D.J. Enright: verklaring

Verklaring

Kijk, het ontwikkelt zich als volgt. De zogeheten handen / Die eindigen in vingers, die eindigen in nagels, / Die hangen als geheel aan armen. Zo ook de benen, / Die overgaan in voeten, waaruit zogeheten / Tenen spruiten. Daar ziet u een hoofd. Die onderdelen groeien / Langzaam aan elkaar, of uit elkaar. Alsof er, / Zo lijkt het wel, liefde en zorg in het spel zijn.

Een zogeheten bom wordt langzaam, met liefderijke zorg, / Uit delen gemonteerd. Vervolgens legt men hem voorzichtig / Op plaatsen waar doorgaans veel armen, benen en hoofden / Samenzijn. Er volgt een luide knal en de delen , / Hiervoor beschreven, komen weer vrij, vergezeld van een rode, / Tevoren inwendige vloeistof die bloed wordt genoemd. / Wat langzaam verenigd is wordt snel gescheiden.

enright, vimeobron foto: vimeo.com

D.J. Enright (1920-2002, Brits)

Uit:Collected poems, Oxford University Press Oxford, 1981; vertaling Ko Kooman

Simon Armitage: die klootzakken in hun villa’s

Die klootzakken in hun villa’s: / als je ze zo hoort gillen, zou je denken / dat ik de honden had vergiftigd en over de greppels was gesprongen, / de gazons met kousenvoeten en versleten broek was overgestoken, / de deur van een van de poorten had geforceerd, en aan de brandende fakkels / de gave van het vuur had ontnomen,

om vervolgens warmte en licht aan de straten en huizen te geven, / de mensen te vertellen hoe zich van hun ketenen te ontdoen, / hen te wapenen met het ijzer van hun polsen en enkels.

Deze heren en dames in hun paleizen en kastelen, / ze zouden me laten opsporen door hun jachthonden, / bepikken door hun roofvogels, neerdrukken, roosteren in de zon.

Ik, ik blijf in de schaduw, met een geweer.

simon-armitagebron foto: interestingliterature.com

Simon Armitage (1963, Brits)

Uit: simonarmitage.typepad.com; vertaling Jelle Nesna

Generatie(s): oude weduwnaars

Oude weduwnaars

Je haalt ze er zo uit, de oude weduwnaars / keuvelend voor de supermarkt / en dan elkaar verlatend, of ze ergens / heen moeten, maar je weet dan: / dat is niet waar, ze hebben alle tijd / de oude weduwnaars.

Hun jasje hangen steeds wat scheef, / hun stropdassen vloeken erbij. / Niemand die ’s morgens vroeg / nog toezicht op hen houdt; ze zijn nu / eigen baas, van trossen losgeslagen,

het zeegat uit, maar zonder kapitein, / beangstigend door die vrijheid / houden zij steeds de kust aan, / aarzelend, starend naar ’t ruime sop / waarop het licht zijn handschoen / van verten werpt.

Sheenagh pugh

bron foto: wikipedia

Sheenagh Pugh (1950, Brits)

Uit: Selected Poems, Seren, 1995

Theodor Storm: Die Stadt

Theodor-Storm

Theodor Storm (Husum, 1817 — Hademarschen, 1888) Duits schrijver uit het realisme. Hij schreef 58 novelles en een aantal bekend geworden gedichten.

Storm, zoon van een advocaat in Husum, toen Denemarken, studeerde recht in Kiel en vervolgens Berlijn. In 1843 was hij zelf advocaat. In dat jaar publiceerde hij samen met Theodor Mommsen een gedichtenbundel. Begon verhalen te schrijven; in 1846 huwde hij.

Omdat hij tegen de Deense bezetting van Holstein was, ging hij in ballingschap naar Potsdam, in het toenmalige Pruisen. In Potsdam ontmoette hij Eichendorff, Heyse en Fontane; Mörike en later vooral Keller behoorden tot zijn vriendenkring. Hij bleef eenentwintig jaar in ballingschap; ondertussen kreeg hij bekendheid als novellist en dichter.

In 1856 verhuisde hij naar Heiligenstadt, waar hij, na in Potsdam drie jaar op proef — en zonder vergoeding — te hebben gewerkt, tot rechter werd benoemd. Dat betaalde slecht maar Storm heeft nooit voor geld hoeven te schrijven. Zijn familie beschikte over voldoende geld en reserves.

In 1864 werd Denemarken verslagen en keerde Storm als landvoogd van Husum terug. Zijn laatste jaren bleken zijn vruchtbaarste. Hij ging in 1880 met pensioen in Hademarschen, om zich volledig aan het schrijven te kunnen wijden. Zijn meesterwerk, Der Schimmelreiter, schreef hij in zijn laatste levensjaar.

Storm is een auteur van de post-Romantiek: zijn gedichten zijn wat men Gegenstandslyrik noemt. Met aandacht voor detail beschrijft hij voorwerpen en dingen, die symbool staan voor innerlijke, psychologische gemoedstoestanden.

Storms novelles hebben gemeen dat er een onheilspellende, duistere kracht in zit; anders dan de dichters uit de Romantiek gaat het bij Storm niet om de scheppende drang van het individu, maar om de natuur die in haar alledaagsheid fataal wordt. De venen en heidelandschappen van Noord-Duitsland; de aanwezigheid van de zee, dat alles voert tot een definitief eindpunt dat het lot bepaalt. De figuren gedragen zich irrationeel; ze doen onverklaarbare zaken die uiteindelijk tot hun ondergang leiden.

Het werk van Storm is een voorbode van het naturalisme: er is een gothic-achtige component latent aanwezig. Storm wordt om zijn combinatie van toegankelijkheid en diepzinnigheid gewaardeerd.

Die Stadt

Am grauen Strand, am grauen Meer – Und seitab liegt die Stadt; – Der Nebel drückt die Dächer schwer, – Und durch die Stille braust das Meer – Eintönig um die Stadt.

Es rauscht kein Wald, es schlägt im Mai – Kein Vogel ohn’ Unterlass; – Die Wandergans met hartem Schrei – Nur fliegt in Herbstnacht vorbei, – Am Strande weht das Gras.

Doch hängt mein ganzes Herz an dir, – Du graue Stadt am Meer; – Der Jugend Zauber für und für – Ruht lächelnd doch auf dir, auf dir, – Du graue Stadt am Meer.