Kopland: i cavalli di Leonardo

da vinci, paarden 1

Al die schetsen die hij naliet –

eindeloze reeksen herhalingen: spierbundels, pezen, / knoken, gewrichten, die hele machinerie / van drijfriemen en hefbomen waarmee / een paard beweegt,

en uit duizenden haarfijne lijntjes haast onzichtbaar / zacht in het papier verdwijnende huid / van oorschelpen, oogleden, neusvleugels, / huid van de ziel –

hij moet hebben willen weten hoe een paard / wordt gemaakt, en hebben gezien / dat dat niet kon, / hoe het geheim van een paard zich uitbreidde / onder zijn potlood.

Maakte de prachtigste afbeeldingen, bekeek ze, / verwierp ze.

da vinci, paarden 2

Schetsen bevinden zich zowat halfweg tussen twee uitersten: de werkelijkheid en het volmaakte kunstwerk, waarin de werkelijkheid geacht wordt zichzelf te ontsluieren. Als poging, ontwerp, onderzoek verwijst de schets naar iets anders, iets wat er is of was en iets wat er nog moet komen, naar de perfectie, waarin de gelijkenis van ‘zoals’ wordt opgeheven door de identiteit. Die perfectie, het samenvallen van kunst en werkelijkheid, is de diepste drijfveer en de utopie van alle kunst. De schets is het volmaakte beeld van de onbereikbaarheid van die utopie.

Uit: De dichter is een koe, over poëzie – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991