Laura Starink verwoordt Duitse dilemma’s

duitse wortels, rd.nlbron foto: rd.nl

Die oorlog (maakt het uit welke?) brengt het slechtste in de mens los en boven. Het is ook een onuitputtelijke bron om over te schrijven. Het laat mij (en ons, vermoed ik) niet los. Er is een oneindige honger naar verhalen van mensen die het (aan den lijve) hebben meegemaakt. Gewone mensen, niet de uitzonderingen: de helden en de meedogenloze slachters. Niet de extremen, maar de dagelijkse gang. Komen zij (de gewonen, gemiddelden, het midden) wel aan bod in de geschiedenis?

Gelukkig wel, zoals in het boek Duitse wortels van ex-NRC-correspondente in Moskou, Laura Starink. Zij schreef haar familegeschiedenis (die van haar Duitse moeder) op over het leven in de oorlog in Silezië (Duits-Poolse grensgebied). Daarin komen de dilemma’s aan bod. Over de invloed van de nazi’s op dat dagelijkse leven. Over wat je kon weten over wat er gebeurde met de joden. Over wat je kon doen tegen een strak militair georganiseerde samenleving waarin velen werden uitgesloten en geweld aan de orde van de dag was. Waar buren verraad konden plegen en iedereen verdacht was die niet de nationaal-socialistische zaak aktief steunde. Een schrijnend vorbeeld uit dat boek:

In de roman Gleiwitz van Horst Bienek zegt een van de personages, een treinmachinst met de naam Franz, in de loop van 1944 onverwachts tegen zijn vrouw dat hij zich vrijwillig heeft aangemeld voor de Wehrmacht. Ben je nou helemaal gek geworden, zegt Anna, zijn vrouw. De oorlog loopt op zijn einde, dankzij je baan heb je het front al die jaren weten te vermijden en nu zou je je alsnog aanmelden om te sneuvelen in Rusland? Franz legt haar zijn vreemde besluit uit. Hij rijdt al een half jaar veewagons vol joden naar Auschwitz. Bij aankomst in Birkenau zijn velen al dood. Franz kan er niet van slapen. ‘Ze sterven daar als vliegen. Elkde dag worden er mensen verbrand. Soms kun je het ruiken.’ Er is iets bij Franz geknapt toen hij in een van de wagons joodse bekenden zag uit Gleiwitz, die een dag eerder vanuit de Gestapogevangenis in Kattowitz op de trein waren gezet. Vraag dan overplaatsing aan, stelt Anna voor. Dat heb ik geprobeerd, zegt Franz, maar dat staan ze niet toe. Ik had nooit partijlid moeten worden. Als ik niet naar het front ga, moet ik die treinen blijven rijden. ‘Sieh nicht hin, Franzek, sagte sie. Überall ist heute Elend.’

Uit: Duitse wortels. Mijn familie, de oorlog en Silezië, Olympus Amsterdam, 2013

Laura Starink (1954)

 

Anil Ramdas en de macho (op Curaçao)

‘Kijk, als ik alles over zou mogen doen in het leven, zou ik het anders hebben gedaan. Vroeger was ik trots op mijn levensstijl, alle mannen keken naar mij op, ik was een playboy, een versierder. Maar al die mannen hebben nu een gezin, ze hebben kinderen die ze kunnen opzoeken en kleinkinderen met wie ze kunnen spelen. Dat alles heb ik niet. Ik heb zoveel kinderen, maar niet een van hen beschouwt me echt als zijn vader, voor geen enkele heb ik goed gezorgd. En wie kijkt er nu  naar me op? Macho’s, laat mij dat jou zeggen, hebben een ellendige oude dag. Op deze oude dag heb ik alleen Nena, niemand anders. Ach, Curaçaose mannen zijn erg. Overal vrouwtjes, overal kinderen, en geen enkele willen onderhouden. Onverantwoordelijk, gewoon onverantwoordelijk. Op mijn drieënzestigste kreeg ik een hartaanval. Ik kwam in het hospitaal en dacht dat het voorbij was. Toen pas realiseerde ik mij wat er van mijn leven geworden was. Niets. Geen gezin, geen vrouw met wie ik fatsoenlijk getrouwd was. Ik kreeg zoveel wroeging dat ik ’s nachts niet kon slapen. Midden in de nacht vroeg ik om de pastoor. De verpleegster zei dat ik nog niet dood ging, maar dat was het niet. Ik ben niet bang voor de dood zelf, ik ben bang voor de straf die ik zal krijgen voor het losbandige leven dat ik geleid heb. Ik heb de pastoor de volgende dag gesproken, ik heb gebiecht, een hele ochtend lang. Hij gaf mij advies om al mijn kinderen op te zoeken en ze te erkennen. Op die manier zou ik een beetje verlichting kunnen krijgen, zei hij.’

Uit: De strijd van de dansers, biografische vertellingen, Maarten Muntinga Amsterdam, 1994

2doc.nl, anil ramdasbron foto: 2doc.nl

Anil Ramdas (1958-2012, Paramaribo, Suriname)

Waarom geschiedenis? Twee antwoorden

Er is niet één antwoord op de vraag wat geschiedenis is. Ook niet op de vraag wat het nut ervan is. Eén conclusie is wel gerechtvaardigd. Het lineaire, menselijke, aardse bestaan is tijdelijk, eenmalig, vergankelijk, eindig. Daarom kijken we erop terug en staan erbij stil. Om er recht aan te doen. Om het te veroordelen. Om het te begrijpen. Om er wijzer van te worden. Om ons ermee te verzoenen. Om de inspiratie die het biedt. Om het vertrouwen dat het geeft. En om het vorm te geven.

Uit: Geschiedenis – Chiel van den Akker, Atheneum, Polak & Van Gennep Amsterdam, 2019.

In mijn leven heb ik nooit iemand meegemaakt met zo’n vreemde instelling, zo’n idioot leven, zulke wonderlijke opvattingen als hij, mijn studievriend. We hadden elkaar voor het eerst tijdens een college middeleeuwse geschiedenis ontmoet. Terwijl ik ijverig aantekeningen zat te maken over de Investituurstrijd, trok hij lijnen in zijn schrift, twee lijnen op enkele centimeters van elkaar. Die lijnen liepen overdwars en gingen van pagina naar pagina. Af en toe schreef hij er iets bij, meestal liet hij de ruimte onder en boven de lijnen leeg. “Wat deed je toch,’ vroeg ik na het college. ‘Dat had met het onderwerp weinig te maken of…’ Voor het eerst zag ik dat ironisch-bittere lachje dat me later vertrouwd zou worden.

‘Ik teken de weg naar de horizon,’ zei hij. ‘Dat doe ik altijd.’

‘De weg naar de horizon? Maar die komt toch nergens?’

‘Juist daarom,’ antwoordde hij. ‘Als die weg een eindpunt had, zou ik hem niet tekenen.’

‘Maar waarom loop je college? Zonder aantekeningen heb je er weinig aan. Of onthoud je alles?’

‘Ik onthoud niets. Ik lees het later wel in een dictaat. Of niet. Het kan me niet schelen.’

‘Jij bent ook een rare. Waarom studeer je dan geschiedenis?’

Opnieuw dat lachje. ‘Zomaar. En omdat je in de gepasseerde tijd misschien de horizon kunt vinden die je in de open ruimte altijd stappen verder ligt dan waar je bent.’

Uit: De man die legende werd – Chris van der Heijden, uit de bundel resiverhalen Daghani, Daghani, Contact Amsterdam, 1989.

chiel van den akker, research.vu.nlbron foto: research.vu.nl

Chiel van den Akker

chrisvanderheijden-suzanneliem_4en5mei.nlbron foto: 4en5mei.nl

Chris van der Heijden (Leiden, 1954)

C.O. Jellema: foto negatief

Foto negatief

Met grote vingervlugheid / heb ik de tuin vol bloemen gezet, / het gras gemilimeterd en het / straatje naar de voordeur geveegd;

heb ik de wanden van de kamer aangetikt / om hun klank van kristal, en kranten / op tafel gelegd voor gezelligheid, / een boek open op zomaar een bladzij;

en toen ben ik gaan zitten op een stoel, / met gevouwen handen en volstrekt niet leunend – / zo zat mijn grootmoeder vroeger in ’t zwart, / als een kruisspin in haar web tussen de geraniums.

c_o__jellema2cvisualia.nl_bron foto: visualia.nl

C.O. Jellema (1936 – 2003)

Uit: Lees eens een gedicht – samenstelling T. van Deel, Querido Amsterdam, 1979 

Victor E. van Vriesland: raadsel van den duur

Raadsel van den duur

Toekomst, voorbij, is verleden geworden. / Het nu – een niets, een stip, een overgang – / Is niet te vangen. Wanneer ik het vang / Is ’t al geweest: het bloeit niet, het verdorde.

Mijn leven ging, maar blijft in mij bestaan. / Wat onderscheidt herin’ren van verwachten? / Het felste en diepste dat mijn dagen brachten / Gebeurde ontastbaar, is reeds afgedaan.

En met een heldere verwondering, / Gepaard aan vrees en gruwen, zie ‘k elk uur / -Op komst, voorbij – slechts in mijn geest beklijven.

En als ik mij bezin, voel ‘k tijdloos blijven / Mijn eigen ik, waarin zich alle ding / Uit den tijd loswikkelt tot eeuwigen duur.

Victor_van_Vriesland_(1962), wikipedia.orgbron foto: wikipedia.org

Victor E. van Vriesland (1892 – 1974)

Uit: Drievoudig verweer, Querido Amsterdam, 1949

Maarten Doorman: hunebedden

Hunebedden

Ze stonden op verkeerde grond, / verzonken niet en bleven niet / als veenlijken bewaard.

Zo lang konden ze niet gelegen hebben / of ze woeien open tot skelet, / uitgespaard de stenen / en bleven niet, een hunebed / is niet meer / dan wat er niet in is:

een tram in de remise, een café / na sluitingstijd, een autoloze zondag, / minder nog dan wat er / niet in is, / een hoopje keien plotseling in een bos.

doorman foto Joshua Rood, universitymaastricht

foto: Jushua Rood; bron foto: maatsrichtuniversity.nl

Maarten Doorman (1957)

Uit: Het gelijk van de vismarkt, Bert Bakker Amsterdam, 1988

J.C. Bloem: alleen

Alleen

De stilte keert. / Na kreet en strijd / Wordt ’t hart gemeerd / Aan de eenzaamheid.

’t Verbitterd hart / Wrok eerst en wrijt, / Steigert, verward, / Voor de eenzaamheid.

Laat af van haat / En wraak en spijt – / De liefde laat / Slechts eenzaamheid.

Wien niets meer rest / Dan stof en steen, / Die is het best / Voorgoed alleen.

jc bloem, vk

bron foto: vk.nl

J.C. Bloem (1887 – 1966)

Uit: Verzamelde gedichten, Stols Den Haag, 1947

Koos van Zomeren legt uit wat vreemd is

Uit: Het scheepsorkest

Het is vijf uur en er loopt een man door het beeld. Blauw jasje, dichtgeritst tot aan zijn kin. Hij kromt zich tegen de wind en beent naar de waterkant – ik neig ernaar hem te verafschuwen.

Je moet voorzichtig zijn met je gevoelens voor vreemden. Daar bestaan tal van praktische redenen voor. Vreemden vervaardigen, vervoeren en verhandelen de kleren die je draagt en het brood dat je eet. Vreemden voorzien in je levensonderhoud door een boek te kopen en je stukjes te lezen (u leest dit toch wel?). Vreemden beheren de kernwapens die garant staan voor je vrij- en veiligheid. Je bent met huid en haar aan vreemden overgeleverd, maar waarom moet je daaraan voortdurend herinnerd worden? Zelfs hier, zelfs nu? Wat moet die man daar? Hij heeft nota bene niet eens een hengel bij zich, of een hond.

Uit: De bewoonde wereld – Koos van Zomeren, Arbeiderspers Amsterdam, 1998

van zomeren met stanley

De schrijver met hond Stanley, die regelmatig een rol speelde in boeken en verhalen.

Koos van Zomeren (1946)

Alfred Birney maakt een tussenstand op met de Tolk van Java

alfred birney

Alfred Birney (1951) is een Indische-Nederlander die met het boek De Tolk van Java geprobeerd heeft het verhaal van zijn vader, zijn moeder en zijn familie neer te pennen. ‘In De Tolk van Java zijn de herinneringen van een kamerolifantje (moeder), de memoires van een oorlogstolk (vader) gehamerd op een schrijfmachine, onderbroken met verhalen, brieven en gemopper van de oudste zoon, becommentarieerd door zijn broer’, aldus Birney zelf in de ondertitel van het boek. Het boek won de Libris Literatuur Prijs 2017.

In een interview met NRC (27 mei 2016, Kester Freriks) stelt de schrijver:

„Voor veel lezers is het conflict tussen vader en zoon herkenbaar. Een agressieve, militante vader jegens een zoon als slachtoffer. Haat en liefde. Maar er is meer. Het belangrijkste is te laten zien dat Nederland de koloniale geschiedenis op afschuwelijke manier heeft afgesloten, omdat Nederland weigerde met Indonesische leiders te praten. Het doel dat ons land voor ogen stond was gezagsherstel. En geld natuurlijk.”

„De Nederlandse samenleving behandelde voormalige landgenoten uit Indonesië hardvochtig. Ik zag mijn vader als een desperado die zich hier niet thuis voelde. Ik herinner me Indische kennissen van mijn ouders die op bezoek kwamen. Ze hadden iets verweesds over zich, iets verlatens. Het land waar zij opgroeiden en waarvan zij hielden ligt ver weg achter de horizon. Al leef ik nog altijd met duizenden vraagtekens, soms probeer ik het heel eenvoudig te houden: de Indonesiërs hebben iets gewonnen. Hun vrijheid. De mensen uit Nederlands-Indië hebben iets verloren. Hun land. We komen alleen verder in historisch onderzoek als we kennis hebben van hun perspectief. Dat perspectief heb ik in mijn boek willen schetsen: een in Nederlands-Indië geboren man die zowel tijdens als na de koloniale oorlog zijn identiteit kwijtraakte.”

In het navolgende fragment uit het boek een voorbeeld van hoe verweesd en verlaten sommige Indische mensen zich voelden. Broese is een vriend van de vader van de schrijver. De vader wordt door zijn zoon steeds de Arend genoemd.

Op een zondagmiddag nam de Arend mij mee achter op zijn bromfiets. De oude jongen met het dunne haar op zijn bevlekte ronde hoofd woonde ergens aan de Loosduinseweg in een parterrewoning met ramen zo vies dat je er nauwelijks doorheen kon kijken.

De bel werkte niet.

De Arend probeerde met zijn zakdoek een opening in een raam te wissen, maar het vuil zat aan de binnenkant. Hij klopte aan. Het duurde lang voor Broese opendeed. Misschien hadden we de nachtwaker uit zijn slaap gehaald. Hij liet ons wat onhandig binnen, onwennig met dat plotselinge bezoek. Zijn huis was bijna leeg. De hutkoffer van zijn overtocht uit Indië deed dienst als salontafel. Er stond één stoel. Die werd mij toegewezen.

De Arend zei: ‘Zo, woon je hier dus…’

Hij stapte onrustig door de lege kamers, de handen losjes in de zakken van zijn terlenka pantalon, mopperend, schertsend, schimpend. Broese gaf me met onhandige bewegingen limonade te drinken uit een vlekkerig glas waaraan haartjes kleefden. Hij verontschuldigde zich voortdurend tegenover de Arend, dat hij ons niets beters te bieden had. Maar het huis zou beslist worden opgeknapt, hij zou meubels kopen, fatsoenlijk servies en ja… gordijnen.

Als je iemand bent die zich voortdurend voor zijn leven moet verontschuldigen, komt de dood je dan nog wel met genoegen halen?

Uit: De Tolk van Java – Alfred Birney, De Geus Amsterdam, 2016