Marieke Jonkman: kleding

Kleding

Zo kom je weer? Satanisch strak gekleed, / showend wat tijdenlang verborgen was, / ik voel het onderin: je bent er helemaal, / galant maar zonder borsten, gloeiend heet.

Jij, heerlijk glad, eet nooit te veel en streelt / op fitness al de cruciale spieren, geniet / in anderen van wat je zelf niet dragen kon. / Verveeld heb ik je maandenlang tekort gedaan.

Vanmorgen mag ik schrijven dat ik aria’s / kan zingen en praat op een verhoogde toon. / Straks laat je mij weer in de steek, ik zie / kalkwitte nagels en hoor de dokter brommen.

Grijp me vast en fluister dat we samen sterven, / dat ja altijd op mijn brieven reageren zult. / Beloof me dat je nu mijn haar gaat verven / en mij in duivels strakke kleding hult.

anton_ent, kleineuil.nl

bron foto: kleineuil.nl

Marieke Jonkman (pseudoniem van Henk van der Ent, 1939)

Uit: Plejaden, Van Oorschot Amsterdam, 1992

Advertenties

Middellandse Zee: Siciliaans

landschap-sicilie

bron foto: onsicilycard.com

Siciliaans

Langzame vleugelslag boven / het armoedige landschap

akkers zonder het geringste / teken van leven

tijd is hier vergeten

de versteende afdruk van vroeger / leven in mijn hand / slaat een smalle brug / naar het verleden

het is niet meer / te zien hooguit / een vermoeden

hier is met de zeis / geoogst

Ron Elshout (1956)

Uit: De wervels van je rug, Rotterdamse Kunststichting Rotterdam, 1986

Bedreigde planten

Omdat wij mensen ons waarde-oordeel laten gelden in de ons omringende natuur, verdwijnen er soorten planten, bomen, dieren, vogels en insecten. De term ‘onkruid’ is zo’n waarde-oordeel. Het is het startsein om te wieden, te verbranden of, erger nog, te spuiten met chemicaliën. Hieronder een aantal ernstig bedreigde soorten planten uit ons eigen kikkerlandje. Mag het iets diverser?

akkerboterbloem

Akkerboterbloem

bosaardbei

Grote bosaardbei

brave hendrik

Brave Hendrik

dreps

Dreps

getande veldsla

Getande veldsla

kleine schorseneer

Kleine schorseneer

muurbloem

Muurbloem

rozenkransje

Rozenkransje

spits havikskruid

Spits havikskruid

Wilde ridderspoor (Consolida regalis) met Zomeradonis (Adonis aestivalis)

Wilde ridderspoor

zinkviooltje2

Zinkviooltje

 

Middellandse Zee: Pompeji

PompejiVoor de ramp

De muren staan als koeien aan elkaar. / Wordt gras tot zwijgend zijn vermalen. / Wordt leven rechtgetrokken tot gedroomd carré. / Een landschap op de wand, een vijver binnenin. / En in het oog het dak uit: oneindigheid.

Dit is natuurlijk maar een beeld.

Het is een beeld om te verbouwen. / Dat is: een raam erin en stemmen in het licht. / Daarom: het dak dicht, deuren om te gaan. / De straat op. Na de ramp een ander beeld. / Wat ik niet wilde. Maar bedoelde. Om te zijn.

(woonhuis in Pompeji)

Robert Anker (1946)

Uit: Van het balkon, Querido Amsterdam, 1983

Als je breekt door de liefde, aldus Alex Boogers

Men zegt dat we in een tijd leven waarin we ons terugtrekken in de veilige, geborgen wereld die we kennen. Dus maar eens de luiken open gegooid. Me verdiept in een wereld die ik niet kende. De wereld van zweet, angst en geweld. Dat kan veilig door een boek te lezen waarin die wereld beschreven wordt. Vroeger deed ik dat door boeken van Ernst Hemingway (1899 – 1961, USA) te lezen. Die zocht die wereld ook op en schreef erover. En dat deed hij op indrukwekkende wijze.

alex boogers2

bron foto: youtube.com

Alex Boogers (1970) doet dat in ons land en in mijn moederlandse taal. Het is nog geen Hemingway maar indrukwekkend was het wel. Het waanzinnige van sneeuw is de titel en als u het boek in handen krijgt: lees het gerust. Waarschijnlijk maakt u kennis met een wereld die u niet van binnenuit kent. Maar de kennismaking is een verrassende.

Wat de dokter had gezegd over dat ik gebroken was door de liefde, daar had ik nog aan gedacht op weg naar het ziekenhuis. Als je er goed over nadacht was het waar, dat was wat ik dacht, ik was niet helemaal gebroken, maar ze hadden me flink te pakken gehad. Saïd en de jongens. Ik moest alleen goed nadenken of liefde inderdaad het motief was voor de aanslag. Voor de jongens van Kielszjerik was het gewoon een uitdaging, een kick. Ze waren krankzinnig, ziek in het hoofd. Maar in het geval van Saïd, dan moest ik ‘ja’ zeggen, als je maar ver genoeg terugdacht, dan kwam je uit op liefde, een ziekelijke liefde, een verminkte liefde, een verstikkende liefde van een broer voor een zus, een liefde die me niet eens helemaal onbekend was, in een andere vorm, maar even verminkt, en in een andere tijd, een tijd die ik het liefst wilde vergeten.

Uit: Het waanzinnige van sneeuw, Podium Amsterdam, 2002

Middellandse Zee: Napels

italie-napels 27vakantiedagen

bron foto: 27vakantiedagen.nl

Napels

Hier voel ik weer het lieve leven lichter / En vindt mijn hart, van wroeging vrij, weer vreugd. / Hier ben ik weer de onbekommerde Dichter / Van zon en zee, van jok en jeugd.

Vertrek

Nog ééne Nacht. Wij scheiden morgen, / De Stad van Napels en mijn ziel. / Maar zóó diep droeg mijn ziel geen zorgen, / Dat de lach van Napels niet troostend binnenviel.

Napels

De huizen zoeken zon en zee en wind. / Overal dringend over de steile rotsen. / De wind wappert, de schuimen golven klotsen, / Terwijl de zon zijn hooge tocht begint.

Jacob Israël de Haan (1881 – 1924)

Uit: Verzamelde gedichten (deel 2), Van Oorschot Amsterdam, 1952

Alex Boogers laat lachen om de regen

Alex-Boogers-Foto-Krijn-van-Noordwijk

foto: Krijn van Noordwijk; bron foto: dordtcentraal.nl

In Het Waanzinnige van Sneeuw laat Alex Boogers (1970) hoofdpersoon Remy in het ziekenhuis belanden. Daar ontmoet hij Daniël. Daniël heeft leukemie en gaat zijn dood tegemoet. Daniël is erg jong en kijkt op naar Remy. Als beiden afscheid moeten nemen omdat Daniël gaat sterven, ontspint zich volgende dialoog:

‘Eigenlijk,’ zei ik tegen Daniël, ‘hou ik wel van de regen, maar dan moet het wel heel hard regenen. Het moet plenzen. Zo’n stortbui. Ik hou ervan om in zo’n stortbui te lopen, dus zonder paraplu, en dat ik dan helemaal nat word. Wanneer de straten klimmen, zeg maar, en alles wordt schoongespoeld, en dat je alleen nog maar het gekletter van de regen hoort. Daar hou ik van. Het zou dan ook mooi zijn als je op zo’n moment iemand tegenkomt, iemand die je kent en die ook helemaal natgeregend is, maar die er ook niet om geeft. En dat je elkaar dan aankijkt en je bedenkt dat je elkaar nooit zo hebt gezien, zo doorweekt, zo stralend, en dat je elkaar niet kunt verstaan door het gekletter van de regen, en dat het enige wat je kunt doen is om elkaar lachen. Daar hou ik van.’

(..)

De dingen die ik zou moeten zeggen, die vergeet ik min of meer. Ik denk er wel de hele tijd aan om ze te zeggen, maar op de een of andere manier vergeet ik het gewoon, of dan zeg ik wel iets, maar dan zeg ik heel iets anders dan wat ik wil zeggen. Dan begin ik over het weer te ouwehoeren. Over het weer!

Uit: Het waanzinnige van sneeuw, Podium Amsterdam, 2002

Generatie(s): tante Marie

Tante Marie

Tante Marie / had een queue de Paris / en ze reed in een rijtuig met paarden. / Tante Marie / zei: ‘Ah, c’est la vie’ / tegen heren met snorren en baarden.

Tante Marie / had zó veel fantasie, / ze borduurde zo fraai en zo netjes. / Ze zat voor het raam / en borduurde de naam / van haar echtgenoot op de servetjes.

Maar zij zag door de hor / een gitzwarte snor / met gitzwarte ogen daarboven. / Tante Marie / zei: ‘Ah, mon ami!’ / en zij liet hem in één der alkoven.

Maar als haar man / weer thuiskwam, ja dan / zat Tante Marie o zo netjes / rechtop voor ’t raam / en borduurde zijn naam / in rood op de linnen servetjes.

Tante Marie / zei: ‘Ah, c’est la vie!’ / en ze heeft hem drie zoons mogen baren. / De jongste der drie / leek op Tante Marie, / behalve zijn gitzwarte haren.

En als ik hem zie / op de fotografie / die mijn brave familie mij stuurde, / dan denk ik: Mais oui! / c’etait la vie / de ma tante Marie / met haar queue de Paris / die zo fantasie-vol borduurde!

anniemgschmidt, famme.nl

bron foto: famme.nl

Annie M.G. Schmidt (1911 – 1995)

Uit: Tot hier toe, Querido Amsterdam, 1986

Middellandse Zee: verschiet te Rome

rome collosseum, booking.com

Bekendste Romeinse ruïne: het Colosseum; bron foto: booking.com

Verschiet te Rome

Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al. / Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt, / uit eigen grond gestampt. Maar avondgloed / te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond

laat door geen glorieus verwoest bestaan / zich evenaren. Ik aanzie die wondere / ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal / en keer op keer als voor het eerst zal zijn.

Anneke Brassinga (1948)

Uit: Verschiet, Bezige Bij Amsterdam, 2001

Jan Wolkers over pesten, mensenhaat en dierenvriendschap

jan wolkers, bezige bij

bron foto: debezigebij.nl

Het zijn de eerste vijf jaren van wat later blijken de roerige jaren ’60. Schrijver Jan Wolkers (1925 – 2007) staat aan het begin van zijn bekendheid als schrijver. Hij publiceerde onder andere Serpentina’s petticoat; Kort Amerikaans; Een roos van vlees; Gesponnen suiker; De hond met de blauwe tong en Terug naar Oegstgeest.

Voor de literaire criticus reden voor een eerste duiding van zijn werk. Is er een patroon? Zijn er terugkerende elementen? Kees Fens vindt van wel. Onder het de titel: Slachtoffers van de verbeelding geeft hij een eerste indruk van Wolkers’s werk.

Het oudste verhaal van Jan Wolkers De verschrikkelijke sneeuwman uit de bundel Serpentina’s petticoat, blijkt veel elementen te bevatten die in het latere werk geregeld terugkeren. De hoofdfiguur Herman is een uitgestotene die door zichzelf te ‘blinderen’ zijn uitgestotenheid volkomen maakt. Zijn gruwelijke daad is er een van wraak, een tot op de spits gedreven vorm van pesten van zijn huisgenoten. Eenmaal blind wordt hij ook zelf nog getreiterd door zijn oudste zus. Herman wil, zoals hij zelf verklaart, voor iedereen een vloek zijn, waarop zijn moeder hem geruststellend toevoegt, dat hij dat altijd geweest is. Herman is mensenhater, maar hij is een dierenvriend, vooral van de kleine, onaanzienlijke dieren. Zijn verhouding tot mens en dier wordt duidelijk uitgesproken in de volgende passage:

“Hoe heb ik ooit voor deze mensen kunnen voelen, dacht Herman. Hoe heb ik ooit als kind in bed nachten lang kunnen huilen bij de gedachte dat ze eens dood zouden gaan. Als een duif van mij dood ging mocht ik hem niet in de tuin begraven, en geen teken voor hem oprichten. Hij moest in de vuilnisbak. Een dier komt niet in de hemel, zei mijn vader. De eeuwigheid is voor de mens die naar Gods wil leeft, hij hoort in een graf, om daar te wachten tot de jongste dag. En de vogel wierp hij tussen de groenteafval.’

Uit: Slachtoffers van de verbeelding – Kees Fens, uit: Literair Lustrum 1, Atheneum Amsterdam, 1977