Foto’s Wright Morris illustreerde armoede en verval

wright morris; illustratie2wright morris; illustratie4wright morris; illustratie6Naast zijn schrijverschap wijdde de Amerikaan Wright Morris (1910-1998) een korte periode in zijn leven aan de fotografie. Op bijzondere wijze legde hij de armoede en het verval in het Amerika van de jaren ’30 en ’40 vast.

Het eerste wat opvalt aan de foto’s van Morris is de afwezigheid van mensen. Hij fotografeerde veelal stillevens van alledaagse objecten die de sfeer van armoede en verval ademden. Wright Morris documenteerde daarmee op unieke wijze het harde bestaan op het Amerikaanse platteland in de nasleep van de economische crisis van de jaren ’30.

Tijdens een reis door Europa in 1933 fotografeerde Morris voor het eerst. Bij terugkeer in de Verenigde Staten ontwikkelde zijn schrijverschap en fotografie zich gelijktijdig. Morris fotografeerde vooral in de periode 1938-1947. Omdat zijn beeldromans niet goed verkochten, moedigde zijn uitgever hem aan zich volledig op het schrijven te richten.

bron: cultureleagenda.nl

wright morris; illustratiewright morris; illustratie3wright morris; illustratie5

Tsjechow ontneemt de letterkundeleraar de illusie

tjsechov; blogspot.combron beeld: blogspot.com

Wat maakt de mens de mens? Wat bepaalt geluk? Hoe ziet het ideale huwelijk eruit? Schrijver Anton Tsjechow (1860-1904) hield zich in zijn korte verhalen graag bezig met de psyche van de mens. Dat was ook in de mode, toen. In de bundel Huwelijksverhalen gaat het over het huwelijk en hoe betrokkenen daartoe geraken en hoe het hen vergaat.

In De letterkundeleraar volgen we de jonge leraar Nikitin, die met al zijn ambities voor de klas staat op het Russische platteland. Naast plezier in zijn werk, moet er op het privévlak nog wat puntjes op de i gezet worden. Zijn oog is gevallen op Manjoesja. En het lukt haar te schaken. Goede baan, plezier in het werk, de liefde van je leven trouwen: niets staat geluk in de weg. Maar de twijfel slaat toe. Nikitin trekt zich even terug in zijn studeerkamer:

Wat een onzin! probeerde hij zichzelf te kalmeren. Je bent pedagoog, verricht je werk op het nobelste terrein dat zich denken laat… Wat moet je dan nog met een andere wereld? Wat een geklets!

Maar al op hetzelfde ogenblik zei een stem in hem met volle overtuiging dat hij helemaal geen pedagoog was, maar een ambtenaar, precies zo’n onbegaafde, karakterloze figuur als die Tsjech, die Grieks doceerde; hij had nooit enige roeping voor het leraarsvak gevoeld, van opvoedkunde had hij geen verstand en hij had er zich nooit voor geïnteresseerd, met kinderen omgaan kon hij niet; de werkelijke betekenis van wat hij doceerde ontging hem en het kon best zijn dat hij zijn kinderen dingen leerde, waar zij niets aan hadden. Wijlen Ippolit Ippolitytsj was openlijk een botterik geweest en alle collega’s en leerlingen hadden geweten, wat voor vlees ze met hem in de kuip hadden en wat je van hem verwachten kon; hij, Nikitin daarentegen had net als de Tsjech zijn geborneerdheid weten weg te moffelen, hij had alle mensen handig zand in de ogen weten te strooien door net te doen, of bij hem goddank alles op rolletjes ging. Deze nieuwe gedachten joegen Nikitin zo’n schrik aan dat hij ze van zich afweerde, ze dwaasheden noemde en meende dat het allemaal van de zenuwen kwam en dat hij zichzelf er later om zou uitlachen.

En inderdaad, tegen de ochtend lachte hij al om zijn opgewondenheid en schold zichzelf uit voor een oud wijf, maar hij was er wel diep van doordrongen dat het vermoedelijk voorgoed afgelopen was met zijn rust en dat er voor hem in dat ongepleisterde huis met zijn twee verdiepingen al geen sprake meer van geluk kon zijn. Hij besefte dat zijn illusie in rook was opgegaan en dat er voor hem nu een nieuw, gejaagd, bewust leven was begonnen, dat onverenigbaar was met rust en persoonlijk geluk.

uit: de letterkundeleraar; uit: Huwelijksverhalen, Maarten Muntinga Amstredam, 1996; vertaling Charles B. Timmer

Anton Tsjechow (1860-1904, Taranrog, Rus)

Herta Müller beschrijft een verpeste feestdag

In Lage streken, een verzameling autobiografische vertellingen, schetst de Duitse schrijfster, van Roemeense komaf, Herta Müller (1953) een portret van een boerendorp op het Roemeense platteland. Alle bewoners behoren tot de Duitssprekende minderheid, die wordt onderdrukt door het communistische regime. Müller verweeft de dromerige, onschuldige observaties van een kind met de grauwe en beladen werkelijkheid van de volwassenen.

De gebruikte taal is eenvoudig, knoestig, ruw, soms dromerig, poëtisch. Een geheel eigen geluid dat herkend en erkend werd met de toekenning van de Nobelprijs. Lage streken is mijn kennismaking met het werk van de schrijfster, die zoveel pijn en ongemak in haar oeuvre stopt.

De fotograaf was toen in het dorp. Ik was mollig en had kuiltjes in mijn polsen. Ik had een krul op mijn hoofd die op feestdagen altijd met suikerwater en met een steel van een pollepel gedraaid werd. De krul was weer scheef komen te zitten, zoals op alle feestdagen, omdat moeder bij het kammen huilde, want vader was weer dronken uit de kroeg gekomen.

De feestdag was verpest, zoals alle feestdagen in dit huis.

Je ziet het op de foto, aan de scheve krul van haren en suikerwater, en aan mijn scheve lachje. Ik ging gekamd en aangekleed naar het achtererf en sloot mezelf op in de plee en deed mijn broek omlaag, ging op de stinkende plank zitten en begon hard te huilen. Ik wilde niet betrapt worden en als ik buiten stappen hoorde, werd ik plotseling stil, want ik wist dat je in dit huis niet zonder reden mocht huilen. Moeder sloeg mij soms als ik huilde en dan zei ze: Zo, nou heb je eindelijk een reden.

uit: lage streken – Herta Müller, De Geus Breda, 2012; vertaling Ria van Hengel

herta-Mueller-in-Rumaenien; welt.debron beeld: welt.de

Herta Müller (1953, Nitchidorf, Roemenië)

Vuurtoren bij Mondriaan en Hopper

Edward Hopper - Lighthouse Hill.jpghopper, vuurtoren2Edward Hopper - Hill and Houses, Cape Elizabeth, Maine

Terwijl bij de Amerikaanse kunstenaar Edward Hopper (1882-1967) het schilderen van een vuurtoren de behoefte aan rust en ruimte uitstraalt, is dat bij Piet Mondriaan totaal iets anders. Bij Hopper gold dat hij zich terugtrok uit het drukke stadsleven in New York en naar Maine verhuisde om te genieten van de zomer in Cape Elizabeth. De schilderijen die zo rond 1927 tot stand kwamen, bieden zicht op rust en ruimte. De gekozen positie is van onderaf zodat het ruimtelijke gevoel benadrukt wordt. De blauwe lucht versterkt die emotie. Het is de uitdrukking van de vlucht uit de stad naar het platteland. Van het kunstmatige naar het natuurlijke.

Bij de vuurtoren in Westkapelle die door Piet Mondriaan (1872-1944) op canvas werd gezet, zien we de tegengestelde beweging. Kleurgebruik, verfgebruik en het weglaten van overbodige details tonen dat Mondriaan zoekende was naar een nieuwe manier van schilderen. Van indruk gaat het steeds meer naar abstractie. Van detail naar impressie en door naar het idee van vorm en inhoud. Mondriaan trok naar de rust van de kust om zijn ideeën over het nieuwe schilderen uit te proberen en testte dat op de vuurtoren.

mondriaan, vuurtorenmondriaan, vuurtoren2mondriaan, vuurtoren3

Het alledaagse Franse leven op het platteland door Martin Sommer

Het is een beschrijving van het Franse plattelandsleven in Picardië, Noord-Frankrijk. Een streek waar zich veel Nederlanders vestigden na de jaren 60. Voorop de kunstenaars en de avonturiers. Daarna de volgers.

In Dorp in Picardië probeert schrijver Martin Sommer te schetsen wat die Nederlanders daar toch zoeken. En wat die Fransen daarvan moeten denken. Veel van wat er tussen Fransen en import-Nederlanders speelt heeft te maken met keuzes. Nederlanders kiezen naar Frankrijk te gaan, vaak met behoud van hun tweede thuis in de Lage Landen. Fransen hebben niets te kiezen; zij leven daar met hun alledaagse kommer en kwel en zien de leegloop.

charles eyck; dorp picardieEen blik op het werk van Charles Eyck in de kerk van Jeantes; bron beeld: pinterest.com

In het boek informeert en registreert Sommer dat alles aan de hand van het verhaal over het leven van de Nederlandse priester Piet Suasso de Lima de Prado, die neerstreek in Jeantes. Daar liet hij de kerk opknappen met werk van Charles Eyck. Piet Suasso bracht leven en reuring in het leeglopende Franse dorp en dat werd niet door iedereen in dank afgenomen. Franse notabelen hebben hun eigen makkes en werpen soms drempels op die gestoeld zijn op jarenlange en door generaties bepaalde normen. Jaloezie speelt daarin een grote rol, blijkt.

In een hoofdstuk over de notabelen gaat het over de rol van de burgemeester:

De burgemeester is in Frankrijk altijd de pineut. Ik sprak er ooit een die vertelde waarom hij ermee wilde ophouden. De priester is dood, de onderwijzer is weg, zei hij. Alles komt op de schouders van de burgemeester. Altijd gezeur, en ze denken tot overmaat van ramp dat je er een slaatje uit slaat. In werkelijkheid houdt de wedde van een Franse burgemeester niet over. Er zijn er nog altijd 36.000 in Frankrijk, minstens de helft overweegt er de brui aan te geven. De verantwoordelijkheid is te zwaar. Jaarlijks wordt er een handvol gearresteerd, omdat er een boom op het schoolplein is gevallen. Of omdat er door de slagregens een gat in het wegdek is geslagen, waarin vervolgens iemand zijn been heeft gebroken. De burgemeester is persoonlijk aansprakelijk. Dat geldt voor alle openbare bestuurders in Frankrijk.

(..)

Dan heb ik het nog niet over de onuitroeibare roddel over de burgemeester die zichzelf en zijn eigen clan bevoordeelt. Op het platteland heeft de ruilverkaveling diepe wonden geslagen die niet worden vergeten. Bij mij in het dorp zegt deze of gene: ‘De burgemeester heeft goed voor zichzelf gezorgd bij de ruilverkaveling. Kijk maar naar z’n boerderij. Hij is toch de grootste boer?’ Zo gaat het overal en er valt niks tegen te beginnen.

uit: dorp in Picardië – Martin Sommer, Meulenhoff Amsterdam, 2004

Geert Mak: als iedere ziel zwaar telt

geert-mak; welingelichtekringen.nlbron beeld: welingelichtekringen.nl

Schrijver Geert Mak is de maker van het boek Hoe god verdween uit Jorwerd. Ik las Een vreemde tijd in Jorwerd dat gaat over de ingrijpende veranderingen waaraan het platteland in NL onderhevig is. De stad dringt zich op, niet alleen fysiek maar ook mentaal. Want er is toch een verschil in beleving bij de bewoners van de (grote) stad en de dorpsbewoners. In het volgende fragment duidt Mak dat verschil:

Zo werden alle gebeurtenissen binnen de dorpsgemeenschap beheerst door de wet van het kleine getal, een wet waar men in de stad nauwelijks weet van heeft. In een kleine gemeenschap telt iedere ziel zwaar. Een rijtje nieuwe woningen valt in een stadsbuurt nauwelijks op, maar in een dorp, met misschien honderd huishoudingen, hebben twintig nieuwe gezinnen een enorme invloed. Het succes van veel uitvoeringen, wedstrijden, samenkomsten en andere projecten is dikwijls te danken aan de inzet van een of twee gangmakers, maar het omgekeerde gaat ook op. Zeker als de belangrijkste onderlinge economische banden verbroken zijn en alleen nog emotionele en culturele bindingen tellen is een dorpsgemeenschap vaak zo broos dat een paar enkelingen veel kapot kunnen maken, en voor lange tijd.

Dat gold ook voor Jorwerd. Een handvol mensen had het dorp gemaakt, de feesten en bijeenkomsten georganiseerd, de clubs bijeengehouden, de school gesteund, decennia lang. Maar er hoefde maar één keer een tijdelijk schoolhoofd  aan de drank te raken – zoals in een naburig dorp was gebeurd – of de school zou verdwijnen, voorgoed. En toen er een aggressieve schreeuwlelijk in de nieuwbouw kwam wonen hoefde die maar een paar weken in het café rond te zieken, of er bleven klanten weg. Goddank kraste hij snel weer op, maar anders zou het belangrijkste sociale centrum van het dorp serieus in de problemen zijn gekomen.

fragment uit: Een vreemde tijd in Jorwerd; uit: Het beste van Atlas, Atlas Contact Amsterdam, 2015, samenstelling Emile Brugman

Geert Mak (1946, Vlaardingen)

Gerard van Westerloo: natuur verzet zich tegen het beheersplan

van westerloo, gerard; trouw.nlbron beeld: trouw.nl

Wij Nederlanders hebben een moeizame verhouding met de (ongerepte) natuur (haha). Bestaat er in ons land eigenlijk ongerepte natuur? We hebben groenstroken die soms wat groter zijn dan de berm tussen twee wegen of tussen twee wijken, in het gunstigste geval tussen twee steden. Dat noemen we platteland. Een onderdeel van dat platteland is de groenstrook. Dat heet anno nu: een Natura 2000-gebied. Tot zover dit korte college over de groenvoorzieningen in ons kikkerlandje.

Journalist Gerard van Westerloo liep door ons land en ontweek de grote steden. Hij ontmoette veel mensen (dat kan in NL bijna niet anders), liet ze vertellen en legde hun verhalen vast. Ondertussen keek hij met een schuin oog naar de habitat van die mensen. Dat leidde tot de volgende gevolgtrekking:

Het zal het laatste stuk ongerepte natuur zijn dat ik deze reis tegenkom. In wat er tussen Noordzee en Duitse grens van over is ben ik me steeds meer buitenstaander gaan voelen. Het ongerepte is vaak door een hek omgeven. Bij de ingang – dat alleen al – wordt men overstelpt met in acht te nemen gedragsregels en op te volgen instructies. Het verbaasde mij soms dat er geen kledingvoorschriften bij verstrekt worden. Doorgaans trof ik ter plaatse een vriendelijke mevrouw of mijnheer aan die namens een Stichting of Vereniging op biotechnologisch verantwoorde wijze bezig was God het werk uit handen te nemen. Ze groeven dassentunnels, legden lussen in beken aan, bouwden eekhoornbruggen of vingen padden op in emmers, zodat de beestjes veilig een asfaltweg over en in een sloot kwamen. Ook voorzagen ze uitgezet wild van zenders, bestreden ze de groei van de ene boomsoort en bevorderden ze de groei van de andere. Ze hadden weinig op met sommmige dieren die andere dieren lekker vinden. Ze bleken, kortom, de natuur te zien als een moeilijk te beheren verschijnsel, een geduchte tegenstander die zich heftig verzet tegen de uitgangspunten van hun beheersplan. Soms verlangde ik erg naar plekken waar geen mens zich om bekommert.

fragment uit: De mus gaat hard achteruit; uit: Voetreiziger, het wandelboek van Nederland, Bezige Bij Amsterdam, 2004

Gerard van Westerloo (1943-2012, Amsterdam)

Sune Jonsson documenteerde het Noord-Zweedse plattelandsleven

sune jonsson; docu7Alfred Mattsson, Storsele
1961-62 (?)sune jonsson; docuOlov Sune Jonsson (1930-2009, Swe) was documentaire-fotograaf, filmer en schrijver. Jonsson kwam van het Zweedse platteland en legde met name het Noord-Zweedse plattelandsleven vast. Noord-Zweden dat dunbevolkt is. Voordat de Zweed daarmee begon studeerde hij eerst folklore en literatuur in Stockholm.

In de jaren 60 fotografeerde hij de bewoners van Västerbotten. Publiceerde de resultaten in een boek dat populair werd. Het museum van Västerbotten nam hem daarna in dienst. Jonsson richtte zijn lens op de plattelandsbevolking, boeren, het door mensen gemaakte landschap en de religieuze bijeenkomsten. In zijn fotografie liet de Zweed zich inspireren door het werk van o.a. August Sander, Walker Evans en Dorethea Lange. Jonsson werd vooral geraakt door sociale thema’s.

Niet alleen was Jonsson een begnadigd fotograaf, hij was ook documentaire-filmer voor het museum en de Zweedse tv. Hij maakte o.a. documentaires over kleine boeren, de mijnen en de visserij in Noord-Zweden.

sune jonsson; docu2sune jonsson; docu4

Lize Spit: hoe fietsen het perspectief verandert

Het smelt is het debuut van Lize Spit (1988, Viersel), een veelgeprezen debuut. ‘Een roman die je verslagen achterlaat’ stond er op de binnenflap. Het is een indrukwekkend boek dat me raakte als een mokerslag. Het verhaal speelt zich af op het platteland. De gemeenschap waarin het zich afspeelt is klein en overzichtelijk. We volgen de hoofdpersoon, een meisje dat pubert, later een vrouw met herinneringen aan die tijd. De rest van de personages (vrienden, vriendinnen, gezinsleden) zijn vooral mensen met mankementen. We kijken naar de duistere zijden van de mensheid. Hoe gebeurtenissen bepalend zijn voor keuzes die je later maakt. Het gaat om wraak. Om gebrek aan veiligheid en geborgenheid. Om onverschilligheid. Om de nadelen van groepsdruk. Om het niet uitspreken van nare ervaringen. En nog zoveel meer…

De roman behandelt de puberavonturen van de bedeesde Eva. Dertien jaar na gebeurtenissen die uit de hand liepen, keert zij terug naar het dorp. Zowel de gebeurtenissen van dertien jaar geleden, als de terugkeer naar het dorp, worden minitieus beschreven, zodat het helder wordt waarom Eva handelt zoals ze handelt. De toon is deprimerend. Achter elke alinea gaat een groot ongemak schuil. Ik voelde beklemming en rampspoed die komen gaat. Dat was het indrukwekkende. In elke geschreven vezel voelde ik het onheil naderen en toch: het leest als een malle. Meeslepend is de passende term in zo’n geval.

De aanschaf van een fiets is iets waarop velen zich verheugen. In Het smelt is dat anders:

‘Je koopt niet zomaar een fiets, je koopt een Gazelle,’ zei de fietsenmaker terwijl hij mijn stapeltje geld twee keer natelde.

Omdat het vreemd zou zijn de Gazelle in de koffer van de wagen mee te nemen, mocht ik er meteen mee naar huis rijden. Ik vertrok alleen, op de twee grote wielen.

Zolang ik Nedermeer doorkruiste, was het fijn fietsen. Wat een machtig en ongekend gevoel, net als wanneer ik bij vrij zwemmen op school met zwemvliezen aan in het water dook – elke beweging die ik maakte had meer effect.

Ik dacht dat het snel zou wennen, dat ik al na een paar minuten de verbetering niet meer zou kunnen voelen. Dan moest ik net als bij de zwemvliezen wachten tot ik ze weer uit kon trekken om te kunnen begrijpen hoe piepklein, spits en heel inefficiënt voeten eigenlijk waren.

Maar de gewenning kwam niet, want in Bovenmeer, fietsend langs de huizen die ik dagelijks passeerde, voelde ik me niet langer machtig, ook niet piepklein, enkel vreemd, ongemakkelijk: de brede handvatten pasten amper in mijn handen, ik keek over de coniferen, taxus- en buxushagen van andermans tuinen heen, er was niets meer dat zich aan mijn zicht kon onttrekken – rotzooi, stapels ongestreken kleding op de keukentafels, een hamsterkooi op een aanrecht, vrouwen die met krachtige uithalen stonden te stofzuigen. De omgeving die ik al jaren kende, toonde zich plots vanuit een ander perspectief. Ik paste er niet meer in zoals ik er altijd wel in had gepast. Ik was het Duplomannetje in een Legohuis.

Uit: Het smelt, Das Mag Amsterdam, 2016

spit, lize; standaard.bebron beeld: standaard.be

Lize Spit (1988, Viersel)