was mijn stemming in ieder geval uitbundig, ik moest denken aan de opwindingscyclus in acht fasen die een zekere Van Walen bedacht had. In seksualiteit zat een zelfde ritmiek als in de getijden van de zee.

Het gezelschap arriveert op een plaat waarvoor interesse bestond vanwege ‘de verborgen schatten’.

Toen we er aangekomen waren zocht Michael met de verrekijker de horizon af en Ernst plantte een stok op het hoogst gelegen gedeelte van de plaat, waarna hij zijn kleren uittrok. Dora hielp hem erbij, ze wrong zijn blouse uit en kneep in zijn wollen sokken.

‘Katja, net of ik een mast zag!’ zei Michael en gaf me de verrekijker.

De kleren van Ernst wapperden aan de stok en ze lagen samen in het zand er vlakbij in de bleke ochtendzon, die al warmte uitstraalde. Dora had haar rok uitgedaan en dat beviel me niet. Michael stroopte zijn trui over zijn hoofd en ik zag niet waarom ik hetzelfde zou moeten doen. ‘Niemand ziet je,’ zeiden ze, maar ik was er niet zeker van. Ze trokken aan mijn trui en sloegen helemaal niet vriendschappelijk hun armen om mij heen, toen ik tussen hen in viel. Ze roken vreemd en tijdens de worsteling was mijn kijker in het zand gevallen. Ik probeerde vertrouwde gedachten vast te houden, die ze je op de lagere school al leren. ‘De aarde is rond… eerst zie je het puntje van de mast… dan het vlaggetje… de mast… ’t zeil… het hele schip.’

Ik voelde hun handen op mijn kleren en ze zeiden: ‘Doe niet zo truttig.’

Uit: De zeevlam, Meulenhoff Asmterdam, 1985

Hermine de Graaf-Jonkers (1951-2013, Winschoten)

 

Marieke Jonkman: kleding

Kleding

Zo kom je weer? Satanisch strak gekleed, / showend wat tijdenlang verborgen was, / ik voel het onderin: je bent er helemaal, / galant maar zonder borsten, gloeiend heet.

Jij, heerlijk glad, eet nooit te veel en streelt / op fitness al de cruciale spieren, geniet / in anderen van wat je zelf niet dragen kon. / Verveeld heb ik je maandenlang tekort gedaan.

Vanmorgen mag ik schrijven dat ik aria’s / kan zingen en praat op een verhoogde toon. / Straks laat je mij weer in de steek, ik zie / kalkwitte nagels en hoor de dokter brommen.

Grijp me vast en fluister dat we samen sterven, / dat ja altijd op mijn brieven reageren zult. / Beloof me dat je nu mijn haar gaat verven / en mij in duivels strakke kleding hult.

anton_ent, kleineuil.nl

bron foto: kleineuil.nl

Marieke Jonkman (pseudoniem van Henk van der Ent, 1939)

Uit: Plejaden, Van Oorschot Amsterdam, 1992

Middellandse Zee: Siciliaans

landschap-sicilie

bron foto: onsicilycard.com

Siciliaans

Langzame vleugelslag boven / het armoedige landschap

akkers zonder het geringste / teken van leven

tijd is hier vergeten

de versteende afdruk van vroeger / leven in mijn hand / slaat een smalle brug / naar het verleden

het is niet meer / te zien hooguit / een vermoeden

hier is met de zeis / geoogst

Ron Elshout (1956)

Uit: De wervels van je rug, Rotterdamse Kunststichting Rotterdam, 1986

Bedreigde planten

Omdat wij mensen ons waarde-oordeel laten gelden in de ons omringende natuur, verdwijnen er soorten planten, bomen, dieren, vogels en insecten. De term ‘onkruid’ is zo’n waarde-oordeel. Het is het startsein om te wieden, te verbranden of, erger nog, te spuiten met chemicaliën. Hieronder een aantal ernstig bedreigde soorten planten uit ons eigen kikkerlandje. Mag het iets diverser?

akkerboterbloem

Akkerboterbloem

bosaardbei

Grote bosaardbei

brave hendrik

Brave Hendrik

dreps

Dreps

getande veldsla

Getande veldsla

kleine schorseneer

Kleine schorseneer

muurbloem

Muurbloem

rozenkransje

Rozenkransje

spits havikskruid

Spits havikskruid

Wilde ridderspoor (Consolida regalis) met Zomeradonis (Adonis aestivalis)

Wilde ridderspoor

zinkviooltje2

Zinkviooltje

 

Middellandse Zee: Pompeji

PompejiVoor de ramp

De muren staan als koeien aan elkaar. / Wordt gras tot zwijgend zijn vermalen. / Wordt leven rechtgetrokken tot gedroomd carré. / Een landschap op de wand, een vijver binnenin. / En in het oog het dak uit: oneindigheid.

Dit is natuurlijk maar een beeld.

Het is een beeld om te verbouwen. / Dat is: een raam erin en stemmen in het licht. / Daarom: het dak dicht, deuren om te gaan. / De straat op. Na de ramp een ander beeld. / Wat ik niet wilde. Maar bedoelde. Om te zijn.

(woonhuis in Pompeji)

Robert Anker (1946)

Uit: Van het balkon, Querido Amsterdam, 1983

Als je breekt door de liefde, aldus Alex Boogers

Men zegt dat we in een tijd leven waarin we ons terugtrekken in de veilige, geborgen wereld die we kennen. Dus maar eens de luiken open gegooid. Me verdiept in een wereld die ik niet kende. De wereld van zweet, angst en geweld. Dat kan veilig door een boek te lezen waarin die wereld beschreven wordt. Vroeger deed ik dat door boeken van Ernst Hemingway (1899 – 1961, USA) te lezen. Die zocht die wereld ook op en schreef erover. En dat deed hij op indrukwekkende wijze.

alex boogers2

bron foto: youtube.com

Alex Boogers (1970) doet dat in ons land en in mijn moederlandse taal. Het is nog geen Hemingway maar indrukwekkend was het wel. Het waanzinnige van sneeuw is de titel en als u het boek in handen krijgt: lees het gerust. Waarschijnlijk maakt u kennis met een wereld die u niet van binnenuit kent. Maar de kennismaking is een verrassende.

Wat de dokter had gezegd over dat ik gebroken was door de liefde, daar had ik nog aan gedacht op weg naar het ziekenhuis. Als je er goed over nadacht was het waar, dat was wat ik dacht, ik was niet helemaal gebroken, maar ze hadden me flink te pakken gehad. Saïd en de jongens. Ik moest alleen goed nadenken of liefde inderdaad het motief was voor de aanslag. Voor de jongens van Kielszjerik was het gewoon een uitdaging, een kick. Ze waren krankzinnig, ziek in het hoofd. Maar in het geval van Saïd, dan moest ik ‘ja’ zeggen, als je maar ver genoeg terugdacht, dan kwam je uit op liefde, een ziekelijke liefde, een verminkte liefde, een verstikkende liefde van een broer voor een zus, een liefde die me niet eens helemaal onbekend was, in een andere vorm, maar even verminkt, en in een andere tijd, een tijd die ik het liefst wilde vergeten.

Uit: Het waanzinnige van sneeuw, Podium Amsterdam, 2002

Middellandse Zee: Napels

italie-napels 27vakantiedagen

bron foto: 27vakantiedagen.nl

Napels

Hier voel ik weer het lieve leven lichter / En vindt mijn hart, van wroeging vrij, weer vreugd. / Hier ben ik weer de onbekommerde Dichter / Van zon en zee, van jok en jeugd.

Vertrek

Nog ééne Nacht. Wij scheiden morgen, / De Stad van Napels en mijn ziel. / Maar zóó diep droeg mijn ziel geen zorgen, / Dat de lach van Napels niet troostend binnenviel.

Napels

De huizen zoeken zon en zee en wind. / Overal dringend over de steile rotsen. / De wind wappert, de schuimen golven klotsen, / Terwijl de zon zijn hooge tocht begint.

Jacob Israël de Haan (1881 – 1924)

Uit: Verzamelde gedichten (deel 2), Van Oorschot Amsterdam, 1952

Alex Boogers laat lachen om de regen

Alex-Boogers-Foto-Krijn-van-Noordwijk

foto: Krijn van Noordwijk; bron foto: dordtcentraal.nl

In Het Waanzinnige van Sneeuw laat Alex Boogers (1970) hoofdpersoon Remy in het ziekenhuis belanden. Daar ontmoet hij Daniël. Daniël heeft leukemie en gaat zijn dood tegemoet. Daniël is erg jong en kijkt op naar Remy. Als beiden afscheid moeten nemen omdat Daniël gaat sterven, ontspint zich volgende dialoog:

‘Eigenlijk,’ zei ik tegen Daniël, ‘hou ik wel van de regen, maar dan moet het wel heel hard regenen. Het moet plenzen. Zo’n stortbui. Ik hou ervan om in zo’n stortbui te lopen, dus zonder paraplu, en dat ik dan helemaal nat word. Wanneer de straten klimmen, zeg maar, en alles wordt schoongespoeld, en dat je alleen nog maar het gekletter van de regen hoort. Daar hou ik van. Het zou dan ook mooi zijn als je op zo’n moment iemand tegenkomt, iemand die je kent en die ook helemaal natgeregend is, maar die er ook niet om geeft. En dat je elkaar dan aankijkt en je bedenkt dat je elkaar nooit zo hebt gezien, zo doorweekt, zo stralend, en dat je elkaar niet kunt verstaan door het gekletter van de regen, en dat het enige wat je kunt doen is om elkaar lachen. Daar hou ik van.’

(..)

De dingen die ik zou moeten zeggen, die vergeet ik min of meer. Ik denk er wel de hele tijd aan om ze te zeggen, maar op de een of andere manier vergeet ik het gewoon, of dan zeg ik wel iets, maar dan zeg ik heel iets anders dan wat ik wil zeggen. Dan begin ik over het weer te ouwehoeren. Over het weer!

Uit: Het waanzinnige van sneeuw, Podium Amsterdam, 2002