Abdellatif Laâbi: de Arabische dichter

Abdellatif_Laâbi; en.wikipedia.orgbron foto: en.wikipedia.org

De Arabische dichter

De Arabische dichter / zet zich voor zijn schone schrijfblad / en maakt aanstalten zijn testament op te stellen / maar ontdekt dan dat hij / het gebruik van schrijven is verleerd / Hij is zijn eigen gedichten vergeten / en de gedichten van zijn voorouders / Hij wil schreeuwen van woede / maar beseft dan dat hij / het gebruik van woorden is verleerd / Oorlogsmoe maakt hij aanstalten op te staan / maar hij voelt dat hij / het gebruik van zijn ledematen is verleerd / De dood is hem vóór geweest / daar waar hij moest aftreden / voor het leven

Van: laabi.net; vertaling Piet Liedmeier

Abdellatif Laâbi (1942, Fes, Marokko, Frankrijk)

Laâbi werd geboren in Fes, Marokko. In 1972 werd hij opgepakt, gemarteld en tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege zijn literaire werk. Hij was in 1979 de eerste gevangen schrijver aan wie het Poetry International Eregeld werd toegekend. In 1985 vestigde hij zich in Parijs.

Ter Balkt: het riet

ter balkt, hh, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Het riet

Weerspiegeling, verzinking, weerspiegeling / beveelt het riet, dat verdrinking behoeft; / rinkeling bevalt het riet, outcast in water; / zachte rinkeling als het dichtschuift / de rinkeling als het wuift en zich opricht; / knarsen van grendels wanneer het water sluit; / weerspiegeling, uitwisseling, verzinking, / het riet is maar schildering en wandkleed / van wat ’t langsstromend oog weeft en schildert: / weerspiegeling, uitwisseling, weerspiegeling; / wandelaar zit de eeuw uit als riet aan water, / het weer in hem geslagen ziet hij de schepen, / zijn transistor siddert van verlating, / weerspiegeling, verzinking, weerspiegeling.

Uit: Waar de burchten stonden en de snoek zwom, Harmonie Amsterdam, 1979

H.H. ter Balkt (1938 – 2015, Usselo)

Astrid Roemer: als storm

roemer, astrid, trouw.nlbron foto: trouw.nl

Als storm

als storm / wind is zij die vuur / aanwakkert in mijn hoofd

vlammen slaan uit mijn ogen / bloed zwelt voorbij mijn oevers / wachtwoorden zwichten voor mijn tong

schoongelikt heeft ze de straten / als mijn lakens zijn ze droog en in bruik / ik hoor bomen uit hun kleed glijden, luid / ruchtig en hoe het riet de stroom verzoekt / golven hebben het zand genomen / zelfs de dijken hebben ze bespuugd

maar de zon verzet zich nog / met de tijd

zodra de wolken weeën / kom jij / rochelend met het onweer tegen mijn raam en / geen mens weet van de vloed die wordt / geweerd:

stomwind is zij die vuur aanwakkert in mijn hoofd

Uit: Noordzeeblues, De Geus Breda, 1985

Astrid Roemer (1947, Paramaribo, Suriname)

Bouwers: met opa vissen

*

met opa vissen naar het diep geluk / van zilverschubben tussen riet en dauw: / de damp van thermoskoffie smaakt vertrouwd / terwijl de blei daar zieltoogt en bedrukt / zijn bek laat openscheuren tot een stuk / lip bloedrood aan de weerhaak hangt; zo lauw / en misselijk verdwijnt mijn droombeeld gauw: / met opa vissen naar het pril geluk; / en jaren later naast hem op een kruk / in ziekenzaaletherlucht val ik flauw / omdat er bloed met water in een nau- / we hals valt; onbewust holt uit drup, drup… / met opa vissen naar het diep geluk

Uit: Rondelen, Querido Amsterdam, 1985

nederlandsepoezie.org, bouwers, lenze

bron foto: nederlandsepoezie.org

Lenze L. Bouwers (1940, Breezand)

Ter Balkt: het korenveld

Het korenveld

Zenegroen; vogelmelk; als gespreksstof / tussen berken, ontgaat ons veel. Geler / dan het korenveld geen gebouw op aarde / – en dit theater van ’t brood heft veel

geel gelach omhoog, doorkriebeld, diep / bij zijn voetlicht, van muizepootjes en / korenbloem – en vogelvoet. Blauwer trilt / hitte boven ’t korenveld dan boven vijf

steden met hun troittoirs. En eenmaal op / het korenveld binder geweest of maaier, / alle stalen aren leggen zich voor jou

neer, de een of andere dag. O vrees niet / de zeis als je gewandeld hebt, in en bij / het korenveld, de nietigste kathedraal.

Uit: Laaglandse hymnen, Bezige Bij Amsterdam, 1993

dbnl.org, ter balktbron foto: dbnl.org

H.H. ter Balkt (1938-2015, Usselo)

Achterberg: melkknecht

Melkknecht

Hij legt het spantouw om de poten van het beest, / zet zich neer op het melkblok, plaatst de emmer / onder de uier en omvat de memmen, / waarna de eerste melkstraal op de bodem sjeest.

Toegevend herkauwt ogendicht het beest. / Vliegen verslinden onderwijl zijn huid. / Met ’n luie staartzwaai is het al weer uit. / Naast melk en huid heeft hij geduld het meest.

En in de emmer rijst het zachte feest / van zingend schuim op witte overvloed. / Het is vandaag weer goed en veel geweest. / Hij geeft zich prijs zoals een dichter doet.

Uit: Verzamelde gedichten, Querido Amsterdam, 1980

achterberg, kb.nlbron foto: kb.nl

Gerrit Achterberg (1905-1962, Nederlangbroek)

H.H. ter Balkt: bosanemonen

Bosanemonen

Niets is er in het bos dat nog bloeit / (net zoals ’s avonds laat het stoplicht / in de straten – rood, oranje, groen – en / verder niets dat zich roert dan dat ene / licht, moeizaam klik! zeggend of het / in leven was) dan de bosanemonen, witter / dan wol, op hun eentje niet geurend of / het bestaan van het bos afhing van hèn!

ter balkt, vincent mentzel, nrcfoto: Vincent Mentzel, bron foto: nrc.nl

H.H. ter Balkt (1938-2015, Usselo)

Uit: Literatuur-over-de-IJssel, Overijsselse Bibliotheek Dienst Nijverdal, 1992

Julio Cortázar braakt konijntjes

Uit: Brief aan een meisje in Parijs

Als ik voel dat ik een konijntje ga braken, steek ik twee vingers in mijn mond en geef ze de vorm van een geopend pincet. Dan wacht ik tot ik in mijn keel het lauwe pluis voel, dat naar boven komt net als mousserend vruchtenzout. Alles gaat vlug en hygiënisch en het is in een ogenblikje gebeurd. Ik haal mijn vingers weer uit mijn mond en die houden een wit konijntje bij zijn oren vast. Het konijntje lijkt tevreden; het is een normaal, een volmaakt konijntje, alleen maar heel klein, zo klein als een konijntje van chocola, maar wit en helemaal een konijntje. Ik zet het dan in de palm van mijn hand, strijk zijn pluishaar op met liefkozende vingers; het konijntje schijnt blij te zijn dat het geboren is en het beweegt maar en strijkt met zijn snoetje tegen mijn huid. Dat brengt hij dan in beweging met dat rustig kriebelende malen dat een konijnensnoetje tegen het vel van je hand veroorzaakt. Hij kijkt rond of er wat voor hem te eten is en dan neem ik hem mee (zo deed ik altijd in mijn huisje buiten) naar het balkon en zet hem daar in de grote bloempot met klaver die ik speciaal daarvoor gezaaid heb. Het konijntje trekt zijn oren dan helemaal naar boven, omklemt een jong klaverblaadje met een snelle ruk van zijn snoetje en dan weet ik  dat ik hem gerust  kan achterlaten en weggaan, en een tijdje  lang hetzelfde leven kan leiden als zoveel mensen die van tijd tot tijd een konijntje kopen op een boerderij.

cortazar, pinterestbron foto: Pinterest

Julio Cortázar (1914 – 1984, Argentijns)

Uit: De toppen van Latijns-Amerika, Meulenhoff Amsterdam, 1984

Nine van der Schaaf: voorjaarswind

bos-bomen-zon-tegenlicht

…Bos dat op botten staat… bron foto: blikopnieuws.nl

Voorjaarswind

Lang waait de wind door ’t hout eer dat te botten staat, / Door lege takken suist het wintervoorjaarslied, / De boom is ijl en slaat met krampige vingers uit, / Of is een doodse stille slaper op het veld, / Maar is de harp van wind die laag en hoog / Zijn leven door het bos jaagt en dan lang / Een zelfde deun kan kiezen waar èn dag èn nacht / Vervuld mee zijn, het is een nieuw lied als / De dwaler ’t bos betreedt, het is hetzelfde dat / Hij achterlaat bij ’t heengaan en nog uren hoort / Hij ’t in de droom, de oude takken neuriën / ’t Lied der eentonigheid, – het komen, komen tot / De lente stroomt en zet al ’t hout in bloei.

Nine van der Schaaf (1882 – 1973)

Uit: Naar het onzichtbare, Mees Santpoort, 1929

Walt Whitman: een geluidloze spin vol geduld

Een geluidloze spin vol geduld

Een geluidloze spin vol geduld / merkte ik op, die afgezonderd op een uitsteeksel stond, / merkte hoe hij, om het reusachtige lege rondom te verkennen, / bedrading, bedrading, bedrading uitzond, uit zijn zelf, / het altijd weer afwond, het onvermoeibaar versnelde.

En jij o mijn ziel waar je staat, / omsingeld, losjes, in mateloze oceanen van ruimte, / die onophoudelijk peinzend gist en waagt, de sferen opzoekt om die te verbinden, / tot de brug die je nodig zult hebben af is, tot het smeedanker pakt, / tot de dunne draad die je werpt zich ergens hecht, o mijn ziel.

Walt Whitman

bron foto: hurray-usa.nl

Walt Whitman (1819 – 1892, Noord-Amerikaans)

Uit: The new Oxford book of American verse, Oxford University Press New York, 1976; vertaling Jan Eijkelboom