Singer: de Spinoza van Warschau

Isaac-Bashevis-Singer; bashevissinger.combron foto: bashevissinger.com

Isaac Bashevis Singer (1904-1991, Leoncin, Polen) geldt als Amerikaans schrijver, kwam uit een streng joods-orthodox gezin in Polen voordat de oorlog hem naar de USA vedreef. Singer schreef veel over zijn joodse achtergrond en gaf stem aan de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde getto-bewoners in Poolse steden. In zijn werk komen thema’s als menselijkheid, humor, erotiek en occultisme voor.

In De Spinoza van Warschau gaat het om dr. Fischelson uit Warschau. De dr. bestudeert al 30 jaar lang Ethica van Spinoza: ‘Hij kende elke stelling, elk bewijs, elke gevolgtrekking en elke notitie uit zijn hoofd.’ Fischelson is niet bang voor de dood. Hij is oud. In Ethica staat bovendien te lezen dat: ‘een vrij man nergens minder aan denkt dan aan de dood en zijn wijsheid een bespiegeling is, niet over de dood, maar over het leven.’ Verder schrijft Spinoza: ‘Dat de menselijke geest niet samen met het menselijk lichaam volledig teniet zal gaan, maar dat een deel ervan eeuwig zal voortbestaan.’

Fischelson peinst wat af in dit verhaal en zondert zich steeds meer af. Zich op de been houdend met de wijsheden uit Ethica:

Hij herinnerde zich dat zedelijkheid en geluk volgens Spinoza identiek waren en dat de zedelijk meest verantwoorde daad die de mens kon stellen, bestond uit het toegeven aan een genoegen dat in overeenstemming was met de rede.

Maar Fischelson moet tegenslag na tegenslag doorstaan. Er wordt hem onrecht aangedaan waardoor hij ook steeds meer het vertrouwen in zijn medemens verliest.

Deze lieden hadden zich overgegeven aan de laagste passies, ze waren dronken van emoties, en volgens Spinoza moest men emoties altijd vermijden. Ze joegen het aardse geluk na, maar slechts ziekte en kerkering was hun deel, de schande en het lijden, dat voortsproot uit onwetendheid.

De oorlog breekt uit. Er is nog meer leed. Fischelson leeft teruggetrokken op een zolderkamertje en komt nauwelijks de deur nog uit. Hij denkt aan zelfmoord, maar dat verbied Spinoza. Een vrouw, Zwarte Dobbe, komt in zijn leven. Zij verzorgt hem en laat hem opknappen. Uiteindelijk gevolg: een huwelijk. De bruiloft volgt en na een heftige bruidsnacht:

Dr. Fischelson keek naar boven. De zwarte hemelboog was dicht bezaaid met sterren: groene, rode, gele en blauwe sterren, grote en kleine, twinkelende en roerloze. Sommige groepten dicht op elkaar en sommige stonden alleen. In de hoogste sferen was klaarblijkelijk nauwelijks notitie genomen van het feit dat een zekere dr. Fischelson in zijn nadagen was getrouwd met een zekere Zwarte Dobbe. Van bovenaf gezien was zelfs de grote oorlog niets anders dan een modieus spelletje. De myriaden grote sterren beschreven hun vaste banen in de eindeloze ruimte. En om deze stralende lichtbronnen cirkelden de kometen, planeten, satellieten en astroïden eindeloos voort. Bij elke rilling die door de kosmos voer werden hele werelden tot leven gewekt of aan de vernietiging prijsgegeven. In de chaos der nevelen werd de oerstof geformeerd.  Af en toe scheurde een ster los, flitste door de hemel en liet een vurige streep na. De augustusmaand had zoals altijd een regen van meteoorstenen meegebracht. Ja, de goddellijke substantie was onmetelijk en zonder begin of eind; ze was absoluut, onsplitsbaar, eeuwig en zonder duur, oneindig in haar verschijningsvormen. Haar golven en borrelingen dansten in een universele heksenketel, ziedend van leven, in een onverbreekbare rij van oorzaken en gevolgen en hij, dr. Fischelson, met zijn voorbeschikt lot, maakt er deel van uit. De doctor sloot de ogen en stelde zijn bezwete voorhoofd en zijn wapperende baard bloot aan het koele windje. Diep ademde hij de nachtlucht in; hij hield zich met zijn bevende handen vast aan de vensterbank en mompelde: ‘Goddelijke Spinoza, vergeef het mij. Ik ben een dwaas geworden.’

Uit: De Spinoza van Warschau en andere jiddisje verhalen, Arbeiderspers Amsterdam, 1966; vertaling A.Polak-Lubbers.

Isaac Bashevis Singer (1904-1991, Leoncin, Polen)

Szymborska: lof der dromen

Wislawa-Szymborska, vpro.nlbron foto: vpro.nl

Lof der dromen

In mijn dromen / schilder ik als Vermeer van Delft.

Spreek ik vloeiend Grieks en niet alleen met de levenden.

Bestuur ik een auto / die me gehoorzaamt.

Ben ik heel begaafd / schrijf grootse poëmen.

Hoor ik stemmen, / niet slechter dan respectabele heiligen.

Mijn voortreffelijke pianospel / zou u sterk verbazen.

Ik vlieg zoals het hoort, / dat wil zeggen: zelf.

Als ik van het dak val, / weet ik zacht in het groen te landen.

Het valt me niet moeilijk / onder water te ademen.

Ik mag niet klagen: / het is me gelukt Atlantis te ontdekken.

Het verheugt me dat ik voor mijn dood / altijd wakker weet te worden.

Direct na het uitbreken van een oorlog / draai ik me op mijn goede zij.

Ik ben een kind van mijn tijd, / maar hoef dat niet te zijn.

Enige jaren geleden / zag ik twee zonnen.

En eergisteren een pinguïn. / Haarscherp.

Uit: Elk geval, Meulenhoff Amsterdam, 1972; vertaling Gerard Rasch

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

Pasternak: Hamlet

Hamlet

De zaal wordt stil. Ik aarzel op de planken. / Leunend in de deurpost blijf ik staan. / Even vang ik op uit verre klanken / Hoe het in mijn leven zal vergaan.

In het nachtelijke duister keren / Duizenden binocles zich naar mij. / Als het mogelijk is, Abba Here, / Draag dan deze kelk aan mij voorbij.

Uw geboden wil ik niet beschamen / En ik ben tot deze rol bereid, / Maar vandaag speelt hier een ander drama, / Scheld mij deze keer Uw opdracht kwijt.

Voorbeschikt is alles in dit leven, / Onafwendbaar ’t einde van de reis. / Ik sta alleen, door huichelaars omgeven. / Deze aarde is geen paradijs.

Uit: De meisjes van Zanzibar, 20-ste eeuwse gedichten uit Oost-Europa, Plantage Leiden, 2000

boris pasternak, 1910, L.PasternakBoris geschilderd door zijn vader Leonid Pasternak, in 1910.

Boris Pasternak (1890-1960, Moskou, Rusland)

Bijna iedere dag muziek: Bob Dylan

Over Bob Dylan (1941, Duluth, USA) valt veel te vertellen. Dat het een idool was van mijn broer. Dat Dylan van folk overstapte naar de electrische versie = rock; dat die stap een schandaal was. Dat Dylan met zijn protestsongs stem gaf aan een hele generatie. Dat hij onvoorspelbaar is. Zijn geheel eigen weg gaat en daarbij baanbrekend was. Dat hij country en blues omarmde toen dat niet sexy was. Dat hij in de Here ging, terwijl niemand dat verwachtte. Dat hij kon croonen. Maar in alles was Dylan revolutionair, eigengereid en van grote invloed op singer-songwriters. Zijn teksten waren Nobelprijs-waardig, zo bleek. Daarom dit eerbetoon.

 

 

Szymborska: thuiskomen

Thuiskomen

Hij kwam thuis. Zei niets. / Het was echter duidelijk dat hem iets naars was overkomen. / Hij kroop met zijn kleren aan in bed. / Verborg zijn hoofd onder de deken. / Trok zijn knieën op. / Hij is rond de veertig, maar niet op dit ogenblik. / Hij bestaat, maar niet meer dan in zijn moeders buik, / vele huiden ver, in een beschuttend duister. / Morgen moet hij een lezing houden over de homeostase / in de metagalactische astronautiek. / Nu ligt hij ineengedoken, slaapt.

Uit: Elk geval, Meulenhoff Amsterdam, 1972; vertaling Gerard Rasch

szymborska, godinfragmenten.wordpress.combron foto: godinfragmenten.wordpress.com

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

Szymborska: uit de lucht vallend

Uit de lucht vallend

De magie vergaat, hoewel de grote machten / zijn zoals ze waren. In augustusnachten / weet je niet of daar een ster valt of iets anders. / Noch of het wel iets is dat hoort te vallen, / noch of je voor de grap een wens mag doen, / of iets voorspellen. Uit een hoopje sterrenstof? / Alsof de eeuw nog lang de twintigste niet is? / Ik ben een echte vonk, nee, dat zweert geen flits, / kom uit de staart van een komeet in brand, / ik ben een heuse vonk, smeul zachtjes weg – / niet ik val uit de lucht recht in de ochtendkrant, / dat is die andere, die daar met motorpech.

Uit: Elk geval, Meulenhoff Amsterdam, 1972; vertaling Gerard Rasch

Wisława-Szymborska, artes&contextosbron: artesecontextos.com

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

Saul Bellow: vrijheid, oorlog en het lot

‘We zijn bang om onszelf te beheersen. Natuurlijk. Het is zo moeilijk. We willen onze vrijheid gauw opgeven. Het is niet eens echte vrijheid, want zij gaat gepaard met begrip. Het is slechts een toestand die aan vrijheid voorafgaat. Maar wij hebben er een hekel aan. En weldra raken we uitgeput, we kiezen een meester, rollen ons op onze rug en vragen om de zweep.’

‘Ah,’ zei Tu As Raison Aussi.

‘Dat gebeurt er. Het is niet de liefde die ons levensmoe maakt. Het is ons onvermogen om vrij te zijn.’

‘Ben je bang dat het jou zal kunnen overkomen?’

‘Dat ben ik.’

‘Hoe zou je de oorlog in het gunstigste geval willen zien?’

‘Ik zou hem als een incident willen zien.’

‘Alleen maar een incident?’

‘Een heel belangrijk incident, misschen het belangrijkste dat zich ooit heeft voorgedaan. Maar toch, een incident. Wordt de ware aard van de wereld erdoor veranderd? Nee. Zal het uitsluitsel geven over de belangrijkste vraagstukken van het bestaan? Nee. Zal het ons geestelijk bevrijden? Nogmaals nee. Zal het ons bevrijden in de meest elementaire zin, dat wil zeggen alleen maar mogen ademen en eten? Ik hoop het, maar ik ben er niet zeker van dat het zo zal zijn. Hij is niet op een wezenlijke manier cruciaal – als je mijn betekenis van wezenlijk aanvaardt. Veronderstel dat ik een totale levensvisie had. Ik zou dan niet wezenlijk worden aangetast. De oorlog kan me lichamenlijk vernietigen. Dat kan. Maar dat kunnen bacteriën ook. Ik moet er natuurlijk rekening mee houden. Maar zolang ik leef moet ik desondanks mijn lot volgen.’

Uit: Wachttijd – Saul Bellow, Hema Amsterdam, 1990; vertalingMax Schuchart

bellow, walesartsreview.orgbron foto: walesartsreview.org

Saul Bellow (1915-2005, Lachine, Canada)

Narcotische matheid? Saul Bellow vertelt…

Het is een narcotische matheid. Er zijn tijden waarop ik me er niet eens bewust van ben dat er iets mis is met dit bestaan. Maar daartegenover zijn er tijden waarop ik me met verbijstering en ergenis verman, en dan zie ik mezelf als een moreel slachtoffer van de oorlog. Ik ben veranderd. Twee voorvallen in de afgelopen week hebben me laten zien hoezeer. Het eerste kan nauwelijks een voorval worden genoemd. Ik zat in Goethe’s Poëzie en leven te bladeren en kwam bij de volgende zin: ‘Deze walging van het leven heeft zowel fysieke als morele oorzaken…’ Ik werd hierdoor voldoende gestimuleerd om verder te lezen. ‘Alle comfort in het leven berust op een regelmatig optreden van externe verschijnselen. De veranderingen van de dag en nacht, van de jaargetijden, van bloemen en vruchten en alle andere zich herhalende genoegens die tot ons komen zodat we ervan kunnen en behoren te genieten – dit zijn de voornaamste drijfveren van ons aardse leven. Hoe meer we open staan voor die genietingen, des te gelikkiger we zijn; maar als die veranderende verschijnselen zich voordoen en wij er geen belangstelling voor hebben, als we ongevoelig zijn voor dergelijke mooie verlokkingen, dan overvalt ons het ergste kwaad, de zwaarste ziekte – we beschouwen het leven als een weerzinwekkende last. Van een Engelsman wordt gezegd dat hij zich ophing zodat hij zich niet langer iedere dag hoefde aan en uit te kleden.’ Ik lees verder en verder met ongewoon gevoel. Goethe’s kopje op de volgende pagina was ‘Levensmoeheid’. Exact Radix malorum est, moeheid van het leven. Toen kwam de verklaring: ‘Niets brengt deze moeheid meer teweeg dan de herhaling van de hartstocht van de liefde.’ Diep teleurgesteld legde ik het boek neer.

Uit: Wachttijd (Dangling man) – Saul Bellow, Hema Amsterdam, 1990; vertaling Max Schuchart

bellow_saul_loa.orgbron foto: loa.org

Saul Bellow (1915-2005, Lachine, Canada)

Szymborska: beweging

Beweging

Jij huilt hier, daar wordt gedanst. / En ze dansen in jouw traan. / Zij vieren feest, hebben plezier, / zij begrijpen er niets van. / Haast spiegelglinsteringen, / haast kaarsenflakkeringen. / Bijna trappen, galerijen. / Als een manchet, een geste. / Dat leeghoofd, waterstof met zuurstof. / Die rakkers chloor en natrium. / Dat fatje stikstof – in reidans / onder de koepel, vallend, / vliegend, wervelend, steeds weer. / Jij huilt, zij horen niets liever. / Eine kleine Nachtmusik, hun bal. / Wie ben je, mooi maskermeisje?

Uit: Grote pret, Meulenhoff Amsterdam, 1967

szymborska, vk.nlbron foto: vk.nl

Wislawa Szymborska (1923-2012, Kornik, Polen)

Seamus Heaney: de spoorwegkinderen

De spoorwegkinderen

Toen we de hellingen van de holle baan beklommen / Stonden we oog in oog met de witte knoppen / Van de telegraafpalen en de sissende draden.

Als sierlijk schoonschrift kromden zij zich mijlenver / Naar oost en west van ons vandaan, doorbuigend / Onder hun last van zwaluwen.

We waren klein en dachten dat we niets wisten / Dat het weten waard was. We dachten dat woorden langs de draden reisden / In de blinkende buidels van regendruppels,

Elk ervan geheel bevrucht door het licht / Van de lucht, het glimmen van de lijnen, en wijzelf / Zo onmetelijk verkleind

Dat we door het oog van de naald konden vloeien.

Uit: Mistroostig en thuis, Kwadraat Utrecht, 1987; vertaling Peter Nijmeijer

seamus heaneySeamus Heaney (1939-2013, Castledawson, UK)