Het gedicht als ding

Het wemelt in de poëzie en in de beschouwingen van metaforische uitspraken. Het lijkt er soms op dat je eender wat kan zeggen – het is altijd wel toepasselijk: het gedicht is een bril, een doos, een lucifer, een deur, een boom, een mens, een schoen, een tekstverwerker… Dat komt ervan als je taal gebruikt. Sommige van die beelden zijn krachtiger dan andere. Ze keren altijd weer en groeperen zich rond hele reeksen aan aanverwante beelden. Tot de belangrijkste daarvan behoren het gedicht als ding, de dichter als ingenieur (het gedicht is een mechaniekje), het gedicht dat organisch groeit als een plant, de poëzie is alchemie (de dichter is goudzoeker), het gedicht is een brief (een boodschap, een stem, een kreet), het gedicht is een lied (de dichter zingt).

In de bundel zonder namen van Gerrit Kouwenaar staat het gedicht ‘als een ding’:

Als een ding

Een gedicht als een ding

een glazen draaideur en de chinese ober / die steeds terugkeert met andere schotels

een parkwachter die zijn nagels bijvijlt / tussen siberische kinderen uit maine

een venus van de voortijd samen met / een spin op de snelweg

een glas moedermelk, een geel / gesteven smoking

een bij, een pennemes / beide stekend, een vliegtuig / dat oplost in de dorpsregen

een gedicht als een ding.

(..)

De consequentie van die poëzieopvatting is dat kwesties als weergave van werkelijkheid, als persoonlijke pathetiek, expressiviteit of boodschap van de hand worden gedaan. Wat daarvoor in de plaats komt is een toegespitste aandacht voor de taal: ‘De werkelijkheid gebeurt, het leven gebeurt, en om zo af en toe ook eens de taal te laten gebeuren, dat is eigenlijk waar het steeds meer om gaat.’

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991 

kouwenaar, nrc.nlbron foto: nrc.nl

Gerrit Kouwenaar (1923-2014, Amsterdam)

Bijna iedere dag muziek: Joni Mitchell

Om heel veel redenen mag Joni Mitchell niet ontbreken. Vanwege haar roots, die in Canada lagen. Haar connectie met de Peace-and-Love-generatie. Haar onafhankelijkheid als vrouwelijke singer/songwriter. Haar zucht naar nieuwe muzikale wegen. Maar vooral die onnavolgbare stem die buigt en vloeit zoals de rivier stroomt.

Er zijn ongelofelijk veel klassiekers van haar afkomstig: Big Yellow Taxi, Chelsea Morning en Both Sides Now om er een paar te noemen. Ook haar samenwerking met tal van muzikanten, waaronder Pat Metheney, Jaco Pastorius en Michael Becker (uit haar jazzy-tijd), maar ook Crosby, Stills, Nash and Young en The Band noem ik. Mitchell is voor heel veel artiesten een bepalende invloed geweest. Denk aan veel vrouwelijke singer/songwriters maar ook aan iemand als Prince, die haar muziek enorm bewonderde. Joni Mitchell heeft me met haar muziek altijd direct in het hart getroffen.

Poëzie is definiëren: water van Rutger Kopland

Heel in de diepte is alle poëzie een poging tot definitie. De woorden van het gedicht zijn de defintie van het thema van het gedicht. Soms wordt dat thema genoemd, is het aanwezig als lemma in een lexicon. Maar vaker groeit het pas uit de verzen zelf: het gedicht is de defintie van een begrip waarvoor geen ander woord bestaat dan de defintie zelf…

Uit: De dichter is een koe – Hugo Brems, Arbeiderspers Amsterdam, 1991

Voorbeeld: Water van Rutger Kopland

water, generationm.be

bron foto: generationm.be

Water

I

Als met water zelf, met de gedachte / spelen dat je ooit en eindelijk / zult weten wat het is.

Het is regen geweest, een rivier, een zee, / hier was het, hier heb ik het gezien

en zie ik water en weet niet wat het is.

II

Zoals het kwam, uit het oneindige, / neerdaalde uit de hemel,

het in de bergen ging ruisen, en begon / te dansen van beek naar beek

het zich wiegend een weg zocht in / de rivier door de vallei / zoals het oud werd en traag en eindelijk / de zee vond en verdween

in wat daar lag, in zichzelf.

III

Is dit water? Misschien is het dit, / maar onzichtbaar, geluidloos, stil,

en niet de ruisende regen, de wiegende / rivier, de eenzelvige zee, niet dit,

maar wat dit is geweest, weer wil zijn, / nog niet is.

IV

Het is er, maar alleen zoals water / er is, even –

ik maakte bergen, een rivier, een zee, / ik liet het regenen, stromen / door de rivier, eindigen / in de zee,

wat ik als kind maakte in het zand / met water – even was het er.

V

Je weet dat het er is, maar wat is het.

Het heeft in de regen gelegen, het is / meegenomen door de rivier, aangespoeld / door de zee, het is verdroogd, gerimpeld.

Is het ooit geschreven geweest en nu / water, of nooit.

Uit: Dankzij de dingen – Rutger Kopland, Van Oorschot Amsterdam, 1989

Koe, kikker, stoel

koe, trouw.nl

bron foto: trouw.nl

De Koe

Een koe / is een merkwaardig beest / wat er ook in haar geest / moge zijn / haar laatste woord / is altijd / boe

K. Schippers

groene-kikker kikkersite.nl

bron foto: kikkersite.nl

De kikker

Wat een prachtige vogel is de kikker – / Als hij staat zit hij bijna; / Als hij springt vliegt hij bijna. / Hij heeft nauwelijks enig verstand; / Hij heeft nauwelijks een staart ook. / Als hij zit, zit hij op wat hij niet heeft / bijna.

Onbekende Canadese dichter

stoel, vintagemasters.nl

bron foto: vintagemasters.nl

Stoel

Overal staat zij bij / in een hoek met haar / rug tegen de muur / kaarsrecht en op 4 poten

zelden onderwerp van / gesprek of affectie / (je neemt een stoel / niet op schoot) blijft zij

trouw overeind kiest / geen partij altijd be- / schikbaar ontroerend goed / in al haar houten eenvoud

zelfs in dromen / weigert zij te lopen / staande slaapt zij / met mijn kleren aan

J. Bernlef

Uit: De waarheid als De koe – K. Schippers, Querido Amsterdam, 1963

Uit: Wie a zegt – J. Bernlef, Querido Amsterdam, 1970

Uit: De stoel. Een verzameling, Querido Amsterdam, 1970

Cees Nooteboom en het verlangen om niemand te zijn

Hij zegt: ‘Er komt een moment in het leven, waarop iemand  zich realiseert dat hij niet iedereen kan zijn, maar dat hij moet kiezen wie hij wil zijn. Ik heb daarmee altijd de grootste moeite gehad. In laatste instantie heb ik over de dingen wel een mening, maar ik heb ook de voortdurende behoefte om mij te verplaatsen in de gedachtenwereld van anderen. Als ik een intelligente voorstander van kernwapens hoor betogen, dan denk ik: daar zit iets in. Maar als ik even later naar een tegenstander luister, geef ik hem ook gelijk. Het verlangen om een algemeen mens te zijn, leidt ertoe dat je tegelijkertijd ook niemand bent: een man zonder eigenschappen. Dat is de grote attractie van het reizien – je bent werkelijk niemand, een figuur in een oneindige stoet van mensen. Je wordt onzichtbaar. Je verliest je eigen naam, want als ik in het buitenland kom, heet ik mr. Noetboem, Notebook, Notebaum of gewoon monsieur Boem.’

Uit: Vrij Nederland 6 december 1980, interview met Max Pam

nooteboom, parool.nlbron foto: parool.nl

Cees Nooteboom (1933, Den Haag)

Nijhoff: twee reddeloozen

Twee reddeloozen

Zij gaat ’s nachts vaak naar de haven / Waarheen ze vroeger met mij ging, / Aan de eeuwige zee, aan de sterren, / Vraagt ze waarom het voorbij ging –

En de wind en de lichten der schepen / Zeggen dat al wat voorbijgaat / Op een reis zonder thuisreis / Naar een einde waar niemand ons bijstaat –

In mijn hooge verlichte venster / Tusschen schoorsteene’ en torenklokken / Heb ik tegenover den hemel / Een eenzame voorpost betrokken.

In alles te kort geschoten, / Staar ik bij het raam op de stad / En vraag: was ik grooter geworden / Wanneer ik had liefgehad?

Uit: Vormen, Van Dishoeck Bussum, 1924

nijhoff, literatuurmuseum.nlM. Nijhoff (1894 – 1953)

bron foto: literatuurmuseum.nl

Joost Zwagerman: de stilte ontluisterd (2)

zwagerman

Onthechting is een lekker wijf bij wie / de daad bij het woord zich hult in niet-bestaan. / Maar poëzie is taal is geil en wil er altijd zijn.

Zo is er bijvoorbeeld de harde werker / die alle adders van de grasmat ragt, / terwijl weer even verderop met kalme ademtocht / zwijgzaamheid door een verwerping wordt verrijkt. / Daar zucht hoorbaar de stille taalvennoot.

En wat er altijd is is andermans beweging / – geschreven, zo snel, voorbij alweer.

Jawel, er is bewogen.

Geen stomme held ben ik, geen dichtervorst / want nooit stop ik mijn vinger in de dijk. / Het stroomt, het woekert en het gist, geen / gat gedicht. Van alles is de hand te wijzen.

Ik heb het wel geweten. / Ik heb een wel geweten want ik kijk. / Ik weet mij de herovering, / een woordenvloed verplaatsbaar, / verplaatsing staat erbij te kijk.

Ik heb gekeken. Als ik gezegd.

Joost Zwagerman (1963 – 2015)

Uit: Langs de doofpot, Arbeiderspers Amsterdam, 1987

Gerrit Kouwenaar: dat is alles

Dat is alles

Er is geen mens / er zijn mensen / er is poëzie geen gedicht / poëzie over langzaam voorbijgaan / geen gedicht over onbekenden

er zijn mensen en als ik zeg / ik bemin ze dan lieg ik / en als ik lieg ik bemin ze / dan spreek ik de waarheid / over één mens

en ik zeg zij alleen / maken steen steen / zij alleen maken water water

ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken / en dat is dubbel gezegd

zo leggen de feiten zich neer / dubbelzinnig en links / als de mensen

ik heb hen niet lief maar / ik sta hen bij als mijzelf / dat is alles.

kouwenaar, jacco pranti

foto: Jacco Pranti

Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014)

Uit: Een eter in het najaar. Een keuze uit eigen werk, Querido Amsterdam, 1989

Bertolt Brecht: Entdeckung an einer jungen Frau

Entdeckung an einer jungen Frau

Des Morgens nüchterner Abschied, eine Frau / Kühl zwischen Tür und Angel, kühl besehn. / Da sah ich: eine Strähn in ihrem Haar war grau / Ich konnt mich nicht entschliessen mehr zu gehn.

Stumm nahm ich ihre Brust, und als sie fragte / Warum ich Nachtgast nach Verlauf der Nacht / Nicht gehen wolle, denn so war’s gedacht / Sah ich sie unumwunden an und sagte:

Ist’s nur noch eine Nacht, will ich noch bleiben / Doch nütze deine Zeit: das ist das Schlimme / dass du so zwischen Tür und Angel stehst.

Und lass uns die Gespräche rascher treiben / Denn wir vergassen ganz, dass du vergehst. / Und es verschlug Begierde mir die Stimme.

Ontdekking bij een jonge vrouw

’s Ochtends het nuchtere afscheid, een vrouw, / koel, haastig op de drempel, koel bekeken. / Toen zag ik: een lok in haar haar was grijs, / ik kon niet meer besluiten om te gaan.

Zwijgend nam ik haar borst, en toen ze vroeg / waarom ik, nachtgast, na het verstrijken van de nacht / niet wilde gaan, want zo was het bedoeld, / keek ik haar onomwonden aan en zei:

Is het nog maar één nacht, dan wil ik nog blijven, / maar verspil geen tijd; dat is het erge, / dat je hier zo haastig op de drempel staat.

En laten we onze gesprekken sneller voeren, / want we vergaten helemaal dat je vergaat. / En van begeerte sloeg mijn stem over.

TH_Alienation Effect_Brecht glassesBertolt Brecht (1898 – 1956)

Uit: Gesammelte Werke, Band 4, Suhrkamp Frankfurt am Main, 1967