Paustovski bevond zich in een spagaat

Konstantin Paustovski (1892-1968, Kiev) is om meerdere redenen een schrijver die de moeite van het lezen waard is. Allereerst zijn levensloop: als student moest hij zijn studie onderbreken voor de Eerste Wereldoorlog. Paustovski was ziekenbroeder aan het front in Pruisen en maakte van dichtbij de gruwelen van deze oorlog mee. Tijdens die oorlog verloor hij zijn twee broers.

In 1917 maakte Konstantin de Russische Revolutie mee. Hij werd journalist onder andere in Odessa. In 1930 keerde hij terug naar Moskou waar in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Tijdens deze oorlog was hij oorlogscorrespondent aan het zuidelijk front. Na de oorlog werd hij docent aan het Gorki Instituut in Moskou. In 1965 werd Paustovski genomineerd voor de Nobelprijs. Hij won hem niet omdat hij niet Sovjet-getrouw genoeg was.

De Rus begon al in 1911 met schrijven. Van grote invloed op zijn werk waren schrijvers als Babel en Boenin. Paustovski meesterwerk is zijn 6-delige autobiografie:

“Geschiedenis van een leven is meer een lang, lyrisch en melancholisch verhaal, dan een strikte historische biografie. De nadruk ligt vooral op de innerlijke percepties en dichterlijke ontwikkeling van de schrijver zelf. Door vertaler Charles B. Timmer werd het ook wel een “biografie van de ziel” genoemd, meer dan een “biografie van gebeurtenissen”. Niettemin vormen de memoires van Paustovski een uniek tijdsdocument over het Russische leven in de turbulente eerste decennia van de 20e eeuw.” bron: wikipedia

Wie Paustovski leest vallen een aantal dingen op: zijn nauwkeurige beschrijvingen van de omringende natuur, zijn poëtische stijl, zijn kennis van en belangstelling voor die natuur, de romantiek, de nauwgezette beschrijvingen van gebeurtenissen en de vele anekdotes. Omdat Paustovski Rusland nooit heeft verlaten en zijn band met het Rusland van die tijd vooral een band was met de natuur, zou je hem een typische Russische schrijver kunnen noemen. Over zijn band met de levende natuur het volgende:

Zijn haast encyclopedische kennis van bloemen en planten en hun angstvallig nauwkeurige beschrijving bezorgen zijn vertalers heel wat hoofdbrekens, verzucht een Engels-Russisch tolkenpaar in het voorwoord bij een verhalen bundel. Als lezer struin je geregeld knie- of heupdiep door de bedauwde grassen en kruiden. En wanneer de bosbouwkundige Masja Klimova wilde rozen gaat plukken aan de Wolga, laat Paustovski haar jurk volklitten met struikheide, krabbenscheer, waterweegbree, fonteinkruid, wilde malve, weideklaver, bosbes en walstro.

Het zal niet verwonderen dat Ivan Boenin zijn favoriete auteur is, de Nobelprijslaureaat die de Russische traditie van landschaps- en natuurschrijverij in de twintigste eeuw voortzette, zij het vanuit ballingschap in Parijs. Boenin wist bosschages te tooien met menselijke gedachten en stemmingen, zo sprak Paustovski zijn bewondering uit. Zelf is hij zo verknocht aan de Russische taal en de immense Russische wouden dat zelfs de gedachte aan emigreren nooit in zijn hoofd is opgekomen. Bij een opsomming van noodzakelijke voorwaarden voor een goed schrijverschap noemt hij (naast lyrische kracht en inlevinsgvermogen) een levende band met de natuur. Niks geen klassenbewustzijn of andersoortig maatschappeklijk engagement. Nee, de natuur dient door aandachtige bestudering een tweede universum in het hart van de schrijver te worden. Toen ik dat las besefte ik ineens in wat voor spanningsveld Paustovski als beginnend Sovjet-schrijver moet zijn beland. De vijfjaren-planen, dat waren verklaarde aanvallen op de onontgonnen wildernis. Gorki zelf verkondigde dat, zodra de klassenstrijd gestreden was, de Sovjet-mens zijn handen vrij had om het gevecht aan te gaan met zijn laatste vijand: de natuur.

uit: botanicus in de woestijn; uit: Ingenieurs van de ziel – Frank Westerman; Olympus Amsterdam, 2005

paustovski; groene.nlbron beeld: groene.nl

Konstantin Paustovski (1892-1968, Moskou)

Munro wil haar eigen boek (schrijven)

Er kwam een tijd dat de boeken in de stadhuisbibliotheek niet genoeg voor me waren, en ik mijn eigen boek wilde. Het schrijven van een roman werd mijn levensdoel. Ik koos de familie Sheriff als onderwerp uit; wat hun was overkomen had hen duidelijk apart gezet en tot fictie gedoemd. Ik veranderde de naam Sheriff in Halloway en de dode vader van de winkelier in rechter. Ik wist uit de boeken dat je in de families van rechters, net als in die van grootgrondbezitters, altijd op degeneratie en krankzinnigheid kon rekenen. De moeder kon ik gewoon zo laten, zoals ik haar had meegemaakt toen ik de anglicaanse kerk een tijdje had bezocht en ze er altijd was geweest, grimmig en imponerend, en er haar schallende smeekbedes had laten horen. Ik gaf hun een ander huis en verhuisde hen van de mosterdkleurige bungalow achter het gebouw van de Herald-Advance, waar ze altijd gewoond hadden en waar ms. Sheriff er nog steeds een piekfijn gazon en voorbeeldige bloembedden op na hield, naar een zelfontworpen huis, een bakstenen huis met een torentje en hoge smalle ramen en een poort, dat door heesterhagen werd omgeven die in de vorm van hanen, honden en vossen waren gesnoeid.

Niemand wist iets van deze roman af. Ik had geen zin het wereldkundig te maken. Ik schreef wat stukjes op en borg ze weg, maar ik besefte algauw dat het een vergissing was om dingen op te schrijven; wat ik opschreef tastte de schoonheid en gaafheid van de roman in mijn hoofd maar aan.

uit: levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

munro, alice; lareviewofbooks.orgbron beeld: lareviewofbooks.org

Alice Munro (1931, Wingham, Canada)

Priemende ogen, tandeloze mond

Herta-Mueller; welt.debron beeld: welt.de

In Lage streken vinden we verhalen van de Roemeens-Duitse Nobelprijswinnaar Hertha Müller (1953). Het zijn evenzovele voorbeelden van haar manier van schrijven, die uniek is. Soms zijn de zinnen uitgebeend. Vaak geef ze haar eigen poëtische draai met een eenvoudige taal die de verhoudingen tussen mensen schetst; mens en natuur en gebeurtenissen aan trauma’s knoopt. Of dat nu de oorlog, de dictatuur of de verhouding man-vrouw-kind betreft. Een mooi voorbeeld van haar unieke taalgebruik is het volgende:

Tussen onze ramen, tussen onze halve gezichten kijkt het hoekige gezicht van mijn moeder met een zwarte zijden hoofddoek, met gespikkelde priemende ogen, met een tandeloze mond.

De priemende ogen drijven uit het hoekige gezicht, uit de zwarte zijden hoofddoek, drijven naar het eind van de open straat, naar het eind van het dichtgebonden dorp. Achter de laatste tuinen, achter de holle brug openen de priemende ogen de grond en ze vallen erin.

Aan de dorpsrand staat een kruis. Jezus hangt aan de kant van de weg te bloeden en kijkt afwezig door een raam van kapotte pruimenbomen naar het rapenveld.

Mijn ogen drijven uit het raam, drijven uit mijn hoofd, uit mijn hete mond, uit mijn verstopte zweet. Mijn raam is blind. Mijn armen zijn doodgewikkeld in Peters armen. Ik kijk nog een keer door mijn blinde raam en zeg snel en zachtjes: Ik ben misselijk.

Mijn tong valt in mijn mond. Ik val over mijn zijdegrijze schemerige klok. Ik zak in de onrustige plooien van de zwarte rokken van de stokoude vrouwen, in de grijpende handen, in de tandeloze mond.

De zwarte rokken zijn even open als de straten, even dichtgebonden als het dorp, even gebroken als de grijpende grond achter de laatste tuinen, achter de priemende ogen, achter de tandeloze mond.

uit: het raam; uit: Lage streken, De Geus Breda, 2012; vertaling Ria van Hengel

Munro leert onderscheid te maken

In het korte verhaal Doop schrijft Alice Munro (1931, Canada) over ontmoetingen van een jonge vrouw met het andere geslacht. Haar eerste vriendje is Jerry Storey, een jongen met een hoog IQ.

Jerry Storey en ik raakten bevriend. We praatten in de gangen. We ontwikkelden geleidelijk onze eigen taal, woordenschat en gespreksthema’s die we met niemand anders deelden. Onze namen verschenen naast elkaar in het kleine, gestencilde, bijna onleesbare schoolkrantje.

(..) Ik vond Jerry duizendmaal eigenaardiger en veel minder aantrekkelijk dan ikzelf, en het was duidelijk dat hij vond dat je door mijn hersens en de zijne in dezelfde categorie te plaatsen liet zien dat je niet het minste onderscheidingsvermogen had. Het was alsof je zei dat Toscanini en de plaatselijke kapelmeester alleibei talent hadden. Wat ik bezat, vertelde hij me ronduit toen we het over onze toekomst hadden, was een eersteklas geheugen, een niet-ongebruikelijk vrouwelijk talent voor taal, een vrij zwak gevoel voor logica en nauwelijks aanleg voor abstract denken. Ik mocht dan oneindig slimmer zijn dan de meeste mensen in Jubilee, zei hij, maar daarom moest ik nog niet mijn ogen sluiten voor het feit dat ik in de intellectuele, prestatiegerichte buitenwereld algauw mijn grens zou bereiken.

(..) Ik nam zijn oordeel manhaftig in ontvangst, omdat ik het niet geloofde. Dat wil zeggen, ik wist dat het waar was, maar voelde me nog steeds sterk staan op terreinen waar hij geen oog voor had en waar zijn manier van oordelen volgens mij niet gold. Ik had geen bewondering voor zijn hersentoeren, want je bewondert nu eenmaal alleen capaciteiten die gelijk zijn, hoewel groter, aan die van jezelf. Ik vond dat zijn hersens op een circustent leken vol vage apparaten waarop hij, als ik er niet was, spectaculaire maar saaie kunstjes uitvoerde. Ik zorgde ervoor dat hij niet merkte dat ik dat dacht. Hij vertelde me blijkbaar eerlijk wat hij van mij dacht, maar ik was niet van plan om eerlijk tegenover hem te zijn. Waarom niet? Omdat ik in hem voelde wat vrouwen vaak in mannen voelen, iets kwetsbaars en verwaands, iets tirannieks en absurds, en dat ik nooit voor de gevolgen zou kunnen instaan als ik me daarin mengde; ik voelde een onverschilligheid, een verachting haast, die ik voor hem verborg. Ik dacht dat ik tactvol en zelfs aardig was; ik dacht nooit dat ik trots was.

uit: levens van meisjes en vrouwen, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

munro, alice; decorrespondent.nlbron beeld: decorrespondent.nl

Herta Müller beschrijft een verpeste feestdag

In Lage streken, een verzameling autobiografische vertellingen, schetst de Duitse schrijfster, van Roemeense komaf, Herta Müller (1953) een portret van een boerendorp op het Roemeense platteland. Alle bewoners behoren tot de Duitssprekende minderheid, die wordt onderdrukt door het communistische regime. Müller verweeft de dromerige, onschuldige observaties van een kind met de grauwe en beladen werkelijkheid van de volwassenen.

De gebruikte taal is eenvoudig, knoestig, ruw, soms dromerig, poëtisch. Een geheel eigen geluid dat herkend en erkend werd met de toekenning van de Nobelprijs. Lage streken is mijn kennismaking met het werk van de schrijfster, die zoveel pijn en ongemak in haar oeuvre stopt.

De fotograaf was toen in het dorp. Ik was mollig en had kuiltjes in mijn polsen. Ik had een krul op mijn hoofd die op feestdagen altijd met suikerwater en met een steel van een pollepel gedraaid werd. De krul was weer scheef komen te zitten, zoals op alle feestdagen, omdat moeder bij het kammen huilde, want vader was weer dronken uit de kroeg gekomen.

De feestdag was verpest, zoals alle feestdagen in dit huis.

Je ziet het op de foto, aan de scheve krul van haren en suikerwater, en aan mijn scheve lachje. Ik ging gekamd en aangekleed naar het achtererf en sloot mezelf op in de plee en deed mijn broek omlaag, ging op de stinkende plank zitten en begon hard te huilen. Ik wilde niet betrapt worden en als ik buiten stappen hoorde, werd ik plotseling stil, want ik wist dat je in dit huis niet zonder reden mocht huilen. Moeder sloeg mij soms als ik huilde en dan zei ze: Zo, nou heb je eindelijk een reden.

uit: lage streken – Herta Müller, De Geus Breda, 2012; vertaling Ria van Hengel

herta-Mueller-in-Rumaenien; welt.debron beeld: welt.de

Herta Müller (1953, Nitchidorf, Roemenië)

Pirandello laat Tommasino afglijden

luigi-pirandello, metroct.itbron beeld: metroct.it

Het is het verhaal van Tommasino, de subdiaken die het epistel zingt, die uitgestoten door de mensen noodzakelijkerwijs kiest voor zich terugtrekken. Luigi Pirandello (1867-1936) schiep een kort verhaal waarin hij het malheur van Tommasino uit de doeken doet.

Nu is het zo dat het lichaam, ook als de geest zich vastzet in de diepste smart of in een koppig streven, dikwijls de geest laat zitten en stilletjes, zonder iets te zeggen, zijn eigen leven gaat leiden, genietend van de frisse lucht en van gezonde spijzen. En zo gebeurde het dat Tommasino binnen de kortste keren en haast spottenderwijs, terwijl zijn geest steeds meer wegkwijnde en versomberde in die wanhopige overpeinzingen, het welgevoede, weelderige lichaam had gekregen van een dikke abt.

Tommasino? Tommasone was hij nu, Tommasone zingt het epistel! Wie hem zag zou zijn vader gelijk geven. Maar in het dorp wist men wat voor leven de arme jongen leidde; en geen enkele vrouw kon beweren dat ze door hem was aangekeken, zelfs niet vluchtig.

Zich niet meer bewust zijn van zijn eigen bestaan, als een steen, een plant; zich zelfs zijn eigen naam niet meer herinneren; leven om te leven, zonder te weten dat hij leefde, als de dieren, de planten, zonder gevoelens of verlangens of herinneringen of gedachten, zonder nog maar iets dat het leven zin en waarde gaf. Zo: languit in het gras, zijn handen ineengestrengeld achter zijn hoofd, kijken naar de verblindend witte wolken in de blauwe lucht die bol stonden van de zon, luisteren naar de wind die in de kastanjebomen van het bos een geluid maakte als het ruisen van de zee, en in de stem van de wind  en in dat geruis als uit een eindeloze verte de vergeefsheid van alle dingen en de beklemmende eentonigheid van het leven horen.

Wolken en wind.

uit: hij zingt het epistel; uit: De bokkesprong, Coppens & Frenks Amsterdam, 1992; vertaald door Marije de Jager en Anthonie Kee

Luigi Pirandello (1867-1936, Agrigento, It)

Munro: het moederlijke verraad

munro; rtve.esbron beeld: rtve.es

Een opgroeiend meisje, een puber, verhaalt over haar eerste seksuele ervaringen met het andere geslacht in Levens van meisjes en vrouwen. Een kort verhaal uit de gelijknamige bundel verhalen van schrijfster Alice Munro (1931) die mij zonder moeite meeneemt in haar realistische verhalen waarvan je denkt (en verwacht) dat ze gebaseerd zijn op ware gebeurtenissen.

Maar eerst komt de verhouding van de hoofdpersoon met haar moeder aan de orde:

Dat ze over mijn kinderen sprak verbaasde me ook, want ik was niet van plan kinderen te krijgen. Ik was op glorie uit wanneer ik als een banneling of een spion door de straten van Jubilee liep, zonder te weten uit welke hoek die roem zou komen, er alleen in mijn hele wezen van overtuigd dat het zou gebeuren. Mijn moeder had deze overtuiging ooit gedeeld, ze was mijn bondgenoot geweest, maar nu besprak ik het niet meer met haar, want ze praatte haar mond voorbij en haar verwachtingen waren te concreet geworden.

uit: levens van meisjes en vrouwen – Alice Munro, De Geus Breda, 2014; vertaling Pleuke Boyce

Szymborska Dicht de Dag

szymborska; ara.catbron beeld: ara.cat

Een bijdrage tot de statistiek

Op elke honderd mensen / zijn er tweeënvijftig / die alles beter weten, / onzeker van elke stap – / bijna de hele rest, / bereid om te helpen, / als het niet te lang duurt / – wel negenenveertig, / de goedheid zelve, / omdat ze niet anders kunnen, / – vier, nou, misschien vijf, / in staat tot bewondering zonder afgunst / – achttien, / leven er in voortdurende angst / voor iemand of iets / – zevenenzeventig, / hebben er talent om gelukkig te zijn / – ruim twintig, hoogstens, / zijn als individu ongevaarlijk, / maar slaan los in de massa, / – in elk geval meer dan de helft, / zijn wreed, / als de omstandigheden hen dwingen, / – hoeveel kun je beter niet weten, / ook niet bij benadering, / verstandig als het te laat is, / – niet veel meer / dan voor het te laat is, / willen er van het leven alleen dingen / – veertig / hoewel ik me hier liever vergis, / duiken, een en al pijn, in elkaar / zonder lantaarn in het donker / – drieëntachtig, / vroeg of laat, / verdienen er medelijden / – negenennegentig, / zijn sterfelijk / – honderd op de honderd. / Een getal dat vooralsnog niet verandert.

uit: papyrus, Irene Vallejo; Meulenhoff Amsterdam, 2021; vertaling Adri Boon

Wislawa Szymborska (1923-2012, Bnin, Polen)

Böll: ‘Ieren, emigranten in eigen land’

Mit Heinrich Böll durch Kölnbron beeld: mz.de

Heinrich Böll speelde een periode in mijn leven een belangrijke rol. Ik ben een katholiek opgevoede jongen. Kerkkoor en Beatmis heb ik gered, daarna volgde de teleurstelling. Qua persoonlijke ontwikkeling was ik op Duitsland gericht, dicht wonend aan de grens. Het Duitsland van de jaren 70 en 80. Het Duitsland van Heinrich Böll, Gunther Grass en Wolf Biermann. Het Duitsland ook van de Rote Armee Fraktion en de Baader-Meinhof Gruppe. Böll won in die periode de Nobelprijs (1972) en was een vooraanstaand en invloedrijk schrijver. Zijn belangrijkste bijdrage was wellicht zijn kritiek op de katholieke kerk, het instituut, dat hij medeverantwoordelijk achtte voor de wandaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die kritiek en hoe de kerk daarmee omging (nog voordat allerlei misbruik-schandalen bekend werden), zorgden voor mijn teleurstelling.

Terug naar Böll. Ik lees zijn Iers dagboek. Het Ierland van toen was super-katholiek. Böll voelde zich er thuis en had er zelfs een zomerhuis. In dit Iers dagboek geeft hij een persoonlijk gekleurd beeld van het land en zijn bewoners. Het Ierland van de turf, het keel-Keltisch, de overal tastbare armoede en de veiligheidsspeld. Het land van de duizenden priesters en het veelvuldige bioscoopbezoek; de minimale zelfmoordcijfers en de thee en whiskey. Dat land is een eiland en de beste manier om er te komen is per boot.

Ik had vergeten mij van een plaats voor de nacht te verzekeren, ik klom over benen, kisten en koffers; in het donker gloeiden sigaretten, ik ving brokstukken van gefluisterde gesprekken op: ‘Connemara… geen kans… serveuse in Londen.’ Ik zocht een plaats tussen de reddingsboten en zwemgordels, maar de westenwind was scherp en vochtig; ik stond op, zwierf weer over het schip, dat meer op een emigrantenschip leek dan op een schip met thuisvarenden: benen, gloeiende sigaretten, stukken van gefluisterde gesprekken – tot een priester mij vasthield aan de zoom van mijn jas en mij met een glimlach vroeg naast hem te komen zitten; ik leunde wat achterover om te slapen, maar rechts van de priester, van onder een groengrauw geruite reisdeken, sprak een zachte, heldere stem:

‘Nee, vader, nee, nee… het is bitter om aan Ierland te denken. Eens in het jaar moet ik er wel heen om mijn ouders weer te zien, en mijn grootmoeder leeft ook nog.

Kent u County Galway?

‘Nee,’ antwoordde de priester met zachte stem.

‘Connemara?’

‘Nee.’

‘Dan moest u er eens heengaan, en vergeet u niet als u weer naar Engeland terugvaart, in de haven van Dublin goed te kijken naar wat er uit Ierland geëxporteerd wordt: kinderen en priesters, nonnen en biscuit; whiskey en paarden, bier en honden…’

‘Mijn dochter,’ zei de priester zacht, ‘u moogt die dingen niet in een adem noemen.’

Een lucifer flikkerde onder de groengrauwe reisdeken, een scherp profiel was enkele seconden zichtbaar.

‘Ik geloof niet aan God,’ zei de zachte, heldere stem; ‘nee, ik geloof niet aan God – waarom mag ik dan niet priesters en whiskey, nonnen en biscuit in een adem noemen; ik geloof ook niet aan Kathleen ni Houlihan, aan het eiland uit de sprookjeswereld… Ik ben servuese geweest in Londen geweest, twee jaar lang, ik heb gezien hoeveel lichte meisjes…’

‘Mijn kind,’ zei de priester zacht.

‘… hoeveel lichte meisjes Kathleen ni Houlihan aan Londen geleverd heeft; dit eiland der heiligen…’

‘Mijn kind!’

‘Zo noemde de pastoor thuis mij ook: mijn kind… Hij kwam op de fiets, een lange weg, om ons zondags de mis te lezen, maar hij kon er niets aan doen dat Kathleen ni Houlihan haar kostbaarst bezit exporteerde, haar kinderen. Gaat u naar Connemara, vader – zoveel schoon land met zo weinig mensen erin heeft u vast en zeker nog nooit gezien; misschien leest u dan nog eens de mis bij ons, en dan ziet u mij die zondag vroom knielen in de kerk.’

uit: iers dagboek, Elsevier Amsterdam, 1973

Heinrich Böll (1917-1985, Keulen, Dld)

 

Mario Vargas Llosa stelt De Raadgever voor

De Antichrist is geboren /

Om Brazilië te leiden /

Maar de Raadgever is gekomen /

Om ons van hem te bevrijden

In de roman De oorlog van het einde van de wereld vertelt de Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa het verhaal van een messiaanse figuur in het Noord-Oosten van Brazilië, die een duistere mengelmoes van chistelijke zedenleer en apocalyptische visioenen predikt. Hij, de Raadgever,  weigert de jonge Braziliaanse republiek te erkennen. Daar gaat de regering op af want de man heeft tienduizenden volgelingen en vormt een bedreiging.

Over deze messiaanse figuur schreef ook de grote Braziliaanse auteur Euclides da Cunha al een omvangrijk boek: Os Sertões.

In het volgende fragment krijgen we zicht op wat de Raadgever zijn volgelingen voorhoudt:

Hij sprak over eenvoudige maar belangrijke dingen, zonder een van de mensen om hem heen speciaal aan te kijken, of liever gezegd, met zijn brandende blik dwars door het koor van ouden van dagen, vrouwen, mannen en kinderen heen kijkend naar iets of iemand die hij alleen kon zien. Dingen die men begreep omdat ze al sinds onheuglijke tijden onbewust bekend waren en men ze gelijk met de moedermelk in zich opnam. Actuele, tastbare, dagelijkse, onvermijdelijke dingen, zoals het einde van de wereld en het laatste Oordeel, dingen die misschien al zouden plaatsvinden voordat de dorpsbevolking de halfingestorte kapel weer had opgebouwd. Wat zou er gebeuren als Onze-Lieve-Heer zag hoe ze zijn huis hadden verwaarloosd? Wat zou hij zeggen over de handelswijze van die pastoors die in plaats van de arme te helpen, hem de zakken leegklopten door hem te laten betalen voor de diensten van de Kerk? Mochten Gods woorden worden verkocht, moesten die niet gratis worden gegeven? Welk excuus zouden die paters tegenover de Heilige Vader aanvoeren voor het feit dat ze ondanks hun gelofte van kuisheid onttucht pleegden? Konden ze soms leugens bedenken voor hem die gedachten  las zoals een spoorzoeker de voetafdruk  van de jaguar leest op de grond? Praktische, dagelijkse, huiselijke dingen zoals de dood die naar het geluk leidt als je er met een schone ziel naartoe gaat, als naar een feest. Waren de mensen soms dieren? Zo niet, dan moesten ze in hun mooiste kleren onder die poort door als bewijs van ontzag voor hem die ze daar zouden ontmoeten. Hij vertelde hun over de hemel en ook over de hel, het huis van de Hond dat geplaveid was met gloeiende kooltjes en ratelslangen, en over hoe de Duivel zich kon vertonen in onschuldig uitziende nieuwlichterijen.

uit: de oorlog van het einde van de wereld, Meulenhoff Amsterdam, 2011; vertaling Mariolein Sabarte Belacortu

mario-vargas-llosa; dariovivo.combron beeld: dariovivo.com

Mario Vargas Llosa (1936, Arequipa, Peru)