Jeugd Rutger Kopland: ‘een paard te zijn in een weiland, onder de paarden’

Paard

kopland-paard2_FotorIn veel van mijn gedichten komen paarden voor. Dat komt, omdat ik een paard heb willen zijn. Het is minder geworden, maar overgaan zal het wel niet. Nu ik erover nadenk komt het zelfs weer vrij sterk terug. Ik herinner mij nu dat ik met mijn broer speelde, dat ik paard was en hij mij mende. Nog voel ik de ergenis over de geringe gelijkenis van mijn lichaam met dat van een paard. Het vervelendste was nog dat mijn broer mij af en toe vragen stelde die een paard nooit zou kunnen beantwoorden. Tot verbazing van mijn veel jongere broer hinnikte ik dan, want ik kon niet praten. Ik herinner mij ook hoe ik eindeloze pogingen heb gedaan om een paard te tekenen. Duizenden tekeningen heb ik gemaakt, ze zijn allemaal mislukt, allemaal hadden ze die ellendige houterigheid die de illusie verstoorde.

Maar het meest levendige gevoel dat ik uit mijn jeugd kan terugroepen is de droom een paard te zijn in een weiland, onder de paarden. Als dat even lukte, als ik even mijn eigen lichaam als het ware verlaten had, was dat geluk, dat woordeloze, gedachtenloze, lichaamloze gat, waaruit ik als een paard te voorschijn kwam, ver weg in een weiland. Dit fotootje maakt me weemoedig; ‘onze dromen zullen wijken voor de feiten, nooit andersom, nooit andersom,’ schreef ik ongeveer dertig jaar later. Er is niet meer dan een weiland en een elfjarig jongetje op zijn knieën met zijn gezicht in een pan. Niet andersom.

Rutger Kopland (1934-2012, Goor)

Uit: De gevoelige plaat – Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam, 1995